Skip to main content

Full text of "JEOL 14 (1955-1956)"

See other formats


1955-1956 


7954 



JAARBERICHT N° 14 


VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 


EX ORIENTE LUX 


INHOUD 

Redactioneel: 1. Ter Inleiding (1); 2. De belangstelling voor het Nabije Oosten in Nederland (2); 
3. Nog iets over Jeruzalemvaarders (7); 4. Jacob Muyser (8); 5. Lijst van geschriften van Prof. 
Dr A. H. Edelkoort (9). 

Vooraziatische Philologie 

Het Oude Testament en zijn betrekkingen in verleden en heden. 

6. Vijf jaar Oud-Testamentische inleidingswetenschap (11). 

7. Godsdienstgeschiedenis van Israël (27). 

8. De Hebreeuwse taalwetenschap in de laatste dertig jaar (42). 

9. De verklaring van het Oude Testament (45). 

10. Egyptological Remarks on the Story of Joseph in Genesis (63). 

11. Het oude Arabië en de Bijbel (73). 

12. Les manuscrits trouvés depuis 1947 dans l*e désert de Juda. III (85). 

13. Naar aanleiding van een inscriptie uit So c ar (117). 

14. Overzicht van de Oudtestamentische Theologie (122). 

Platen i-vii, Figuur 1. 

Alphabetische lijst der medewerkers: P. A. H. de Boer 13; Chr. H. W. Brekelmans 9; D. J. 
Hoens 5; J. H. Hospers 8; Jozef M. A. Janssen 4, 10; V. de Leeuw 14; J. van der Ploeg 12; 
B. A. van Proosdij 2, 3# G. Ryckmans 11; Th. C. Vriezen 1, 7; A. S. van der Woude 6. 



J 







HET VOOR AZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP cEX .°, R . IE ?3jfen'stelt zfch ten doel de bevordering 
gekeurd bij Koninklijk besluit dd. 8 december 1947 no. 9, gevestigd tc ~ e \ ’ verwante beschavingen, en het 

van de studie van de beschaving van het oude Nabije Oosten en van daar. bereiken door het uitgeven 

vormen van een band tussen hen, die in deze studie belang stellen. Het tracht dit doel te Deremen u 
van een aantal publicaties, waarvan het Jaarbericht de meest omvattende is. 

Het Jaarbericht bevat een overzicht van de stand der wetenschap omtrent de lande° ude ^°° tijdschrift 
Egypte, zowel in arch^ologisch-historisch, als in philologisch opzicht. Het onderscheet 

doordat het karakter in de eerste plaats informerend is; het beoogt een recapitulatie te gev j moge jy k 

schriftartikelen en opgravingsberichten, die over het Nabije Oosten verschijnen. Polemiek _ Westen 

vermeden; behandeling van details wordt beperkt. In het Oosten gaat het terrein tot de in J, moe-eliik 

via Klein Azië en de Aegeische beschaving tot de klassieke archseologie. In het Jaarbericht wo { 

ook tekstvertalingen, alsmede capita selecta opgenomen uk de geschiedenis van de beschavmge 
om het Middellandse Zeebekken. Ten einde de leden en begunstigers regelmatig op de hoogte te houüe <k 

resultaten der archseologische en philologische onderzoekingen wordt een geïllustreerd Bulletin „ruoemx i 

gegeven, hetwelk tweemaal per jaar verschijnt en gratis aan alle contribuanten wordt gezonden. 


Het Genootschap geeft verder een serie Mededeelingen en Verhandelingen en Overzichten van de geschiedenis 
en opgravingen in het Nabije Oosten uit, waarin kleinere monographieën verschijnen, benevens een serie grotere 
wetenschappelijke Uitgaven. Voorts stelt de administratie van het Genootschap regelmatig publicaties op het 
gebied van het Oude Oosten tegen gereduceerde prijzen aan de contribuanten ter beschikking..— In vele 
plaatsen in. Nederland en België zijn studiekringen van c Ex Oriente Lux 3 gevestigd, die des winters bijeenkomsten 
organiseren, waar sprekers uit binnen- en buitenland lezingen en cursussen houden. Alle contribuanten hebben 
gratis toegang tot de lezingen. — De bibliotheek van het genootschap is ondergebracht in het Nederlands 
Instituut voor het Nabije Oosten, Noordeindsplein 4a te Leiden. Contribuanten van c Ex Oriente Lux 3 hebben vrij 
toegang tot de boekerij van dit Instituut, terwijl zij ook van de logeerkamers van het Instituut gebruik kunnen 
maken tegen de daarvoor vastgestelde voorwaarden. 


Het Algemeen Secretariaat van het Genootschap is gevestigd Noordeindsplein 4a, Leiden (tel. 23682), het Belgisch 
Secretariaat is gevestigd Beukenlaan 7, Heverlee-Leuven (tel. 24747). De leden (ƒ 10.—) en leden-begunstigers (id.) 
ontvangen het Taarbericht, de Mededelingen en Verhandelingen en Overzichten van de geschiedenis en op¬ 
gravingen gratis en, zo mogelijk, de Uitgaven. De begunstigers (ƒ 7.50 per jaar; Bfrk. 95.—) krijgen het Jaarbericht 
gratis en de andere uitgaven tegen gereduceerde prijs. Het vorenigingsjaar loopt van 1 juni tot 1 juni. Opzegging 
als contribuant moet uiterlijk vóór 1 mei geschieden. Voor een uitnodiging tot het lidmaatschap en opgave als 
lid-begunstiger of donateur wende men zich tot de secretaris-penningmeester, de heer Dr A. A. Kampman, Noord¬ 
eindsplein 4a, Leiden (postgironummer 229501, tel. 23682), tot de Belgische secretaris Prof. Dr J. Vergote, Beuken¬ 
laan 7, Heverlee-Leuven (bankrekening 9980 van de Kredietbank te Leuven), of tot de studiekringbesturen 
(zie blz. 4 van het omslag). Alle bestellingen van publicaties dienen gericht te worden aan het Algemeen 
Secretariaat, Noordeindsplein 4a te Leiden. 


JERUSALEM IN THE OLD TESTAMENT 

TABULAE CUNEIFORMES 

RESEARCHES AND THEOREES 

A 

BY 

F. M. TH. DE LIAGRE BÖHL 

DR. J. SIMONS SJ. 

Collectae, Leidae Conservatae 1 (=TLB 1) 

1 952,4to, xvi and 518 pp., 33 pl., 64 maps and figs. Buckram II80. — 

This book inaugurates the series Siudia Francisci Schotten Memoriae 
dicaia, planned by the Netherland's Institute for the Near East. 
Professor Simons attempts in this book a synthesis of the archaeological 
data concerning the Capital city of the Davidic kingdom. The significance 
of the subject of this book for many pages of the Old Testament need 
hardly be stressed. 

This portfolio contains the first two issues of plates with cuneiform 
inscrlptions to appear in Tabulae Cuneiformes, publication of the Col¬ 
lectie de Liagre Böhl in the Nederlands Insiiiuui voor hei Nabije 
Oosten in Leiden. Subsequent issues with Old-Babylonian docu- 
ments will be published in the future. 

Price of the portfolio with the first two Issues (48 plates edlted by 
DrW F. LEEMANS) 11.35.- 


EGYPTIAN READINGBOOK 

AKKADIAN CHRESTOMATHY 

Volume 1 

Volume 1 

EXERCISES 

SELECTED CUNEIFORM TEXTS 

AND MIDDLE EGYPTIAN TEXTS 

arranged and edited 

selected and edited 

by 

by 

Franz M. Th. de Liagre Böhl 

Dr Phil. (Leipzig), Hon. D. Theol. (Bonn), Hon. D. Philol. et Hist. Oriënt. 

Dr A a DE BUCK 

(Louvain), Emeritus Prof. of Assyriology in the University of Leiden 

Prof. of Egyptology In the Universlty of Lelden 

and copied from the Cuneiform by 

1 948, 4to, x and 1 28 pages II. 1 5.- 

Madeion L VERSTIJNEN 

Volume II will appear shortly. 

1 947, 4to, xvi and 1 66 pages fl. 20.- 

Published by Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten, Noordeindsplein 4a, Lelden 


















Hoe merkwaardig komt in dit gezicht tot uitdrukking dat de worsteling den engel geen moeite 
kost, een waarlijk onoverwinbare en zelfs beschermende tegenstander die zijn rechterknie drukt 
in de heup van Jacob. En deze geeft zich niet slechts berustend, maar in blijde verwondering verloren. 

G. Knuttel Wzn., Rembrandt, de Meester en zijn Werk, Amsterdam T 956 . 


1955-1956 


7954 


JAARBERICHT N° 14 

VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 

EX ORIENTE LUX 

KONINKLIJK GOEDGEKEURD 

GEVESTIGD TE LEIDEN OPGERICHT 22 MEI 1933 

ANNUAIRE DE LA SOCIÉTÉ EX ORIENTE LUX FONDÉE A LEYDE, N° 14 

Commissie van advies: Adres Redactie: Roodborststraat 16 , Leiden 

Prof. Dr F. M. Th. de Liagre Böhl, Prof. Dr A. de Buck Administratie: Noordeindsplein 4a, Leiden 


REDACTIONEEL GEDEELTE 

TER INLEIDING 

Veel belangrijker echter dan korte verslagen te le^en over wat geschreven is, is 
het dit %elf te letten, en nog oneindig veel waardevoller is het persoonlijk mee te doen 
aan het werk jjlf, al is het op nog julk een klein terrein 

Th. C. Vriezen 



Dit Jaarbericht, blz. 41. 




DE BELANGSTELLING VOOR HET OUDE NABIJE OOSTEN 

IN NEDERLAND 

Zie Frontispice 

Sinds het einde van de oorlog heeft Ex Oriente Lnx opnieuw zijn jaarvergaderingen 
kunnen houden; de leden verlenen dan het bestuur, zij het dikwijls met gerechtvaardigde 
critiek, décharge van het gevoerde beleid in het algemeen, en van het beheer der gelden bij¬ 
zonderlijk den penningmeester. Maar één last blijft, die niet weg te nemen is, de last vervat in 
de opdracht door de leden aan het bestuur gegeven, en die vooral in het afgelopen jaar zwaar¬ 
der is geworden, en voor de toekomst nog zwaarder schijnt te zullen worden, namelijk, die 
van de houding aan te nemen in de geestesstrijd, die de confrontatie van Oost en West 
medebrengt. 

Ons genootschap is er een met een geschiedkundig karakter, en dat door het praedicaat 
Vooraziatisch-Egyptisch, die het zich heeft toegevoegd, belangstelling vraagt en zoekt op 
te wekken voor een gedeelte van het werelddeel dat Azië heet. Sinds het verschijnen van het 
vorige Jaarbericht is nu toch in het bijzonder aandacht gevraagd in de eerste plaats voor een 
algemeen historisch probleem — het maken van geschiedenis en het verbergen van de waarheid 
bij dat geschiedenis maken —, en in de tweede plaats een speciaal probleem , — de onderlinge 
betrekking van Europa en Azië in de geschiedschrijving • 

Daar dit Jaarbericht geheel gewijd is aan het Oude Testament, komt hier als derde 
punt nog bij, onze verhouding van uit geschiedkundig oogpunt tot dat Bijbelgedeelte. 

De negentiende en twintigste eeuwen onzer jaartelling heeft een ongekende bloei van de 
historie gekenmerkt; ik spreek met opzet niet van de geschiedschrijving, die met historie bijna 
gelijke tred heeft gehouden. Ik neem toch historie in de betekenis die de Vader der geschie¬ 
denis in zijn inleiding tot zijn Muzen er aan gaf, namelijk die van onderzoek, en wel een 
onderzoek ingesteld om een bepaalde vraag te beantwoorden. Herodotus stelde zich de 
vraag — begrijpelijk voor een die woonde op het grensgebied van deze twee werelddelen en 
beschavingen —, waarom en hoe het tot het conflict tussen Azië en Europa was gekomen, dat 
wij gewoon zijn de Perzische oorlogen te noemen. In aansluiting daaraan geeft de Onder¬ 
zoeker 5 naar de oorzaken van het conflict het verloop daarvan bovendien. 

Zo stelt ook de negentiende eeuw haar vraag, wanneer met de Franse revolutie het ab¬ 
solute koningschap gebaseerd op goddelijke roeping aan het wankelen is gebracht en de c Koning 
van Frankrijk en Navarra 0 is vervangen door een c Koning der Fransen 0 , wanneer dus de 
volkssouvereiniteit is geproclameerd. Het onderzoek dat men gaat instellen is: hoe is het zover 
kunnen komen dat dat goddelijke koningschap met zijn absolute rechten over dood en leven 
van de onderdanen toestanden heeft kunnen in ’t leven roepen, die als reactie uitbarstingen 
meebrachten die wij in de jaren 1789-1800 in Frankrijk zien. 

Men beschouwt als één der oorzaken dat er geen openbare verantwoording over het ge¬ 
voerde en te voeren beleid was afgelegd; men heeft het gevoel dat de gegevens voor zulk 
een verantwoording het nageslacht zijn onthouden, dat er onrecht is gepleegd, en dat er velen 
zijn die wachten op een nieuw oordeel voor het forum der geschiedenis, waardoor aan de 
waarheid en aan de slachtoffers recht zal worden gedaan. 

Ik meen dat vanuit deze gedachtengang moet worden bezien dat kenmerk der negentiende- 
eeuwse historici, dat men hun zucht tot bronnenpublicatie noemt. Niet een drift tot synthese 
drijft hen voort, maar het verlangen archieven open te leggen en het publiceren van onbekende 
gegevens. Welke omvang deze publicaties hebben aangenomen, daarvan zal een bezoek aan 
een willekeurige leeskamer voor geschiedenis een bezoeker gemakkelijk overtuigen. 

Verder constateert men na de periode der romantiek een complementaire factor, en wel 
een reactie tegen de geschiedschrijving van voordien. Tot dan toe had de vorst het middel¬ 
punt van de geschiedschrijving ingenomen, hetzij deze gepleegd werd door een historiographus 




DE BELANGSTELLING VOOR HET OUDE NABIJE OOSTEN 


3 


regis, hetzij door een, die in een minder nauwe betrekking tot hem stond.Maar evenzeer als 
de souvereiniteit van de koning plaats had moeten maken voor die van het volk, evenzeer 
werd de aandacht die tot nu toe de daden van de koning hadden gevraagd gericht op leven en 
werken van het volk zelf, bijvoorbeeld op het geestelijk en godsdienstig leven. De gods¬ 
dienstgeschiedenis en de vergelijkende studie der godsdiensten doen hun intrede; men werpt 
zich op de geschiedenis van de exacte wetenschappen en op de geestelijke achtergrond van 
hen die daar een eerste plaats innemen; de geschiedenis van de sociale en economische ver¬ 
houdingen gaat meer en meer de aandacht vragen. Wanneer wij nu een nieuw geschreven ge¬ 
schiedenisboek opslaan, dan hangt ons oordeel over de waarde van zulk een werk mede er 
vanaf of aan al die facetten en factoren de hun toekomende plaats is ingeruimd. 

Geschiedenis en geschiedenisbeoefening zijn niet een neutrale bezigheid, zij beiden ont¬ 
spruiten aan een geestelijke gesteldheid, en scheppen op hun beurt, of werken althans mede 
aan, een nieuwe of vernieuwde geestelijke houding. Het gaat niet om een reconstructie van 
het verleden om der wille van die reconstructie, maar tevens om andere factoren; een der be¬ 
langrijkste is die van iets te bewijzen. Een van die geestelijke stromingen in deze negentiende 
eeuw, ontstaan onder de c waarheid 3 -zoekers, is het historisch materialisme, in welke benaming 
zich paren de gedachte dat de stof de enige begin- en eindoorzaak is van alles wat bestaat, en 
in adjectivo de conclusie dat in de voorafgegane periode het verloop van de gebeurtenissen 
door die stof is bepaald en in de toekomst zal blijven worden bepaald. 

Een van de stellingen die in bovengenoemde kringen met nadruk werd naar voren ge¬ 
bracht luidt dat de wil en bezieling der massa sterker zouden zijn dan die van een leidende 
persoonlijkheid. Deze moest wijken voor de tendens en onderstroom van de tijd en was slechts 
een figuur, waaraan de omstandigheden vorm gaven en waarin zij zich openbaarden. Wanneer 
wij nu de afgelopen maanden hebben vernomen dat in die kringen waar het historisch 
materialisme tot een uitgangspunt van denken en werken is verheven, om welke reden of door 
welke omstandigheden dan ook een persoonlijk bewind is gevoerd, dat daartegen niemand 
bij machte of in de gelegenheid was zich te verzetten, en dat tot verheerlijking van deze ge¬ 
zagsdrager zijn omgeving evenzeer meewerkte als de persoon in kwestie zelve, dan kan de 
glimlach der ironie moeilijk van iemands gelaat wegblijven; maar meer dan het feit dat de 
natuur sterker bleek dan de leer schokt ons een begeleidende omstandigheid. Om zich te 
kunnen handhaven heeft deze sterke man, die behoorde tot de afstammelingen van hen die zich 
gestort hadden op het historisch onderzoek om het opdelven der waarheid, en wiens ideologie 
uit dat onderzoek mee was geboren, bewust meegewerkt tot het verborgen houden van feiten, 
tot het vals weergeven van gebeurtenissen en omstandigheden, in het kort, tot verraad aan de 
waarheid en aan de historie. 

Zeker, men zal verzachtende omstandigheden voor deze houding kunnen aanvoeren, en een 
ieder, ook de historicus, die naar zijn omgeving en naar zich zelf kijkt, zal zich op dergelijk 
gedrag kunnen betrappen. Ook wij geven niet aan het nageslacht door alle feiten zoals zij zich 
voordoen; verzachtende uitdrukkingen moeten dikwijls een floers van onduidelijkheid over 
een gebeurtenis spreiden; men zegt niet altijd alles, vooral niet zaken van minder belang, om 
een zaak van groter importantie te redden of een lid van de zwakkere kunne te redden; men 
noemt dit dan edelmoedig of gentleman-like, en een uiting van goede opvoeding; maar is op¬ 
voeding niet voor een groot gedeelte het leren beheersen en het leren verbergen van het waar¬ 
lijke ik? Hoe dan ook, het onthullen van deze geheimen heeft ieder beoefenaar van de ge¬ 
schiedenis, en wel zeer sterk die van de oosterse geschiedenis, waarin de rol van de alleen¬ 
heerser en de factor van diens verheerlijking zulk een grote rol spelen wel moeten treffen 
en hem zijn verantwoordelijkheid tegenover het milieu dat van zijn werk kennis neemt, doen 
beseffen. 

Het andere punt, dat ik naast het voorgaande noemde, is een vraag die complementair 
hierop is, namelijk de van ouds bekende naar de verhouding tussen Europa en Azië. Dit pro¬ 
bleem gaat in deze jaren van wereldorganisaties hoe langer hoe meer de aandacht trekken, wat 






4 


DE BELANGSTELLING VOOR HET OUDE NABIJE OOSTEN 


zich uit in felle debatten en niet minder felle verwijten, soms ook in het elkaar niet begrijpen. 
Een van de idealen levend in de kringen der historici is de geschiedenis te c deëuropiseren°, 
waarmede dan bedoeld wordt de geschiedenis der wereld niet van uit de Europese hoek te 
bezien. Men ziet dit dan als een voortzetting van het proces dat nu achter de rug is, en dat een 
eind maakte aan het inslaan van titels zoals door Hofdijk aan zijn werken soms werd gegeven, 
bijvoorbeeld, enige bladen van Nederlands lauwerkrans. Dit verlangen leeft niet alleen bij 
niet-Europeanen, maar ook in kringen van „Westerse” geleerden. 

Laten wij zien in hoeverre dit mogelijk zou zijn en welke gevolgen dit meebrengt. 

Onder meer eisen deze onteuropiseerders der geschiedenis dat men niet meer van Oriënt 
zal spreken, en dat het genus — of is het, omdat het alle specialisten zijn, een species? — der 
oriëntalisten zou moeten verdwijnen. Oriënt toch zou duidelijk een plaatsbepaling inhouden 
en een benaming gemaakt van uit het Westen zijn; ook de naam van ons genootschap dat een 
hulde brengt aan dat Oosten zou dan misplaatst wezen. De bewoners van die landen, en de 
dragers van die verschillende beschavingen, waarmede contact vanuit dat Westen is gemaakt, 
vragen dan de naam van Aziaten op. Maar is de naam Asia die hier aan ten grondslag ligt 
niet gekomen uit diezelfde hoek van de wereld, waarin de plaatsbepaling Oriënt is ontstaan ten 
aanzien van het Westen? Bovendien is die voorkeur voor de naam Asia niet geheel duidelijk — 
het was toch oorspronkelijk slechts een beperkt gebied van het dusgenaamde werelddeel —; 
blijkbaar missen die voorvechters van de naam Aziaten de fierheid en aanleg tot karaktervolle 
verontwaardiging die onze landgenoten Friezen en Limburgers kenmerken, wanneer zij als 
Hollanders worden betiteld. 

Maar stel dat men dan mee wil gaan en uitsluitend van Azië en Asiologen zou willen 
spreken, zou men dan toch ook nog niet de verenging van het Westers denken op de ruime 
en de wijde conceptie van de Aziaat dwingend leggen? Want zodra men over Azië gaat spreken, 
doet men door de leer der tegenstellingen mee aan de wereld in onderdelen of continenten te 
verdelen. Is niet juist een der kenmerken van godsdiensten en ideologieën, in het bijzonder ook 
der oude beschavingen, dat zij een indeling der wereld niet kennen en het staatsbegrip, dat 
vanzelf een pluriformiteit insluit, niet bij hen leeft? Integendeel, de koning als vertegenwoor¬ 
diger of incarnatie van de wereldgodheid heeft mitsdien ook recht op de wereldheerschappij ; 
vreemdelingen en andere volken zijn vijanden Gods; hun vorsten zijn slechts vazallen of van 
de eigen heerser of van een god, voor wie alle koningen zich zullen buigen en nederknielen. 

Qui bene distinguit bene doe et. Juist het onderscheiden, het distinguere — let op, ik 
spreek niet van distinctie — is het kenmerk van de Europese, in casu van de oud-Griekse geest 
die onze erflater in deze is. Individualisme en nationalisme, het beschouwen van een partner 
als gelijkwaardige en niet eo ipso onderworpen aan zich zelf, is een westerse gedachtengang. 
Maar, hoe is het mogelijk, vraagt men zich af, dat volken die een eeuw later dan dat men in 
Europa zulks deed, uit het oogpunt van het nationalisme een onteuropisering van de geschie¬ 
denis vragen? 

Er is naast het probleem van de plaats ook een probleem van de tijd. Geschiedenis schrijven 
is bij de oudste schrijvers, Herodotus en nog meer bij Thucydides, een beperking van de tijd; 
de Perzische oorlog en de Peloponesische oorlog is hun beperking en hun distinctie; zij houden 
zich ieder aan hun gesteld onderwerp, isoleren de periode als een zelfstandigheid naast andere; 
over wat men niet zeker weet door kennis van bronnen of door het zelf beleven, wil men slechts 
vaag spreken; men laat het over aan dichters van cosmologieën of van metamorphosen. Ook 
hier weer een tegenstelling met het Oosten. Iedere gebeurtenis is daar een schakel in een 
groots geheel dat loopt vanaf den beginne tot aan het einde der wereld. Een onzer moderne 
geschiedschrijvers heeft gesproken van geschiedenis als onvoltooid verleden. Geen term 
kan treffender het Aziatische standpunt weergeven. Het verleden krijgt zin inzover het de toe¬ 
komst helpt voorbereiden en de weg baant tot de êcryaToc. 

Zodra dan ook het jonge Christendom dat een Aziatische bakermat heeft ook de geschied¬ 
schrijving gaat vernieuwen, wordt het kader der geschiedenis in deze zin verruimd. De 
jaartelling is niet meer die der Olympische spelen of de stichting der stad; ab origine mundi 


de belangstelling voor het oude nabije oosten 


5 


verhaalt men ’s mensen historie: de algemene geschiedenis als kistoria universaiis wordt ge¬ 
boren. Dit is een ontwikkeling die haar hoogtepunt en fijnste uitwerking vindt in het boekwerk 
dat Bossuet schreef voor de jonge prins van wie men dacht dat hij de opvolger op de Franse 
troon zou zijn. Maar juist vlak daarop baant zich de weg naar wat men nu de moderne ge¬ 
schiedschrijving noemt, dit wil zeggen, een die Bossuet's methoden vereuropiseerd heeft. 
Men gaat weer distinguere en onderdelen maken. Men voert de term voorgeschiedenis in. 
Want evenals recht moet steunen op geschreven wet en dan slechts recht zou zijn, zo moet 
geschiedenis steunen op geschreven bronnen. De geschiedenis zelf wordt op haar beurt weer 
opnieuw gesplitst, en de periodisering van de geschiedenis wordt een van de vraagstukken die 
de geschiedenis met de filosofie gaat verbinden 

Wat willen nu zij die heden ten dage de geschiedenis willen deëuropiseren; roepen zij: 
Retournons a Bossuet ? In zekere zin wel; niet in die zin dat zij Gods scheppingsdaad aan het 
begin van de geschiedenis zouden willen stellen, en af zouden willen sluiten met de komst 
des Heren, zoals de Franse bisschop deed; de geopolitiek is een van de begrippen die dit moet 
vervangen; het verlokkende bij deze tak van wetenschap is dat men meent met een telescoop 
het grote wereldgebeuren te kunnen waarnemen, men vergeet echter dat men met dit instru¬ 
ment hoogstens de helft van het waargenomen lichaam kan zien. Hij die werkelijk deze geschie¬ 
denis zou willen waarnemen en leren, heeft een plaats buiten de wereld in te nemen: hij die op 
moeder aarde, de alvoedende, leeft kan slechts uit een bepaalde hoek waarnemen en beschrij¬ 
ven: geschiedschrijving komt nu eenmaal voort uit de Grieks-Westerse hoek, en staat en valt 
met de distinctie in tegenstelling met de synthese: distinguere is nu eenmaal het eerste werk bij 
het splitsen, het onderzoeken, to tcjTopsïv. 

Historisch materialisme is dan ook een term die mede door zijn onzuivere formulering 
van de gedachteninhoud, een verwarring van ideeën en van betekenisontwikkeling geeft. Mate¬ 
rialisme dat inhoudt dat alles in de stof zijn begin- en eindoorzaak vindt is in zijn wezen een 
Aziatische opvatting; C schepping° en Eschatologie 0 ontmoeten elkaar weer, t<x &<; 

T<&7upcüTa; het adjectief historisch in dit cyclisch verband verhoogt slechts dit mysticisme, dat 
historisch onderzoek juist wil ophelderen. 

En dan de naam van ons genootschap; Ex Oriente Lux! Is die in deze gedachtengang niet 
verkeerd gekozen? Zeker, als men daar onder zou willen verstaan dat de bestudering van de 
oude beschavingen van het Oude Nabije Oosten mee moet brengen een verandering van uit¬ 
gangspunt bij het geschiedkundig onderzoek, de naam Ex Oriente Lux is integendeel gerecht¬ 
vaardigd omdat hij getuigt van een onderscheiden en erkennen dat in de eerste plaats met 
het daargevonden materiaal de geschiedenis van dat Oosten zelf bij dit licht kan worden ge¬ 
reconstrueerd, en dat in de tweede plaats dat licht over de wordingsgeschiedenis van de 
cultuur van ons Westen een verheldering brengt. 

In dit Jaarbericht N° 14 wordt op één van de onderdelen van de Oude Wereld de bij¬ 
zondere aandacht gericht, namelijk het Oude Testament in zijn verhoudingen tot heden en 
verleden, het zal met het komende N° 15 een afzonderlijk deel vormen, Deel v, waarin de 
taal- en letterkunde van de overige beschavingen van het Oude Nabije Oosten worden be¬ 
handeld. Zo zal dat deel een pendant vormen met N° 13, waarin de praehistorie en de archae- 
ologie in het middelpunt stonden. Dat het Oude Testament een afzonderlijke behandeling 
krijgt, ook groter in omvang dan de litteratuur der omringende volken, laat zich gemakkelijk 
rechtvaardigen. Egypte en Mesopotamië, Hethieten en Kanaaneeërs-Phoeniciërs stellen ons toch 
voor geheel andere problemen dan het onderhavige onderwerp. In geloof en denken, in 
letteren en beeldende kunst zijn de bindingen zo eng, dat zij een blijvend stempel op onze 
cultuur hebben gedrukt. Het begin van deze ontwikkeling dateert al van vóór de tijd van het 
Christendom. B. H. Stricker’s verhandeling De Brief van Aristeas, zo juist verschenen 
in de Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. 
Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel lxii, N° 4, heeft als ondertitel gekregen De Hellenistische 
codificaties der praehelleense godsdiensten. Hier vindt men de eerste confrontatie, uit een 
van de gedachteninhoud, een verwarring van ideën en van betekenisontwikkeling geeft. Mate- 






6 


DE BELANGSTELLING VOOR HET OUDE NABIJE OOSTEN 


geest van verzoening en begrijpen geboren, die in de tijd van het Romeinse Keizerrijk wordt 
voortgezet. Een meer scherpe vorm neemt deze ontmoeting aan in de geschriften van de 
Christelijke auteurs; de volgende faze is de houding van de kerstenheid tegenover de Islam 
— de volken van de volksverhuizing leveren geen nieuwe gezichtspunten in de discussie. Oor¬ 
sprong van taal, problemen uit de cosmologie, problemen uit de biologie vormen vanaf de 
vijftiende eeuw onderwerp van discussie, en scheppen soms nieuwe takken van wetenschap. 
Zo heeft de zoögeographie haar ontstaan te danken aan de theoloog Abraham van der Mijle, 
die in verband met de verruiming van het wereldbeeld in de zeventiende eeuw het probleem 
behandelde van de verspreiding van dier en plant na de zondvloed. Men zie hiervoor professor 
R. HooYKAAS , artikel The Zoogeograpky of Abraham van der Mijle in de Archives inter¬ 
nationals d’histoire des Sciences , 9e année, 1956, N° 35. 

Deze confrontatie ontaardt echter in de negentiende eeuw meer tot het elkaar de rug 
toekeren; men ontkent dan wederzijds het goed recht tot spreken. De verkiezing van Israël 
wordt ontkend, beloften van Gods wege worden tot propaganda-leuzen in moeilijke tijden 
ontstaan en als poging tot rechtvaardiging van anders laakbaar optreden verklaard; de gods¬ 
dienst van Israël wordt teruggebracht in een stramien voor het uitwerken naar een algemeen 
Oosters patroon, waar echter plaats in blijft voor détails van eigen karakter. De waarde, in¬ 
zonderheid van de Tora, als historische bron wordt ontkend; geestelijke stichting kan men 
in bepaalde gedeelten vinden, maar evenzeer in Babylonische psalmen en Egyptische doden¬ 
boeken. Israël moest teruggebracht worden tot wat het was, te weten een kleine staat en groep 
in het eerste millennium van vóór onze jaartelling. De litteratuur heeft alleen een incidentele 
betekenis en nog alleen waarde tot opbouw van de geschiedenis en tot esthetisch genot. 

Maar niet alleen tegen die critiek van Westerse historici had het O.T. zich te verdedigen; 
ook van de kant van bewonderaars van kunst en levensleer uit andere Oriëntaalse gebieden 
kwamen aanvallen. Het Indische schiereiland met Hindoeïsme en Boeddhisme, het grote gebied 
van China met zijn oude leringen en levenswijsheid genoten soms de voorkeur van hen die 
Israël en het Westen verwierpen en die zich toch tot troosting een metaphysica wilden schep¬ 
pen. Wij willen ons tot een recent sprekend voorbeeld beperken. Begin juni jongstleden, kwam 
dit zeer scherp tot uiting te Parijs, waar aan de Sorbonne de heer Georges Vaillin een proef¬ 
schrift verdedigde, Etre et individualité ; Spinoza, Hegel, Kant verdienen algemene ver¬ 
oordeling, Plato, Plotinus en Meester Eckhart kunnen zich, zij het slechts zwakjes, 
handhaven; de westerse metaphysica loopt dood, men zal moeten terugkeren tot de Vedanta 
en tot Shankara, de hindoe-filosoof uit de negende eeuw. In een filosofie en metaphysica, 
waarbij de mens in het Wezen terugzinkt, is geen plaats voor wat geschiedde en voor his¬ 
torisch onderzoek. 

Tegen al deze tendensen en bedoelingen bleef het Oude Testament en bleven vele van 
de daar naar voren gebrachte concepties zich handhaven. Eén van de staten na de oorlog ont¬ 
staan baseert zijn bestaansrecht op de daarin gedane beloften; de godsdienstwetenschap dient 
niet meer altijd om de godsdienstige opvattingen van het Oude Testament afhankelijk van 
andere te verklaren, maar belicht steeds meer het eigen karakter; men zie hiervoor het artikel 
van professor Rijckmans over Arabië en het Oude Testament; dat specifieke wordt op zijn 
beurt weer gemaakt tot een eigen wetenschap, de Oudtestamentische theologie. Het luisteren 
naar woord, gebod en belofte wordt als typerend bestanddeel opgegeven. Met resultaten van 
andere takken van wetenschap wordt niet uit inschikkelijkheid, maar uit gehoorzaamheid aan 
Gods gebod rekening gehouden. Een boek als De duur der schepping en van de geschiedenis 
der wereld van Ds Menken (Aalten, 1956), waarin een schepping in zes etmalen aan het begin 
van het jaar 4000 v. Chr. het uitgangspunt is, staat geïsoleerd. Soms wordt het probleem ook 
verkeerd gesteld, waardoor men de zaak zelf kwaad doet, zo, wanneer men een revanche-kreet 
tot titel maakt, zoals gedaan is in het journalistieke werk De Bijbel heeft toch gelijk. 

Het succes van laatstgenoemd boek is mede te verklaren uit het gevoel van opluchting 
die het strijdensmoeden suggereert. Men kan dan na lezing van het overwinningsbericht het 
probleem ter zijde schuiven. Daarmee is het echter niet opgelost; iedere generatie zal in deze 


de belangstelling voor het oude nabije oosten 


7 


confrontatie haar plaats moeten innemen en op haar beurt de strijd van Jacob moeten strijden, 
die hij met de Engel Gods streed. Wie dit aandurft zal uit deze worsteling getekend komen, 
maar dit als een zegen waarderen. Het is niet een spectaculaire strijd, men zou het een vreed¬ 
zame kunnen noemen. Dit heeft ook Rembrandt gevoeld, die men dit jaar de beste leke- 
prediker heeft genoemd, toen hij het schilderij schilderde waarvan wij een afbeelding op de 
frontispice geven (Frontispice). Het persoonlijk meedoen aan het werk zelf, waarover in het 
woord Ter Inleiding sprake is, is ook een onderdeel van deze strijd. 

Wij willen niet eindigen zonder een woord van dank namens het Bestuur en alle aan¬ 
geslotenen van Ex Oriente Lux te richten tot de professoren Vriezen en van der Ploeg, die 
wij nu twee jaar geleden assistentie vroegen bij het samenstellen van dit nummer, en ook aan 
hun medewerkers voor de vele moeiten en opofferingen van tijd en anderzins, die zij zich 
getroost hebben. Velen, die zich nog de bijdragen van professor I. L. Seeligmann, nu te 
Jeruzalem, uit vroegere Jaarberichten herinneren, zullen betreuren dat hij door bijzondere 
omstandigheden, zijn toezegging tot medewerken aan dit arsenaal ter confrontatie niet heeft 
kunnen verwerkelijken. 

Leiden, juli 1956 B. A. van Proosdij 

NOG IETS OVER DE JERUZALEMVAARDERS 
zie Plaat I 

In Jaarbericht n° 12 dat gewijd was aan de verbindingen tussen de Nederlanden en de 
Levant gaf ik een overzicht van enige gegevens over de zg. Jeruzalemvaarders (blz. 123 vlgg.). 
Het bleek een bij velen vergeten hoofdstuk van onze cultuurgeschiedenis te zijn, ook in 
kringen waarvan men anders had kunnen verwachten. Hoe vreemd velen tegenover dit 
onderwerp staan, bleek nog uit de Inleiding die werd geschreven op de Catalogus , van de 
mooie tentoonstelling ter herdenking van Jan van Scorel, verleden jaar in het Centraal 
Museum te Utrecht gehouden. De schrijver zegt daar op blz. 12, nadat hij Scorels verblijf 
in Obervellach heeft beschreven: „Dan gaat het verder naar Venetië en vandaar ... niet naar 
Rome, doch naar Jerusalem”. De ..., door de auteur geplaatst achter Vandaar 5 , drukken zijn 
bevreemding uit: evenwel een reis naar Rome ging niet over Venetië; maar naar het Heilige 
Land gaat de route over deze plaats. Op deze reis gaat ook het beroemde middenstuk van 
het „drieluik der familie van Lochorst” terug, op de achtergrond waarvan men de stad Jeruza¬ 
lem ziet geschilderd. 

In hetzelfde gebouw waarin het Museum dit kostbare schilderij bewaart, is ook als eigen¬ 
dom van het Aartsbisschoppelijk Museum een ander zeldzaam document uit dezelfde jaren 
(Inv. 104), nl. de krypt van de geboortekerk te Bethlehem, geflankeerd door de portretten 
van de Amsterdamse Jeruzalemvaarders „broeder . wouter . van . hoogestey(n) . jan . bensinck . 
jacop . heyn . en . meynert. willems”, die in 1519, dus een jaar vóór Jan van Scorel, de reis 
ondernamen. Verschillende pogingen zijn gedaan de schilder te identificeren (zie Catalogus 
1948, blz. 116); deze waren gebaseerd op kunsthistorische gegevens. Het parallel met de 
Jeruzalem-afbedding op het drieluik zou er echter op wijzen dat men van de schilder moet 
aannemen dat hij tot dezelfde kring als zijn opdrachtgevers behoorde. 

Hetzelfde jaar, nl. 1521, valt de reis van Cornelis van Horn en van Anthonis Taets van 
Ameronghen, kanunniken van de Dom van Utrecht. Deze droegen Anthonis Mor (1519- 
1 576(7) op in 1544 hen met de palmtakken te portretteren: als goed leerling van van Scorel 
deed hij zulks in de stijl van zijn meester maar met uiting van eigen talent (zie L. C. J. 
Frerichs, Antonio Moro . Palet Serie, Amsterdam, z.j., blz. 4). Voor de personage zie dit 
Jrb. n° 12, blz. 126 onder Utrecht genoemde studie van Dr van Campen. 

Intussen heeft in een supplementband de Katholieke Encyclopaedie een vox Jerusalem- 
vaarders opgenomen. Het onderwerp verdient echter meer dan dat, en eerst een monografie 
gebaseerd op nieuw archief-onderzoek zal een lacune in de cultuurgeschiedenis van ons land 
aanvullen. 

Leiden, 9 augustus 1956 


B. A. van Proosdij 







JACOB MUYSER 

(1896-1956) 

MAN TUSSEN TWEE WERELDEN 


Een geregeld bezoeker der bibliotheek van het koptische museum te Kairo was een 
rijzige man, met een donkere baard. Hij droeg een zwarte toog en de hoofdbedekking der 
koptische geestelijken. Zijn werklust was ongelooflijk. Hij hoorde of zag niets, wanneer hij 
bezig was met de studie. En het was hem zelfs te veel om te gaan eten, zolang de bibliotheek 
open was. Maar in zijn diepe zakken waren altijd genoeg apennootjes, soeddni, aanwezig. Toch 
woonde hij niet in de stad of haar onmiddellijke nabijheid. Zijn standplaats, Faqoes, was eerder 
afgelegen en nogal moeilijk bereikbaar, tenminste naar westerse begrippen. Het aantal parochi¬ 
anen was klein, maar hij was overal zeer gezien en bemind, ook bij de orthodoxe kopten. Toen 
hij dan ook op 8 juli 1945 tot higoemenos of, zoals zijn mensen zeggen, kommos werd gewijd 
in zijn eigen kerk, kende hun vreugde geen grenzen. Want hoewel hij toen reeds bijna vijf en 
twintig jaar koptisch geestelijke was en al dien tijd pastoor in Faqoes, werd hij toen door de zal¬ 
ving van bisschop Morqos Choezam opgenomen in de hiërarchie der katholieke koptische kerk. 

Bijna zestig jaar oud is deze stille geleerde, op 16 april 1956, gestorven te Rome. Er 
heerste verslagenheid bij al degenen, die hem kenden en nog zoveel van hem verwachtten. 
Dat waren natuurlijk op de eerste plaats zijn parochianen, die hem op handen droegen, maar 
ook alles wat kopt was in Egypte of bevriend met de kopten: de herdenkingsdienst in Kairo, 
op 20 april, werd bijgewoond door vele orthodoxe en katholieke koptische bisschoppen van het 
land, maar ook door verschillende latijnse bisschoppen, de mensen van het koptische museum 
en van het Institut d’Egyptc, en nog veel meer. Hier waren de meest uiteenlopende personen 
bijeen gekomen om een groot nederlander te herdenken. 

Want Jacob Louis Lambert Muyser, op 9 mei 1896 te Den Haag geboren, was een der 
onzen. En al was hij kopt met de kopten geworden, de liefde voor zijn oud vaderland is hem 
steeds bijgebleven. Het heeft hem dan ook zeer bedroefd, dat hij nooit een bedankje gekregen 
heeft voor enkele van zijn publicaties, die hij als hulde aan de hoogste nederlandse instanties 
had gestuurd. Deze man, die wegens zwakke gezondheid geweigerd was bij de Witte Paters 
van Lavigerie, had als ideaal in Afrika te werken en zo kwam hij, via de Sociëteit der Afri¬ 
kaanse Missiën (in Nederland Cadier en Keer geheten), terecht in Egypte. Hij had te Frei- 
burg in Zwitserland theologie en egyptologie gestudeerd, deze laatste bij Eugène Dévaud. 
Daarbij ging zijn belangstelling vooral uit naar het koptisch. Hij sprak deze taal echter niet, 
hoewel hij er plezier in had, enkele beleefdheidsformules ervan te gebruiken. Want zelfs in 
de kerk is het koptisch praktisch een dode taal en worden de diensten vrijwel geheel in het 
arabisch gedaan. Verschillende van Muyser’s publicaties zijn dan ook verschenen in deze 
taal, die hij wonderbaarlijk beheerste. Zo schreef hij erin over Champollion en de ontcijfering 
der hiërogliefen, maar vooral over liturgische aansporingen in de koptische officies. Daar¬ 
naast deed hij wat hij kon, om het gebruik der koptische taal in ere te herstellen bij de liturgie. 
Behalve arabische gaf hij koptische teksten uit, sommige ook in nederlandse vertaling 1 ). 


D Vergelijk JEOL I, 189. Daar is toegezegd, dat 
een lijst van zijn geschriften in de Cahiers Coptes, 
Kairo, zal verschijnen, is deze hier niet opgenomen. 
Slechts vermeld zij de anoniem verschenen bijdrage 
Jean Frangois Champollion. Pionier der Egyptologie 
(1790-1832), Afrikaansch Missieklokj e, Cadier en 
Keer 7 (1932), 102-106 en 132-134, met 3 ill. 

Reeds verschenen de volgende necrologieën: Jean 
Kabis, De higoemenos Jacob Muyser, 1896-1956, 
[Kairo, 1956], 10 blz. met portret (in het arabisch; 
overdruk uit de Sadiq al-Kahin) en anoniem, Ser- 
vizio Jnformazioni Chiesa Oriëntale, anno 11, n° 4 
(= n° 188), Citta del Vaticano, 1956, 15. Zie nu 
ook Sylvestre Chauleur, Monseigneur Jacob Muy¬ 


ser, Les Cahiers Coptes, Le Caire 1956, n° 10, 3-4, 
of In memoriam Pater Muyser, De Roepstem uit 
het Oosten, Boxtel, Juli 1956 (an.), en In Memo¬ 
riam J. Muyser S.M.A., Pokrof, Voorburg 3 
(1956), 42-43, met foto (P. Zacharias). Een 

foto van de overledene op zijn doodsbed is te 
vinden in De Katholieke Illustratie, Haarlem, 90 e jaar¬ 
gang, N° 19 (12 mei 1956), 14. Schrijver is grote 
dank verschuldigd aan professor J. Simon, te Rome, 
die zo vriendelijk was hem op verschillende punten 
in te lichten. Zijn dank gaat ook uit naar Mr Dr 
A. van Praag, Den Haag en Mr H. A. J. C. 
Muyser, te Heemstede. 


JACOB MUYSER 


9 


Muyser was een man, die vele tegenstellingen wist te verenigen: ofschoon europeaan 
werd hij de gelijke der fellachin, in latijnse ritus opgevoed ontwikkelde hij zich tot de intellec¬ 
tuele leider van het herstel van het koptisch in de liturgie van Egypte, als eersterangs kenner 
der koptische letterkunde (vooral der in het arabisch geschreven teksten) was hij pastoor in 
een onbetekenende parochie, en terwijl hij een man van studie was, stond hij volop in het aktieve 
leven van zijn kerk. Oost en west, verleden en heden waren in hem tot een eenheid geworden. 

Leiden, Pinksteren 1956 Jozef M. A. Janssen 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN PROF. Dr A. H. EDELKOORT 

GEBOREN 5 APRIL 1890 TE UTRECHT, OVERLEDEN 28 MEI 1956 TE UTRECHT 

BETREKKING HEBBENDE OP HET OUDE NABURIGE OOSTEN 
DOOR DR D. J. HOENS 

1 — Het zondebesef in de Babylonische boetepsalmen, 

Proefschrift Utrecht, 1918. 

2 — Ti dm at. 

Nieuwe Theologische Studiën 3, 1920, pp. 249-256. 

3 — Monotheïsme in Assyrië? 

Nieuw Theologisch Tijdschrift 1, 1921, pp. 36-45. 

4 — Kritische opmerkingen over de mythe van Istar’s tocht naar de onderwereld, 

Nieuw Theologisch Tijdschrift 2, 1922, pp. 142-168. 

5 — Uittocht en intocht, Een Geschiedenis van het volk Israël van den uittocht uit Eg ypte 

tot de vestiging in Kan aan. 

Utrecht, 1924. 

6 — De voorstellingen omtrent dood en doodenrijk in het Gilgames epos. 

Nieuwe Theologische Studiën 8, 1925, pp. 161-168. 

7 — Genesis 14, 

Nieuwe Theologische Studiën 9, 1926, pp. 193 w. 

8 — De aartsvaders in den Amarnahtijd? 

Nieuwe Theologische Studiën 9, 1926, pp. 225-232. 

9 — Numeri in: Tekst en Uitleg, 

Groningen, 1930. 

10 — Joz m en Richt er en (naar aanleiding van J. Garstan g , Joshua, Judges), 

Nieuwe Theologische Studiën, 15, 1932, pp. 174-191. 

11 — Neem en lees. Een handleiding tot het lezen der Heilige Schrift, 

Rotterdam, 1936. 

12 — Over Israëls Intocht in Kanadn, 

Nieuwe Theologische Studiën, 19, 1936, pp. 161-171. 

13 — Nahum , Habakuk , Zefanja, Drie profeten van onzen tijd, 

Amsterdam, 1937. 

14 — Het homiletisch gebruik van het Oude Testament, 

Nieuwe Theologische Studiën, 20, 1937, pp. 194-210. 

15 — De opgravingen in Palestina en de tijd van Israëls koningen. 

Nieuwe Theologische Studiën, 21, 1938, pp. 234-250. 

16 — De motieven van den strijd tegen het f odendom, 

Vox Theologica, 9, 1938, pp. 97-104. 







IO 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN PROF. Dr. A. H. EDELKOORT 


17—Het protevangelium (Gen. 3: 15). 

Nieuwe Theologische Studiën, 23, 1940, pp. 4-16. 

18 — De Siloprofetie. 

Nieuwe Theologische Studiën, 23, 1940, pp. 260-276. 

19 — De prediking van het boek Daniël. 

Wageningen, 1940. 

20 — De Christusvers achting in het Oude Testament. 

Wageningen, 1941. 

21 — Stil tot God. De psalmen voor heden. 

Amsterdam, 1941. 

22 — Iets over Bijbelvertalen. 

Vox Theologica 13, 1942, pp. 55-64. 

23 — Psalm 110. 

Vox Theologica 15, 1944, pp. 86-90. 

24 — Karaktertrekken der Oudtestamentische religie. 

Amsterdam, 1945. 

25 — Het boek Job en het probleem van het lijden. 

Den Haag, 1946. 

26 — De profeet Zacharia. Een uitlegkundige studie. 

Baarn, 1946. 

27 — De profetie van Obadja. 

Nederlands Theologisch Tijdschrift, 1, 1947, pp. 276-293. 

28 — Micha , de profeet vol recht en heldenmoed. Boeken bij de Bijbel. 

Baarn, 1948. 

29 — De pioniers van het geloof. Het leven der Aartsvaders. 

Amsterdam, 1948. 

30 — Eenheid van Oud en Nieuw Testament , bijdrage in: Cultuurgeschiedenis van het 

Christendom , red. J. Waterink. 

Amsterdam-Brussel, 1948-1951; 1 pp. 1-56. 

31 — De handschriften van de Dode Zee. Boeken bij de Bijbel. 

Baarn, 1952. 

32 — Bijbel in de nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap met verklarende 

kanttekeningen. Onder redactie van J. H. Bavinck en A. H. Edelkoort. 

Baarn, 1952. 

33 — Handleiding bij het overwicht van de geschiedenis van Israël van Prof. B. R. Lawton. 

Toelichting op de kaart , voor Nederland bewerkt door Prof. Dr A. H. Edelkoort. 
Leiden, 1955. 

34 — De profeet Samuel. 

Baarn, 1955. 

35 — De Bijbel als boek , De Christusverwachting in het Oude Testament , alsmede de 

commentaar op de volgende boeken : Numeri , Richter en , Koningen , Kronieken , Jesaja , 
Nahum tot en met Meleachi. 

Bijdragen in „Commentaar op de Heilige Schrift” onder redactie van Dr J. A. vor 
der Hake e.a. Amsterdam, 1956. 


V OOR AZIATISCHE PHILOLOGIE 


HET OUDE TESTAMENT 

EN ZIJN BETREKKINGEN IN VERLEDEN EN HEDEN 

VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 

(1950-1954) 

ALGEMENE WERKEN EN BESCHOUWINGEN,* DE PENTATEUCH; 

DE PROFETEN; DE HAGIOGRAPHA ; OVERIGE GESCHRIFTEN 


AFKORTINGEN : 

BZAW — Beihefte zur Zeitschrift für die Alttest. 
Wissenschaft. 

HUCA — Hebrew Union College Annual 

JBL — Journal of Biblical Literature 

JQR — Jewish Quarterly Review 

RB — Revue Biblique 

ThR — Theologische Rundschau 


ThZ — Theologische Zeitschrift 

VT — Vetus Testamentum 

ZAW — Zeitschrift für die Alttestamentliche 
Wissenschaft 

iQ Is a — De eerste Jesaja-rol uit grot I van Chir- 
bet Qumran. 

iQ Is b — De tweede Jesaja-rol 
iQ pH — De Habakuk-commentaar (peser Habaq- 
quq). 


“In contrast to the large mesure of unity that prevailed a generation ago, there is today 
an almost bewildering diversity of view on many questions and it is necessary to speak of 
trends rather than of a single trend in our studies”. Met deze woorden karakteriseerde H. H. 
Rowley de stand van de Oudtestamentische wetenschap in het voorwoord van The Old Tes¬ 
tament and Modern Study (Oxford, 1951). Ook op dit moment kan het thema van een overzicht 
van de Oudtestamentische inleidingswetenschap sedert de verschijning van dit monumentale 
verzamelwerk geen ander zijn. Binnen het kader van het niet-confessioneel gebonden onder¬ 
zoek kan men bijna op geen enkel punt van een consensus tussen de geleerden spreken. Men 
bespeurt vaak wel een bijna instinctmatige af keer van Wellhausens litterair-critische methode, 
maar het positieve gehalte van deze negatieve instelling vertoont bij practisch elke geleerde weer 
geheel nieuwe beschouwingen. Derhalve wordt er veel wetenschappelijke moed en speurzin 
verwacht van degene, die zich een weg wil banen door deze verscheidenheid van meningen. 

Als men wil afzien van bepaalde individuele verschillen, die zich binnen het kader van 
een zekere stroming voordoen, zijn het voornamelijk drie richtingen van onderzoek, die men 
op het moment voor het terrein der Oudtestamentische inleidingswetenschap vermag aan te 
wijzen: de litteraire critiek met haar bronnensplitsing (de methode van Wellhausen), de 
formgeschichtliche school met haar vraag naar de Sits im Leb en (de methode van Gunkel) 
en de traditionsgesckichtliche school met haar nadruk op de mondelinge overlevering (de 
methode van Nyberg en Engnell). Daarnaast moet men de meer behoudende Rooms- 
Katholieke en uiterst-rechts-Protestantse inleidingswetenschap stellen, die voor zich een steeds 
grotere plaats opeisen, maar uiteraard slechts een zeer bepaalde (R.K.) of bijna geen (r.-Pr.) 
invloed ondergaan van de drie zoëven genoemde stromingen. 

Omdat vele geleerden zich slechts ten dele laten onderbrengen bij één van deze richtingen, 
moet de indeling van dit artikel neutraler worden gehouden. In het volgende stellen wij ons 
voor eerst een overzicht te bieden van de litteratuur, die in het algemeen betrekking heeft op 








12 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


ons onderwerp, terwijl daarna kan worden overgegaan tot de inleidingswetenschap ten aanzien 
van de Pentateuch, de Profeten en de Hagiographa. In het algemeen baseren wij ons daar¬ 
bij op Rowley’s handboek. 

Algemene werken en beschouwingen. 

Ons overzicht moet beginnen met de vermelding van de tweede, door enige toevoegingen 
nog verrijkte druk van het magistrale werk van A. Bentzen : Introduction to the Old Testa¬ 
ment (Copenhague, 1952; eerste druk 1948/1949). Nog afgezien van de andere studies, 
die van zijn hand verschenen, kan ons reeds deze inleiding tonen, welk een groot geleerde wij 
in hem moeten missen. Bentzen was de aangewezen persoon om te bemiddelen tussen de 
Scandinaviërs (die sedert de tweede wereldoorlog meer en meer hun invloed hebben laten 
gelden) en de over het algemeen meer conservatieve Amerikaans-Westeuropese Oudtesta¬ 
mentische wetenschap. Zo ziet men b.v. Bentzen wel de mening volgen, dat wij bij de 
psalmen met cultus-liederen hebben te doen, maar aan de andere kant voelt hij zich ook nauw 
gebonden aan de oudere litteraire critiek, zodat hij b.v. aarzelend Noths beschouwingen 
over de Tetrateuch volgt: niettemin geeft hij toe, dat er in Gen-Num. niet van een D-redactie 
sprake kan zijn, maar hoogstens van een “deuteronomistic work upon some sections”. Bij¬ 
zonder waardevol in deze inleiding is de uitgebreide bespreking van kanon, tekst en literatuur¬ 
vormen in het eerste deel, dat nu (in tegenstelling met de eerste druk) met het tweede in één 
band gebonden werd. Wat de literatuurvormen betreft, acht B. Gunkels formgeschichtliche 
arbeid een verrijking en aanvulling, maar geenzins een aanvaardbare vervanging van de litte- 
rair-critische methode. Gunkel heeft veeleer naast de geschiedenis van de litteratuur een 
geschiedenis van de litteratuur? vormen geboden, doordat wij nu naast het traditionele onder¬ 
zoek naar de bronnen onze studie verrijkt hebben met een critiek van stijl en materiaal en 
ook de vraag naar de Sitz im Leb en hebben leren stellen. 

Eveneens van de hand van Bentzen verscheen een prijzenswaardig artikel over de 
Scandinavische Literatur zum Alten Testament 1939-1948 (ThR N.F. XVII, 1948/9, 272-328), 
waarin een bespreking van de zgn. Uppsala-school een niet onbelangrijke plaats inneemt. 
Daarbij wijst B. als voorlopers van deze nieuwste stroming in de Oudtestamentische weten¬ 
schap aan: Johannes Pedersen met diens beroemde werk: Israël, lts Life and Culture I-IV, 
Sigmund Mowinckel met diens Psalmenstudien, H. S. Nyberg met zijn Studiën zum Hosea- 
buche (1935) en de westerse Myth and Ritual-School van Hooke, Blackman, Oesterley, 
Hocart, etc. Van deze laatsten nam men de gedachte van het wezenlijk uniforme cultische pat- 
tern der vooraziatische religies over. In deze religieuze grondstructuur acht men de rite primair 
te zijn en wordt de mythe als het integrerende element van deze rite verklaard; uit de rite ont¬ 
ving de mythe haar inhoud. In dit ritueel-mythische complex nu speelt de sacrale of goddelijke 
koning de centrale rol. Hoewel men telkens moet rekenen met desintegratie en democratise¬ 
ring, ligt ditzelfde pattern ook ten grondslag aan de israëlitische religie. 

Een tweede kenmerk van de Uppsala-school is de destijds door Andrew Lang geponeerde 
en door pater Wilhelm Schmidt verder ontwikkelde gedachte van de Hochgott. Söderblom 
paste deze gedachte in Das Werden des Götterglaubens toe en tekende de Hochgott als Kultur- 
heros en deus otiosus. De Uppsala-school houdt thans Hochgott en Kulturheros uit elkaar en 
definiëert de eerste als hemelgod (en zo verder als atmosferische en vruchtbaarheids-god). 

In de derde plaats kenmerkt men zich door het verzet tegen het evolutionisme van de oude 
godsdiensthistorische school. Men verwerpt niet de gedachte van ontwikkeling, maar wel het 
schema, waarbij de religie zich uit de magie via de stadia van manaïsme, animisme, polydae- 
monisme en polytheïsme tot een ethisch monotheïsme zou hebben ontwikkeld. 

Als vierde karakteristicum moeten wij nog de nadruk op de mondelinge traditie vermelden. 
In het voetspoor van Pedersen en Nyberg heeft Engnell betoogd, dat er in de mozaïsche 
boeken niet sprake kan zijn van parallel-doorlopende documenten (J, E, D en P), maar dat 
de varianten in de Pentateuch een typische trek van een mondelinge overlevering zijn. Het 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


13 


verschil in de Godsnamen wijst niet op een verschil van auteurs, maar één en dezelfde schrijver 
gebruikte Jahweh, als er sprake is van Israëls nationale God en Elohim, als hij meer een 
theologisch, abstract-cosmische betekenis bedoelt. De cultuscentralisatie is geen criterium voor 
datering, maar wijst alleen maar op een andere visie bij een bepaalde groep. Volgens E. hebben 
wij veeleer te doen met traditie kring en (Engnell onderscheidt er twee: P (= Genesis-Numeri) 
en D (= Deuteronomium-II Koningen)), die hun litteraire fixatie eerst na het exiel ontvingen. 

Hoezeer de Scandinaviërs op het moment de discussie beheersen, blijkt uit de talrijke 
reacties op hun thesen. Daarvan vallen te noemen het lof waardige artikel van C. R. North in 
The Old Testament and Modern Study, edit. by H. H. Rowley, Oxford 1951, p. 48-83 en de 
beschouwingen van G. W. Anderson ( Some Aspects of the Uppsala School of the Old 
Testament Study, Harvard Theological Review 43 (1950), p. 239-256) en H. H. Schrey 
(Die alttestamentliche Forschung der sog. Uppsala Schule ThZ vu (1951) p. 321-341). In 
alle drie de artikelen vindt men een beschrijving van de standpunten van de traditionsgeschicht- 
liche school, waartegen G. W. Anderson zich overigens ook in verschillende recensies scherp 
heeft verzet. 

Doch ook in Scandinavië zelf rees critiek, vooral van de zijde van J. Lindblom (Grund- 
ƒ ragen der alttestamentlichen Wissenschaft (Festschrift für Alfred Bertholet, p. 325-337)). 
Lindblom bestrijdt de methode om in de cultuur en de religie van Israël a priori een neerslag 
van de algemeen-vooraziatische religie te zien, „so dass der primare Erklarungsgrund einer 
alttestamentlichen Stelle den assyrisch-babylonischen und ugaritischen Texten zu entnehmen 
ist, wobei die innerisraelitischen Möglichkeiten zu freien, selbstandigen Schöpfungen grund- 
satzlich in den Hintergrund gedrangt werden. Man beginnt mit den Mustem und geht zum 
Alten Testament über, wahrend wohl das richtige Verfahren ware, von der Struktur der 
alttestamentlichen Religion auszugehen und dann das fremde Material für die Erklarung dessen 
auszunützen, was sich nicht in einfacher Weise erklaren lasst (329)”. Wat betreft de kwestie 
van de mondelinge traditie (die ons in het kader van dit artikel het meeste moet interesseren), 
heeft destijds J. van der Ploeg (Le röle de la tradition orale dans la transmission du texte 
de rancien Testament RB liv (1947), p. 5-41) de these van Nyberg, als zou de Oudtestamen¬ 
tische traditie vóór het exiel slechts voor een klein gedeelte schriftelijk zijn gefixeerd, radicaal 
weersproken. Lindblom wil nu een onderscheid zien gemaakt tussen volken, die het schrift 
kennen en volken, die met de schrijfkunst niet op de hoogte zijn. Voor de eerstgenoemden wil 
hij een spoedige litteraire fixatie aanvaarden, casu quo voor de Israëlitische litteratuur (333). 
L. vermag zich hierbij onder meer te beroepen op het werk van G. Widengren : Literary and 
Psychological Aspects of the Hebrew Proph'ets (Uppsala, 1948), waarin werd aangetoond, dat 
men zelfs in de Arabische traditie van de vóór- en vroeg-islamitische tijd de prioriteit moet 
geven aan de schriftelijke boven de mondelinge overlevering, die overigens beide naast elkaar 
hebben bestaan. 

Een uitstekend overzicht van de litteratuur over de mondelinge traditie en een onderzoek 
van de kwestie ( in het algemeen en speciaal betrokken op Israël) kan men vinden in het werk 
van E. Nielsen: Oral Tradition: a Modern Problem in Old Testament Introduction (London 

1954) 

L. Rost verzorgde de achtste druk van Sellins bekende Einleitung in das Alte Testament 
(Heidelberg/Leipzig, 1950). De nieuwe uitgave is slechts in zoverre gewijzigd, dat er een ge¬ 
deelte over de Gattungsforschung werd ingelast (5-15), terwijl men enige korte verwijzingen 
naar de jongste ontwikkeling in de inleidingsgeschiedenis zal kunnen aantreffen. Het werk 
volgt de orthodox-litteraire critiek, sluit zich aan bij S. Mowinckel, voorzover de cultische 
oorsprong van de psalmen wordt verdedigd, maar acht een vóór-exielisch Nieuwjaarsfeest op 
grond van de studie van Snaith voor Israël onwaarschijnlijk (150-151). In tegenstelling met 
Noth en Weiser, wiens Einleitung in das Alte Testament herdrukt werd (Göttingen, 
1949), verklaart Rost het ontstaan van de Pentateuch-bronnen niet in verband met de cultus. 

Een werk, dat eveneens voor studiedoeleinden is bedoeld, is de uitstekende gids, die 
H. H. Rowley de Oudtestamentische inleidingswetenschap verschafte in The Growth of the 






14 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


Old Testament (Hutchinson’s University Library, 1950). Het standpunt van de auteur is dat 
van de oudere litterair-critische generatie, maar Rowley heeft een open oog voor de nieuwste 
ontwikkelingen. Toch is het doel van de schrijver “throughout... not to present his own views, 
but to acquaint the reader with the present position of Old Testament scholarship on the time 
and manner of compilation of the books of the Old Testament” (10). 

Het posthuum verschenen werk van A. Lods ( Histoire de la littérature hébrdique et 
juïve des origines a la ruine de l’état juif (135 après J.-C.), Paris, 1950) wijdt weinig 
aandacht aan de nieuwste ontwikkeling van de critische wetenschap. Dit lijvige boek is ge¬ 
heel op Wellhausiaanse leest geschoeid en bevat — zoals de titel reeds aanduidt — niet alleen een 
overzicht van de canonieke litteratuur, maar evenzeer van de apocryphen, de pseudo-epigrafen 
en van geschriften als de Elefantine-papyri. A. Parrot geeft in de Addenda een overzicht van 
de jongste vondsten in de woestijn van Juda. Ook is de bibliografie door hem bijgewerkt. 
Bij de compositie van het werk valt op, dat de auteur de geschriften of gedeelten daarvan (dit 
geldt met name voor de Pentateuch) behandelt in de door hem gestelde chronologische volg¬ 
orde. Ondanks een uitgebreide inhoudsopgave wordt daarom aan de bruikbaarheid van het 
werk veel afbreuk gedaan door het gemis van een register. 

Het oude critische standpunt is verder in een voor de jongere generatie onaanvaardbare 
mate vertegenwoordigd in de in 1952 te London opnieuw gedrukte Introduction to the Old 
Testament van R. H. Pfeiffer. Een groot bezwaar van dit werk is aanstonds reeds, dat aan 
de nieuwste litteratuur nauwelijks aandacht wordt besteed. Als bijzondere kenmerken blijven 
ook in deze uitgave de gedachten van de auteur t.a.v. de Edomitische invloed op het Oude 
Testament (behalve in de laatste capita van Spreuken en het boek Job vooral in de zgn. S 
(eir)- bron, die gedeeltelijk Eissfeldts L ( aienquelle) vervangt), de priestelijke afkomst van 
de Elohist en de late datering van de psalmen, gehandhaafd. 

Hoe men op het standpunt van de oudere litteraire critiek met een open oog voor de 
nieuwste ontwikkelingen ook een minder extreem standpunt vermag in te nemen, tonen 
(behalve de genoemde werken van Rowley en Rost) Th. C. Vriezens Oud-israëlitische 
Geschriften en C. Kuhls Die Entstehung des Alten Testaments (respectievelijk: Den Haag 
1948 en Bern-München, 1953). De laatstgenoemde werken zijn primair voor studenten en 
belangstellende leken bedoeld. Toch gaat Vriezen, ondanks invloeden van b.v. Eissfeldt 
en Hempel te zeer zelfstandig te werk dan dat men dit boek zonder schade naast zich kan 
leggen. De niet-canonieke geschriften worden wel behandeld, maar op beperkte ruimte, zodat 
de inhoud van het werk substantieel weinig verschilt van die der andere inleidingen. Kuhl 
vertoont vooral invloeden van de jongste Pentateuch-critiek in Duitsland (Noth, Weiser, etc.), 
zodat hij P als „die Grundlage des Pentateuchs, in welche dann die anderen Quellen einge- 
arbeitet seind (62)” vóór J, E en D behandelt. In een Anhang wordt in kort bestek een over¬ 
zicht van de apocryphen gegeven (329-340). 

G. Ch. Aalders heeft vanuit kerkelijk-Gereformeerd standpunt een uitvoerige Oud-tes- 
tamentische Kanoniek (Kampen, 1952) het licht doen zien. A. gebruikt de term „kanoniek” 
in plaats van „inleiding” om tot uitdrukking te brengen, „dat de Heilige Schrift als Kanon, 
als Goddelijke autoritatieve regel voor geloof en handelen, voorwerp van onderzoek is” (7, 8). 
De schrijver betoogt, dat het onwaarachtig zou wezen de pretentie van volstrekte onbevooroor¬ 
deeldheid te voeren, terwijl die onbevooroordeeldheid in werkelijkheid niet aanwezig is en niet 
aanwezig kan zijn (9). Uitgaande van de aanvaarding, dat de Bijbel het onfeilbare woord van 
God is, stelt Aalders zich op het standpunt, dat de aanhalingen van Christus uit Wet en 
profeten criteria zijn voor de litteraire beschouwingen over de boeken van het Oude Testa¬ 
ment : „Wij kunnen niet anders geloven dan dat, voor zover Hij over dergelijke vraagstukken, 
zij het ook slechts terloops, iets heeft uitgesproken, dat waarachtig en zonder dwaling is en 
voor ons niet minder bindend dan wat Hij omtrent den weg des heils en de komst van het 
koninkrijk Gods heeft gepredikt” (12) : immers: „alle gegevens der Heilige Schrift zijn gelijk¬ 
waardig” (11). Een Deutero-Jesaja en een Deutero-Zacharia worden dan ook ontkend. Het 
boek Daniël is niet uit de Maccabeën-tijd en voor de laatste capita wordt de gedachte van een 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 15 

vaticinium ex eventu beslist afgewezen. Prediker is niet van Salomo, maar door de aandui¬ 
dingen in I, i en I, 12 (waar A. vertaalt: ik ben koning geweest) moet worden aangenomen „dat 
de schrijver zijn woorden heeft willen leggen in de mond van Salomo, maar daarbij uitdrukkelijk 
heeft willen waken voor de misvatting, dat Salomo werkelijk de auteur zou zijn” (345). 

Ongetwijfeld zullen velen ernstig bezwaar hebben tegen de methode en resultaten van dit 
werk. Niettemin kan men zich er over verheugen, dat het rechts-Protestantse standpunt hier 
zulk een uitvoerige formulering heeft gevonden, al verschilt de geest, vanwaaruit dit boek 
geschreven werd, toch wel bijzonder van die der ook door critisch ingestelde theologen zo zeer 
gewaardeerde werken van H. Ridderbos ( De komst van het Koninkrijk en: Jezus en Paulus). 
Niettemin gaat het conservatieve standpunt van Aalders niet gepaard met een negatie van de 
niet-confessioneel gebonden wetenschap, terwijl men met grote waardering zal staan tegenover 
de belezenheid van de auteur. 

Evenals Aalders is ook E. J. Young in diens An Introduction to the Old Testament 
(Grand Rapids, 1949) waardig in zijn critiek ten opzichte van andere meningen. Ook dit werk 
is van de hand van een extreem-conservatief geleerde, beleefde evenwel in 1953 reeds een 
vierde druk. Y. acht de Pentateuch essentieel van mozaïsche oorsprong te zijn. Hetzelfde geldt 
ten aanzien van Jozua voor de gelijknamige opvolger van Mozes. Ook door Y. worden de 
theorieën over Deutero-Jesaja en Deutero-Zacharia van de hand gewezen, maar Qohelet wordt, 
evenals bij Aalders, toegeschreven aan een na-exielische auteur. 

In tegenstelling met deze twee werken vertoont de Rooms-Katholieke inleidingslitteratuur 
een veel grotere, hoewel behoedzame, genegenheid de resultaten van de niet-confessioneel 
gebonden wetenschap op te nemen. Men bemerkt dit aan de werken van Coppens ( vide infra ) 
en aan de korte inleiding van F. L. Moriarty: Foreword to the Old Testament Books 
(Weston, Mass. 1954): J, E, D en P worden als bronnen voor de Pentateuch aanvaard, ter¬ 
wijl er ook plaats is voor Deutero- en Trito-Jesaja. Een andere inleiding verscheen van de 
hand van A. Gil Ulecia: Introducción General a la Sagrada Biblia (Madrid, 1950), die even¬ 
eens voor universitair en seminair onderwijs is bedoeld. 

In kort bestek geven de werken van T. H. Robinson: The Old Testament. A conspectus 
(London, 1953) en H. St. J. Hart: A Foreword to the Old Testament: an Essay of Ele- 
mentary Introduction (London, 1951) een overzicht van de inleidingskwesties. Ook valt nog 
het overigens bijzonder aanvechtbare en min of meer ongeordende boek van C. H. Brannon : 
An Introduction to the Bible (Raleigh, N. C., 1950) te noemen. 

Ten slotte verdienen vermelding een aantal niet onbelangrijke artikelen, die in de loop 
der laatste jaren met betrekking tot ons onderwerp werden geschreven. Zeer verdienstelijk 
en inspirerend is het overzicht, dat G. von Rad onder de titel: Literarkritische und über- 
lieferungsgeschichtliche Forschung im Alten Testament (Verkündigung und Forschung: 
Theologischer Jahresbericht 1947/48 (München, 1949/50), 172-194) over de jongste ontwik¬ 
keling van de inleidingswetenschap in de Duits-sprekende landen gaf. Volgens von Rad zijn 
„die Werke J und E, aber dann letztlich auch der ganze Hexateuch, ... nichts anders als ein 
riesenhafter Ausbau” van een cultisch credo ( Deut . xvi, 5-9; bijvoorbeeld ook Joz . xxiv, 
2-13). Terecht stelt de auteur de Oudtestamentische wetenschap voor de vraag, hoe het moge¬ 
lijk is, dat de destijds door Gunkel aldus gekarakteriseerde aetiologische cultussagen litterair 
in sterk theologisch bepaalde werken als van J en E konden worden gebruikt. „Mit der Ver- 
kümmerung des athiologischen Skopus, mit dem Heraustreten aus dem sakralen Raum, musste 
doch nahezu das ganze Sinngebaude der Erzahlung zusammenstürzen” (179). De verhalen 
moeten dan in ieder geval een door de compositie van J en E bepaalde „sehr viel spiritueller 
Sinn” gekregen hebben. De hermeneutische problemen, die hier liggen, mag men niet ver¬ 
waarlozen. 

M. Bic bespreekt de vorderingen van de Oudtestamentische studie achter het c ijzeren 
gordijn 0 in twee korte artikelen in Vetus Testamenten ( Das alttestamentliche Studium in 
Polen in den Nachkriegsjahren (VT II (1952), 181-183) en Die neueren Ergebnisse der 
alttestamentlichen Forschung in der Tsckechoslovakei (VT I (1951), 155-159). 






ió VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 

F. Hesse geeft in Aktuelle Probleme alttestamentlicher Forschung (Evangelisch-Luthe- 
rische Kirchenzeitung 7 (1953), 164-167 een overzicht van recente werken van Hölscher, 
Noth, von Rad en Simpson ( vide infra). 

In VT III (1953), 113-132 tenslotte waarschuwt P. R. Ackroyd onder de titel: Criteria 
for the Maccabean Dating of Old Testament Literature voor een Maccabese datering van een 
bepaald geschrift op grond van c aanhalingen D (frequently the resemblances are better to be 
explained as due either to dependence upon a common tradition or to the use of set phrases 
found in religious compositions of almost any period of Old Testament history, 118), linguïs¬ 
tische argumentatie (for we have still too little information about it, 121) en theologische 
criteria (b.v. het opstandingsgeloof: dit is precarious in view of the uncertainties which 
obtain in the material at our dispos al”, 125). 

DE PENTATEUCH 

Zie dit Jaarbericht blz. 47 vlgg. 

Otto Eissfeldt heeft de laatste ontwikkeling van de studie der Pentateuch (eventueel 
Hexateuch) op uitvoerige en voortreffelijke wijze getekend in een artikel onder de titel: Die 
neueste Phase in der Entwicklung der Pentateuchkritik, ThR, N.F. xviii (1950), p. 91 ff., 
p. 179 ff. en 267 ff.). Deze beschrijving houdt zich in het bijzonder bezig met de werken van 
C. A. Simpson: The Early Traditions of Israël. A critical Analysis of the Pre-Deuteronomic 
Narrative of the Hexateuch (Oxford, 1948), van M. Noth: Überlieferungsgeschichte des 
Pentateuch (Stuttgart, 1948), van F. Helling: Die Frühgeschichte des Jüdischen Volkes 
(Frankfurt am Main, 1947) en van F. V. Winnett: The Mosaic Tradition (Toronto, 1949). 

De tendens van al deze werken is tenslotte de historische vraag naar de geschiedenis van 
de verovering van Kanaan door de Israëlitische stammen. 

C. A. Simpsons boek wil een correctie zijn van het werk van E. Meyer: Die Israeliten 
und ihre Nachbarstdmme (1906). De laatstgenoemde meende, dat wij wel een directe Land- 
nahme van de zuidelijke stammen van Kades uit moeten postuleren , maar dat de schriftelijke 
bronnen, die wij bezitten daarvan niets weten en voor geheel Israël een inval via het Oost- 
jordaanland veronderstellen. S. meent nu deze opvatting in zoverre te moeten corrigeren, 
dat een oudste bron J 1 (die van zuidisraëlitische oorsprong moet zijn) de voorvaders van 
het latere Israël via Kades direct Palestina laat binnenkomen; daarentegen zou J2 (die van 
noordisraëlitische origine is) geheel Israël via de Sinaï en Kades langs de omweg van het 
Oostjordaanse het beloofde land hebben laten binnentrekken. Bij deze laatste traditie (die wel 
stof van J i verwerkte, maar het geheel op het tweede plan bracht) sluit zich E aan, die J 2 
niet aanvult noch modificeert, maar een heel nieuw verhaal geschreven heeft, waarbij van de 
Horeb sprake is en het volk de Jordaan ter hoogte van Sichem oversteekt, waarna ter plaatse 
ook de verbondssluiting plaats vindt (lozua 24). Behalve H. H. Rowley (Bi Or V (1948) 
138-140), die Simpsons bronnenanalyse „so highly speculative and subjective” noemde, „that 
it can convince only those who do not ask for evidence”, heeft ook Eissfeldt het werk aan 
een strenge critiek onderworpen (men vergelijke: O. Eissfeldt: Die dltesten Traditionen 
Israels: ein kritischer Bericht über C. A. Simpson's The early Traditions of Israël (BZAW 71 
(1950) en ThR (N.F.) xviii, 104 ff.). Men vraagt zich inderdaad af, of de schrijver niet 
te zeer het slachtoffer van een petitio principii geworden is. Als hij b.v., Num. xxi : 1-2 
(^ic!) laat aansluiten bij Richt. I, 17 en dan in het laatste caput ook enige tradities over Jozef 
en Ruben aan J 1 toeschrijft, omdat de zuidisraëlitische auteur, die pas de vestiging van 
het Davidische rijk had meegemaakt, ook rekening moest houden met het Noorden, dan laat 
zich toch vragen, of de litteraire en chronologische vragen zo niet over en weer in een vicieuze 
cirkel aan de orde worden gesteld. 

Laat Simpson J en E wel doorlopen in lozua en Richt er en, M. Noth meent, dat wij 
er wel mee moeten rekenen, dat J en E een Landnahmetradition gekend hebben, maar dat 





VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


17 


deze door P (die geen aandacht had voor de verovering) is afgebroken. Het materiaal in 
lozua en Richteren, dat men aan J en E pleegt toe te schrijven, is veeleer van de hand van D, 
hoewel deze wel „fixiert vorliegende Komplexen” voor zich gehad moet hebben. In overeen¬ 
stemming met de traditiekringen P en D trekt Noth zodoende een scherpe caesuur tussen 
Gen.-Numeri (de zgn. Tetrateuch) en Deuteron-Koningen. 

Voor een gedeelte komt Noth tegemoet aan de these van Volz en Rudolph, dat E nooit 
een aparte bron gevormd heeft ( Der Elohist als Erzdhler: ein Irrweg der Pentateuchkritik? 
(BZAW 63, 1933), doordat hij J en E uit een gemeenschappelijke G(rundlage) laat putten, 
waarvan zij onafhankelijk van elkaar gebruik maakten; bij de vereniging van J en E vindt een 
aanvulling van J met E-stof plaats. 

De beslissende stappen voor de vorming van de Pentateuch zijn volgens Noth echter reeds 
in het voor-litteraire stadium gedaan. In kern is de Pentateuch opgebouwd uit „bestimmte 
kultisch verwurzelte und bekenntnismassig formulierte Glaubenssatze” (48), waarvan de tra¬ 
ditie over de uittocht „die Keimzelle der ganzen grossen spateren Pentateuchüberlieferung” 
is. Daaromheen groepeerden zich als hoofdthemata: de intocht, de belofte aan de aartsvaders, 
de woestijntocht en openbaring aan de Sinaï (de laatste vrij laat). Deze themata werden 
weer opgevuld met verschillende oude verhalen (onder andere de plagen en de viering van 
het Pascha, Baal Peor en Bileam, Izaak en Abraham, de berg Gods en de Midianieten, ver¬ 
bond en af val bij de Sinaï). 

Eissfeldt (ThR xviii, 200 ff.) heeft ook ten opzichte van Noths visies bezwaren. Deze 
betreffen vooral het grote accent op de voor-litteraire ontwikkeling en de these, dat de Pen¬ 
tateuch wezenlijk uit in de cultus gebruikte belijdenis formules en hymnen zou zijn opge¬ 
bouwd. E. wijst er op, dat deze ook in het N.T. voorkomen ( Rom . x : 9; I Cor. xii : 3; 
I Petr. III : 18-22; Phil. II : 5-11), maar dat slut niet uit, dat b.v. Lucas een historie-werk 
schreef op grond van mondelinge en schriftelijke tradities ( Luc . I : 1-4; Hand. I : 1-2). 
Vooral zullen de vragen niet ontbreken, als men ziet, welke consequenties de thesen van Noth 
voor de vroegste geschiedenis van het Joodse volk met zich mee brengen: doordat op grond 
van zijn litteraire analyse Mozes slechts een onbetekenende rol speelt, blijft de vraag naar de 
oorsprong van het Israëlitische Gesamtbewusstsem (ondanks de grote nadruk op de am- 
phiktyonieën) in vele opzichten in het duister gehuld 1 ). 

F. V. Winnett 2 ) geeft een geheel eigen oplossing van de litteraire geschiedenis van de 
Pentateuch. Volgens de auteur heeft de oude litterair-critische school door een voortdurende 
bronnensplitsing van eigen methode bewezen, dat zij onjuist is. Integendeel bestond er in 
de tiende eeuw een mozaïsche traditie, die aan Exodus-Numeri en Deut. xxvii-xxxiv ten 
grondslag ligt en omstreeks 900 in het Noorden werd gecodificeerd. Na de val van Samaria 
(want het centrum van de Jahwe-religie lag in het Noorden (sic !)) nam het twee-stammenrijk 
deze tradities over, waarna nog enige toevoegingen volgden. Enige decennia na Hizkia 
schreven de Jeruzalemse priesters een geheel nieuwe versie van de mozaïsche traditie (Deut. 
iv, 44-xxvi, 19), die door Hilkia werd c ontdekt D en de eerste moest vervangen. Na het 
exiel hebben andere priesters uit Jeruzalem deze twee geschriften met elkaar verbonden (P) 
en nieuw materiaal toegevoegd. Helaas leeft dit werk zo zeer uit de negatie van de oudere 
litteraire critiek en zijn de eigen resultaten te onwaarschijnlijk om invloed te kunnen uitoefenen 
op de verdere ontwikkeling van de Pentateuchcritiek. 

E. Robertson vat in The Old Testament Problem. A Re-Investigation together with 
two Other Essays (Publications of the University of Manchester No. cccvii (1950) een 
aantal vroeger geschreven artikelen samen, waarbij hij het probleem van het ontstaan der 
Pentateuch op een geheel eigen wijze oplost. Deuteronomium ontstond in Samuels tijd als 
een cultus-centralisatie-program om de nationale eenheid te versterken. Vrij kort na de codi¬ 
ficatie daarvan groepeerden zich daaromheen oude tradities van verschillende heiligdommen. 

1 ) Men vergelijke M. Noth: Geschichte Israels, 2 ) Het werk van Helling geeft nauwelijks een 
Göttingen, 1950. litterair-critische bespreking van de bronnen en 

wordt daarom hier niet besproken. 


Jaarbericht N°. 14 


2 






l8 VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 

Na de rijksscheiding onder Rehabeam raakte D in onbruik, maar werd tijdens Josia hervonden 
op een moment, dat de eenheid (na de val van het tien-stammen-rijk) weer mogelijk was. 

Vol onwaarschijnlijkheden is de voorstelling van zaken, die D. W. B. Robinson geeft 
in Josiah’s Reform and the Book of the Law (London, 1951). Volgens R. bestaat er geen 
wezenlijk verband tussen D en de reformatie van Josia, die slechts een politiek oogmerk had. 
Deuteronomium is mozaïsch: het werd om de zeven jaar aan de koning voorgelezen, totdat 
het verloren raakte en in 621 hervonden werd. 

G. Hölscher blijft in zijn Geschichtsschreibung in Israël. Untersuchungen zum Jah- 
visten und Elohisten (Skrifter utgivna av Kungl. Humanistika Vetenskapssamfundet i Lund 
5 ° ( I 95 2 ) geheel trouw aan het oude litterair-critische standpunt. H. geeft in dit werk een 
recapitulatie van zijn vroegere beschouwingen over J in Die Anfdnge der hebrdischen Ge¬ 
schichtsschreibung (Heidelberg, 1941/2), nu met toevoeging van E. De auteur vindt de Jahwist 
en de Elohist tot en met Koningen terug, acht de laatste van zuidisraëlitische oorsprong te 
zijn en plaatst de verbinding van J en E eerst na het exiel. 

In A Skort Introduction to the Pentateuch (London, 1949) betoogt G. Ch. Aalders, 
dat het verschil in de Godsnamen geen criterium voor bronnensplitsing kan zijn en dat de 
Pentateuch geen parallelverhalen kent. In kern is de Pentateuch mozaïsch, maar er laten zich 
ook post- en a-mozaïsche gedeelten onderscheiden. De uiteindelijke redactie vond plaats voor 
de stichting van het Davidische rijk. 

Het is jammer, dat op het moment de tendens bestaat de kwestie van de verschillende 
Godsnamen zo zeer als argumentatie voor een onderscheid tussen J en E te accentueren, dat 
de andere gegevens geheel op de achtergrond geraken. Het moge per se waar zijn, dat het 
onderscheid in het gebruik van de namen Jahweh en ‘Elohim niets behoeft te zeggen over een 
verschillende auteur. Wanneer echter bovendien de sfeer van J en E duidelijk verschillend 
is (vgl. b.v. Vriezen, o.c., ii 7), moeten wij ons door de gegevens als geheel toch laten 
gezeggen (vgl. ook: The Old Testament and Modern Study, 79-80). 

Van Rooms-Katholieke zijde wijst J. Coppens in Analecta Lovaniensia Biblica et Orien- 
talia II, 38 (1953) onder de titel Chronique d’ Ancien Testament. Le problème de l’Hexateuch 
op de afhankelijkheid van vele R-Kath. geleerden van van Hoonacker (cf. overigens de 
uitgave van dezelfde auteur van A. van Hoonacker. De Compositione litteraria et de origine 
mosaica Hexateuchi Disquisitio (Brussel, 1949)). Evenals H. Cazelles (Biblica xxxv (1954), 
279-298: A propos du Pentateuch) maakt ook Coppens streng onderscheid tussen het his¬ 
torische en het litteraire. Het mozaïsche materiaal werd in priesterlijke kringen uitgewerkt. 
De Leuvense hoogleraar wenst verder een Tetrateuch te onderscheiden van het Deuteronomis- 
tische werk. Cazelles laat de Pentateuch substantieel van Mozes stammen, maar maakt de 
litteraire redactie van Ezechiël afhankelijk. 

Het grondige werk van R. Rendtorff : Die Gesetze in der Priester schrift. Eine gattungs- 
geschichtliche Untersuchung (Forschungen zur Religion und Literatur des Alten und Neuen 
Testaments 62 (1954) onderscheidt (naast de priesterlijke thoroth) in navolging van Begrich 
in Lev. i-v teksten, die door hun onpersoonlijk karakter het kenmerk dragen van de da’at 
(de beroepsmatige kennis van de priesters) : de oorspronkelijke Einheiten zijn later uitgebreid, 
deels vrij onordelijk verzameld en deels litterair geredigeerd. Een beschouwing over het bij¬ 
zondere karakter van de Oudtestamentische wetgeving ligt vervat in het werk van W. Korn- 
feld: Studiën zum Heiligkeitsgesetz (Wien, 1952). H. Schmökel acht in Zur Datierung der 
Pentateuchquelle J (ZAW 62 ( 1949/50, 319-321) op grond van Exod. xiv : 13b de datering 
van J vóór de inval van Farao Sisak (Sjosjenk I), dus vóór 928, bewezen. 

Tenslotte volstaan wij met de vermelding van de studies van C. Auzon : Connaissance de 
Lévitique (Cahiers Sioniens 7 (1953) 291-319) en C. A. Simpson: A study of Deuteronomium 
12-18 (Anglican Theological Review 34, 4, 247-251). 

Aan het eind van dit overzicht moeten wij met H. H. Rowley ( The Growth of the Old 
Testament, 46) concluderen, dat het wijdverspreide scepticisme ten aanzien van de litterair- 
critische methode in positieve zin weinig blijvende vrucht heeft afgeworpen. „A mere concen- 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


19 


tration on the acknowledged difficulties of the Graf-Wellhausen view, and then on aselection 
of points that may seem to give support to a rival view, will not do. For none of the rival 
views can accommodate so many of the facts, or can escape far more difficulties than the view 
it seeks to replace. Yet having said this, it remains true that the Graf-Wellhausen view is only 
a working hypothesis, which can be abandoned with alacrity when a more satisfying view is 
found, but which cannot with profit be abandoned until then”. 


De Profeten 

Zie dit Jaarbericht blz. 57 vlgg. 

De groeiende belangstelling voor de Bijbelse theologie is wel één van de redenen, waarom 
de Oudtestamentische profeten steeds meer de aandacht trekken. Uiteraard betreft het hier 
in de eerste plaats de godsdiensthistorische problemen, die onder invloed van de Scandinavi- 
ers opnieuw aan de orde worden gesteld. Hiervan zijn de litteraire vragen echter niet te 
scheiden, zulks op straffe van ondermijning van iedere godsdiensthistorische en Bijbels¬ 
theologische studie. Wie zich op de hoogte wenst te stellen van de problematiek rondom de 
Israëlitische profetie, kan ook nu nog uitstekend terecht bij een uitgebreid en gedegen over¬ 
zicht, dat G. Fohrer onder de titel: Neuere Literatur zur alttestamentlichen Prophetie liet 
opnemen in ThR xix (1951), S. 277-346, en xx (1952) S. 193-271, 295-361. De litteratuur 
over Ezechiël werd kort daarvoor door C. Kuhl behandeld ( Neuere Hesekiel-Literatur, ThR 
xx (1952), 1-26) en ontbreekt dus, behoudens enige toevoegingen, in het artikel van Fohrer. 

In het volgende zullen wij in het algemeen attenderen op werken, die in de genoemde 
overzichten nog moesten ontbreken. Voor de overzichtelijkheid behandelen wij daartoe de 
profeten in de gebruikelijke volgorde. 

Jesaja. Door de opzienbarende vondst van oud-Hebreeuwse handschriften in de woestijn 
van Juda, waaronder twee Jesajamanuscripten (iQIs a en iQIs b ), werd de aandacht ge¬ 
makkelijk naar deze profeet getrokken: niettemin bleef deze door de rollen gewekte belang¬ 
stelling uiteraard meestal van tekstcritische aard 3 ). Aan nieuwe studies over de liederen van de 
Knecht des Heren en hun plaats in het kader van Deutero-Jesaja heeft het ook in de laatste ja- 
ren niet ontbroken. Intussen meent J. Lindblom {The Servant-Songs in Deutero-Isaiah, Lund, 
1951) de definitieve oplossing voor het aloude probleem gevonden te hebben door de pericopen 
42 : 1-4, 49: 1-6, 50: 4-9 en 52: 13-53: 12 in tegenstelling met Duhm te verbinden met het 
voorafgaande en volgende en de liederen te beschouwen als „allegorical or symbolic picture”: 
het gaat er dus niet om, wie degene is, die in de liederen genoemd wordt (deze vraag heeft 
geen zin, omdat het centrale punt van de gedeelten het litteraire genre is), maar wie met deze 
symbolische taal bedoeld wordt. Deze wijst nu, volgens L., duidelijk op Israël, hoewel dus 
de tekening zelf Israël niet beschrijft, maar er symbolisch naar verwijst. Zo verhouden zich 
tot elkaar als allegorie en interpretatie. Bevreemdend is, dat L. „Israël” in 49 : 3 laat staan! 
Jes. 42 : 1-4 en 42 : 5-9, 49 : 1-6 en 49 : 7, 50 : 4-9 en 50 : 10-11 en 53 : 2wen52 : 13-53 :1 

Een geheel andere mening is H. H. Rowley ( The Servant of the Lord and other Essays 
on the Old Testament, London, 1952, 3-57) toegedaan. Ook Rowley wil de liederen niet 
van de deutero-jesajaanse context scheiden, maar neigt dan naar de Collectieve opvatting 0 , die 
hij verbindt met de gedachte van Wheeler Robinson aangaande de „corporate personality”. 
Wij zien zich langzamerhand bij de profeet een overgang van de collectieve naar de individuele 
opvatting voltrekken, zodat de knecht in 52 : 13-53 : 12 als een toekomstige figuur moet 
worden beschouwd. 

N. H. Snaith adstrueert aan enige opmerkingen over bepaalde teksten in de capita 40-53 

3 ) Vergelijk onder meer: J. Lindblom : Die Jesaja- 
Apokalypse in der neuen Jesaja-handschrift (DSIa) 

Lund, 1951. 

—: Deutero jesaja i den nyfunna Jesaja-hand- 


skriften fran Palestina. Svensk teologisk kvartal- 
skrift, 1950, p. 302-314. 

—: Die Ebed Jahwe-Orakel in der neuentdeckten 
Jësajahandschrift (DSIa), ZAW 1951, p. 135-248. 











20 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


van Jescja zijn overtuiging, „that Deutero-Isaiah is true to his predecessors Jeremiah and 
Ezekiel, and in turn is followed faithfully by his post-exilic successors, who returned to Je- 
rusalem. The Servant of the Lord in Deutero-Isaiah is in the first place Jehoiachin and the 
exiles of 597 B.C., but there is the same tendency as in Jeremiah and Ezekiel...to include also 
those who were exiled in 586 b.c. ( The Servant of the Lord in Deutero-Isaiah, Studies in 
Old Testament Prophecy, presented to Theod. H. Robinson, edit. by H. H. Rowley, 187-200 
(de aanhaling op p. 191)). Snaith ziet dus een nauw verband met de andere profetieën van 
Deutero-Jesaja en acht het feit, dat Duhm de vier liederen uit het geheel van de tekst lichtte 
thans irrelevant, aangezien wij geleerd hebben over de profetische boeken te denken als „collec- 
tions of independent and usually short oracles, poems and the like” (187). 

J. Coppens voert in een artikel onder de titel: Nieuw licht over de Ebed-Jahwe-liederen 
(Pro regno pro sanctuario: Een bundel studies en bijdragen van vrienden en vereerders bij 
de zestigste verjaardag van Prof. Dr G. van der Leeuw, p. 115-123) een pleidooi voor de 
koninklijke verklaring van de gedichten. Hij wil daartoe fes. 52, 13-53, 12 vóór de andere 
drie pericopen plaatsen en ziet als de Sitz im Leben voor het eerstgenoemde gedeelte de moei¬ 
lijkheden van Zedekia, terwijl de andere liederen de wederwaardigheden van Jojachin als 
achtergrond zouden hebben. C. betoont zich tenslotte een voorstander van de christologische 
interpretatie. Uiteraard ontbreekt een zijdelingse verwijzing naar de Scandinavische school in 
dit artikel niet. 

Open voor de litterair-critische resultaten staat de Rooms-Katholieke geleerde J. Stein- 
mann in Le prophete Isdie (Paris, 1950). Het boek geeft een vertaling van les . 1-39 (sic), 
waarbij de tekstgedeelten in chronologische volgorde gerangschikt zijn. Opmerkelijk is de 
stelling van St., dat Jesaja eerst in het Noorden zou zijn opgetreden. 

In tegenstelling met Steinmann verwerpt O. T. Allis in The Unity of Isaiah' (1950; 
Engelse edit., 1951) op extreem-fundamentalistisch standpunt het onderscheid tussen Primo- 
en Deutero-Jesaja. Omdat het element van de voorzegging verworpen of althans tot een mini¬ 
mum gereduceerd wordt, willen de meeste geleerden niet van een eenheid van het boek Jesaja 
weten. 

P. P. Saydon stelt onder de titel The Literary Structure of Isaias 40-55 and the Servant 
songs (Melita Theologica 6 (1953) 1-15) voor, fes. 42, 1-43, 13 naar het slot van caput 48 
te verplaatsen, om zo in Deutero-Jesaja twee uit drie themata gelijkmatig opgebouwde ge¬ 
deelten te verkrijgen, te weten Jes. 40-48: aankondiging van de bevrijding, verzekering van 
de bevrijding en bevestiging van de belofte en voor de resterende gedeelten: zending van de 
Knecht en zijn mislukken, belofte van succes en verzekering van succes. 

R. B. Y. Scott schreef een studie over de litteraire karakteristica van de woorden van 
verwijt, dreiging, belofte, aansporing en onderwijs (Declaration) in de jesajaanse gedeelten 
van Jes. i-xxxix benevens hun vereniging in grotere litteraire eenheden, die op hun beurt 
tot afzonderlijke collecties werden samengevoegd ( The literary Structure of Isaiah’s oracles, 
Studies in Old Testament Prophecy, 175-186). 

Het in het Zuidafrikaans geschreven proefschrift van E. S. Mulder ( Die Teologie 
van die Jesaja-Apokalipse, Groningen, 1954) stemt naar de inhoud niet geheel met 
de titel overeen, aangezien slechts de laatste twee capita (iv en v), dat is minder 
dan een vierde gedeelte van dit werk, de theologische vragen van Jes. xxiv-xxvn 
bespreekt (Cap. iv: Die Opstandingsgedagte en Cap. v: Die Gerig). De vooraf¬ 
gaande drie hoofdstukken, die een vertaling, een tekstonderzoek en exegese, benevens een 
onderzoek naar het woordgebruik en de stijl van de Apocalyps en een bepaling van de daarin 
genoemde stad bieden, zijn evenwel des te gedegener geschreven en verschaffen de lezer een 
schat van gegevens. Een zorgvuldig gebruik werd gemaakt van de eerste Jesaja-rol van Chirbet 
Qumran (iQ Is a), terwijl onder meer ook de litteratuur uit Ras Samra de nodige aandacht 
krijgt. De „stad” wordt geïdentificeerd met Moab. Wij moeten denken „aan die oorweldiging 
van Moab deur die noordwaarts oprukkende Nabateërs in die eerste helfte van die derde eeu. 
Die tyd van ontstaan van die geskrif is te stel kort voor die afsluiting van die profetekanon, 
ongeveer 270 v.C. (93).” 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


21 


Jeremia. Door een uitvoerige stijlanalyse (Appendix A, p. 30-35) concludeert J. Bright 
in The Date of the prose sermons of Jeremiah (JBL 1951, p. 15 w), dat de in deuteromistische 
stijl gestelde prozapericopen in Jeremia „no stylistic or other dependence on the literature of 
the Restoration” vertonen. Wel is de stijl van het Jeremiaanse proza verwant met D. Als men 
evenwel deze gedeelten na-exielisch wil maken, moet men ook de gehele Deuteronomistische 
litteratuur naar deze periode verwijzen. Bij een vasthouden aan de traditionele datering van 
D kan men de prozapericopen van Jer. dus moeilijk na-exielisch maken, „with an ocean of 
history between”! Natuurlijk kon de stereotype stijl van D later wel geïmiteerd worden („the 
writers believes that either he or the reader could imitate it” (22) ) en dat is door toevoegingen 
ook wel geschied, maar op zich zelf gezien is de stijl niet karakteristiek voor de laat- df na- 
exielische periode (22). „What we have is a prose tradition of Jeremiah which grew up on the 
basis of his words” (28) en de oorsprong van deze traditie ligt bij Jeremia’s intimi, die de 
profeet niet anders getekend hebben dan hij in werkelijkheid was (29). Bovendien is de stijl 
van Jeremiah proza wel „akin to Dtr, but by no means a slavish imitation of it”. 

J. Philip Hyatt poneert in The Deuteronomic edition of Jeremiah (Vanderbilt Studies 
in the Humanities I (1951), 71-95) dat de deuteronomistische gedeelten het gevolgzijn van een 
D-editie van het boek, waarbij de oerrol van 604, enige collecties echte Jeremia-woorden en de 
Baruchmemoiren ten dienste stonden. Later werd nog meer stof toegevoegd, waarin H. de 
invloed van Deutero-Jesaja meent te ontdekken. 

H. H. Rowley schreef over hetzelfde onderwerp een studie in de bundel Studies in Old 
Testament Prophecy pres. to Prof. Dr Th. H. Robinson edit. by H. H. Rowley, getiteld: 
The Prophet Jeremiah and the Book of Deuteronomy (157-174). Op overtuigende wijze wordt 
verdedigd, dat Jeremia (althans aanvankelijk) niet zonder D te begrijpen is en de mening 
afgewezen, dat de eerste de Deuteronomistische stijl zou hebben beïnvloed. D moet worden 
geïdentificeerd met Josia’s wetboek. Eerst heeft Jeremia met D gesympathiseerd, maar later 
was hij doordrongen van „its spiritual failure and therefore condemned its insufficiency 

( T 74)-” 

A. Gelin geeft in Jérémie (Collection „Temoins de Dieu” n. 13), Paris, 1951 een levens¬ 
beschrijving van de profeet, die bedoeld is voor „leken” op het gebied van het Oude Testament. 
Belangrijk voor dit overzicht is evenwel, dat ook G. de profeet een tijd lang in het kielzog van 
D ziet varen. 

J. Steinmann schreef eveneens een studie over Jeremia (Le prophete Jêrêmie. Sa vie, son 
oeume, son temps, Paris, 1952), terwijl A. Bruno in Jeremia. Eine rhytmische Untersuchung, 
Stockholm, 1954, op dit boek zijn wet voor de vorming van strophen toepast, behelzende, dat 
in één pericoop de strophen een evengroot aantal beklemtoonde woorden hebben, terwijl de 
opbouw van die strophen sterk kan variëren (vgl. nader E. Vogt. Jeremias Literatur, Biblica 

35 (1954), 357-365)- 

Ezechiël. Het is een vaak voorkomend, maar niettemin merkwaardig verschijnsel, dat 
boeken, waaraan vroeger nauwelijks aandacht werd besteed, nu ineens in het middelpunt van 
de belangstelling komen te staan. Dit geldt b.v. voor Ezechiël. Destijds was dit een weinig 
omstreden boek. Cornill zegt in de eerste drukken van zijn Einleitung in das Alte Testa¬ 
ment: „Kein anderes Buch ist eine so grossartig angelegte und so klar durchgeführte plan¬ 
volle Einheit, kein anderes zeigt so vom ersten bis zum letzten Buchstaben dieselbe Hand, 
dieselbe Geist, dieselbe scharf ausgepragte Individualitat (i68v.)”. Uit het artikel van C. 
Kuhl ( Neuere Hesekiel-Literatur ThR xx (1952), 1-26), dat wij reeds eerder noemden, 
blijkt, dat dit inzicht in de loop van de tijd toch wel bestrijders gevonden heeft, zodat de 
genoemde auteur nu drie opvattingen over het boek kan onderscheiden: 

a) de traditioneel-exielische (Hermann, Sellin, Kittel), „die in Hes den Golapropheten 
sieht, den „Priester im Prophetenmantel” (Wellhausen), der sein Buch im wesentlichen 
selbst verfasst und redigiert hat”. 

b) de critische, „die das Buch als ein sehr zusammengearbeitetes Gebilde ansieht und dem 
Propheten nur diejenige Stücke zuerkennt, die poëtisch gehalten sind (Hölscher) oder 
sich auf ein Wirken in Jerusalem beziehen (Herntrich)”. 









22 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


c) de pseudo-epigraphische (Torrey), „die das Buch zwar als Einheit geiten lasst, aber 
eben nur als Pseudoepigraph aus ganz spater Zeit, aus dem nur die wenigen Zusatze des 
babylonischen Redaktors ausgeschieden werden müssen”. 

De eerste opvatting (zij het dan met enige wijzigingen) heeft een beslissende steun ont¬ 
vangen in het werk van G. Fohrer: Die Hauptprobleme des Buches Ezechiel (BZAW 72, 
Berlin, 1952). In de inleiding geeft de auteur een waardevol overzicht van het wetenschappelijke 
werk sedert het begin van de twintigste eeuw, terwijl Fohrer in het thetisch gedeelte tot 
de conclusie komt, dat Ezechiel niet een einheitliches Literaturwerk is, maar uit Einzelstücke 
bestaat, die door een omvangrijke redactionele arbeid in de huidige volgorde zijn gebracht. 
Daarbij is echter de wezenlijke inhoud van het leven en de boodschap van de profeet niet 
veranderd: „Bis auf wenige Ausnahmen”, zo concludeert de schrijver, „lasst sich der wahr- 
scheinlich ursprüngliche Text durch Ausscheiden redaktioneller Glossen und Zusatze mit 
Hilfe der Septuaginta und der Anwendung metrischer Grundsatze wiederherstellen (104)”. 
Ezechiel werkte, volgens F., in Babylonië, terwijl men moet aannemen, dat bij de profeet 
„echte Entraffungserlebnisse vorliegen” (259). 

Ook C. G. Howie: The Date and Composition of Ezekiel (Philadelphia, 1950) schrijft 
de inhoud van het boek in grote trekken wezenlijk aan Ezechiel toe: in het dertigste jaar van 
de ballingschap ( Ezech . I, 1!) dicteerde de profeet de inhoud van de profetieën en visioenen, 
die hij voor de val van Jeruzalem had gezegd en gezien. Dit geheel omvatte oorspronkelijk 
de eerste 24 capita benevens de profetieën tegen de vreemde volken als toevoegsel. Na de 
dood van Ezechiël werd o.m. uit de herinnering nieuw materiaal toegevoegd, waaronder een 
bekend visioen (Ezech. 40-48). Met nadruk verzet Howie zich tegen degenen, die de 
“Babylonian setting” van de profetieën willen ontkennen. 

C. J. Mullo Weir, Aspects of the Book Ezekiel (VT II (1952), 97-112) verdedigt 
onder de indruk van Howie’s werk eveneens de Babylonische werkzaamheid van de profeet 
en schrijft ook het boek in grote trekken aan Ezechiël toe. 

H. H. Rowley sluit zich in The Book of Ezekiel in Modern Study (Manch. Univ. Press 
and The John Rylands Library, Manchester, 1953; Reprint from Bulletin of the John Rylands 
Library vol. 36 No. 1, sept. 1953) wezenlijk bij de zoëven genoemde auteurs aan, terwijl 
H. M. Orlinsky met een hernieuwd pleidooi voor Babylonië als plaats, waar Ezechiël pro¬ 
feteerde, aan de discussie deelnam (Where did Ezekiel Receive the Callto Propkesy? (BASOR 

112,34-36). 

Een andere mening blijft W. A. Irwin toegedaan. In Ezekiel Research since 1943 
(VT III (1953), 34-66) handhaaft hij de eigen methode van onderzoek 4 ), die destijds in 
The Problem of Ezekiel (Chicago, 1943) werd uiteengezet. Irwin blijft derhalve een voor¬ 
stander van de opvatting, die Ezechiëls werkzaamheid in Jeruzalem localiseert. Het eerder 
genoemde werk van Fohrer wordt in het artikel niet genoemd, wel diens Die Glossen itn 
Buche Ezekiel (ZAW 63 (1951), 33-53). 

Overeenkomstig zijn studies over Jesaja en Jeremia geeft J. Steinmann ook in Le 
prophete Ezechiel et les débuts de l’exïl (Paris, 1953) een chronologisch gerangschikte ver¬ 
taling van het gehele boek, maar vertegenwoordigt in tegenstelling met de zoëven genoemde 
geleerden het standpunt, dat de profeet zowel in Palestina (tot 585) als in Babel (daarna) 
werkzaam was. Ook S. kent slechts een beperkt aantal secundaire toevoegingen. 

Het oude standpunt van Torrey keert in een, wat betreft de datering gewijzigde vorm te¬ 
rug in het werk van L. E. Browne: Ezekiel and Alexander (London, 1952). De auteur ziet 
het boek als een pseudo-epigraphisch geschrift uit de tijd van Alexander de Grote. 

Uit dit overzicht blijkt duidelijk, dat het traditioneel-exielische standpunt de meeste aan¬ 
hangers telt. Te meer omdat het in overeenstemming is met de Oudtestamentische traditie, 
zal deze opvatting na het werk van Fohrer als de juiste moeten worden aangemerkt. 

4 ) Uitgaande van Ezechiël 15 probeert Irwin een betwijfeld wordt, die dan later op de overige gedeel- 
objectieve maatstaf voor de beoordeling van het ten worden toegepast (vergelijk voor het gevaar van 
boek te krijgen door maatstaven te ontlenen aan deze methode: G. Fohrer, o . c . 7, 8). 
woorden van Ezechiël, waarvan de echtheid niet 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


23 


Het dodekapropheton. Over de twaalf kleine profeten is in de laatste jaren slechts een 
beperkt aantal studies verschenen. De Leuvense hoogleraar J. Coppens schreef onder de titel: 
Les douze petit prophètes: Bréviaire du Prophétisme (Bruges/Louvain, 1950) een zeer be¬ 
knopte inleiding tot dit gedeelte van het O.T., waarin het gematigd-critische standpunt van de 
auteur weer duidelijk aan het licht treedt; zo wordt, b.v., Joël na-exielisch gedateerd en een 
onderscheid gemaakt tussen Primo- en Deutero-Zacharia. 

Dezelfde auteur bespreekt in Uhistoire matrimoniale d’Osêe. Un nouvel essai ffinter- 
prétation (Festschrift F. Nötscher: Alttestamentliche Studiën F. Nötscher gewidmet: Bonner 
Biblische Beitrage I, 38-45) de aloude kwestie van Hosea’s huwelijk en komt in tegenstelling 
met b.v. Vriezen (Oud-Israëlitische Geschriften p. 178) tot de conclusie, dat in cap. III 
van dezelfde vrouw sprake is als in cap. I; bovendien was zij „ni fornicatrice, ni adultère. 
Elle était tout simplement une enfant de la nation israélite, du royaume du Nord, dont tous 
les habitants sont qualifiés par Osée, au sens religieux, c’est-a-dire métonymique du mot, de 
fornicateurs et d’adultères, a savoir a 1 ’égard de Jahvé (39, 40)”. Een soortgelijke mening 
als Coppens is R. Gordis toegedaan in Hosea’s marriage and message: a new approach, 
HUCA xxv (1954), 9-35. Volgens G. is Gomer met opzet 0 esetk z e nunlm (in plaats van °issah 
zonah), dus “woman of harlotry” genoemd, “because she is implicated in the sinfulness of 
the nation, for the land is committing harlotry against the Lord ,, (Hos, 1:2!). Gomer 
dient zo als een symbool voor het overspel van Israël, evenals haar kinderen (15)- Verder 
representeren cap. I en III, volgens G., twee interpretaties van één en dezelfde ervaring 
“but at different periods in his career and from varying viewpoints (30)”. 

A. Neher schrijft in Amos. Contribution a 1 ’étude du prophétisme (Paris, 195 °) het 
gehele boek aan de profeet toe. Het werk is bijzonder belangwekkend, omdat in de persoon 
van de auteur Joodse en westerse exegese worden verbonden, maar het blijft op meerdere 
punten uitlegkundig voor onze begrippen zwak. Bovendien is te weinig rekening gehouden 
met de nieuwere litteratuur. 

Over Micha schreven B. A. Copass en E. L. Carlson een studie onder de titel: A study 
of the prophet Micha (Grand Rapids, 1950). Opvallend is, dat zij de met Jesaja II, 2-4 
parallel lopende profetie in Micka iv : 1-3 niet van de hand van de profeet, casu quo, als 
aanhaling beschouwen: overigens wordt het gehele boek aan Micha toegeschreven. 

M. Bic verzet zich in VT Supplem. Studies I (Kopenhagen-Congres 1953), 
p. 11-25 (Zwr Problematik des Buches Obadjah) tegen de historische verklaring van het boek 
O bad ja. Hij betoogt, dat wij veeleer te doen hebben met een tekst, die alleen vanuit het 
cultische drama kan worden verstaan en die nog vóór de profeet Amos moet worden gedateerd. 
Het boek Obadja is een eenheid en niets anders dan „ein liturgisch erweitertes Thronbestei- 
gungsfestorakel” (16). 

Dezelfde auteur schreef over dit onderwerp ook reeds een studie in Archiv Orientalni 
xix (1951), 568-579 onder de titel: Ein verkanntes Thronbesteigungsfest. 

Voorts gaf M. A. Arroyo een vertaling met korte noten van hetzelfde boek (El profeta 
Abdias in: Cultura Biblica. Rivista bimestral Hispano-Americana 2 (1954) 32-33). 

In The Psalm of Habakkuk (Studies in Old Testament Prophecy, presented to Prof. 
Dr Th. H. Robinson, edit. by H. H. Rowley, Edinburgh, 1950, 1-18) schrijft W. F. 
Albright het gehele caput terecht toe aan de profeet, die tegelijk tempelmusicus moet zijn 
geweest en zijn profetie omstreeks 600 heeft uitgesproken. 

Over Zacharia I, 7-vi, 15 verscheen een uitvoerige studie van de hand van L. G. 
Rignell (Die Nachtgesichte des Sacharja (Lund, 1950)). Volgens de schrijver voegde de 
profeet aan de visioenen vroegere profetieën toe, om aan te tonen, hoe deze door de gezichten 
werden bevestigd. Het gehele gedeelte ziet R. dan ook als een litteraire eenheid. Daarin is 
geen enkele tekst corrupt. Helaas is de auteur philologisch en exegetisch soms niet geheel 
overtuigend (cf. G. Fohrer ThR 1952 (20), 269). 

Na een exegese van het betreffende gedeelte, ziet M. Delcor (Les allusions a Alexandre 
le Grand dans Zach. IX, 1-8, VT I, 110-24) het gehele hoofdstuk Zach. ix apocalyptisch 
bepaald en voor de eerste negen verzen terugslaan op Alexander de Grote. 










24 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


De Hagiographa 
Zie dit Jaarbericht blz. 54 

Psalmen. C. Th. Niemeyer wijdde zich in zijn dissertatie ( Het probleem van de Rang¬ 
schikking der Psalmen, Leiden, 1950) aan de beantwoording van de meermalen opgeworpen 
vraag naar de principia, die de bestaande volgorde der psalmen beheersen. Na een uitvoerig 
litteratuuroverzicht poneert de auteur, dat als voorstadia van de verzameling drie bundels 
in aanmerking komen (de HammcPaloth-liederen: Ps. 120-134; de psalmen van Asaf (50, 
73-83) en het Davidische psalmboek (3-41, 51-72), terwijl de psalmen van Korach misschien 
op weg waren tot een afzonderlijke verzameling te worden. Dat kan ook gegolden hebben 
voor de psalmen l e dawid 108-110 en 138-145. Intussen is het Elohistisch psalter, volgens N., 
een fictie. Er waren dichters, die de naam °Elohim prefereerden, maar een latere uitgever 
verbond de psalmen 42-83 met elkaar: „this does not imply an independent collection (159)”. 
Naar rangschikkingsprincipia wordt gezocht in de Misnah, de Qur c an en, wat het O.T. betreft, 
in het Bondsboek, de Spreuken (25-29) en het Twaalf profetenboek. Hier ontbreken helaas de 
Accadische en Egyptische gegevens, eventueel ook die uit Oegariet. Als conclusie formuleert 
N., dat de rangschikking voornamelijk geschiedde naar de namen van de auteurs, nadat het 
Davidische psalter in tweeën was verdeeld (3-41: overwegend Jahweh als Godsnaam; 51-72: 
overwegend c Elohim); daarna werden de andere verzamelingen toegevoegd. Binnen het kader 
van deze collecties golden voor de rangschikking veelal criteria, ontleend aan de inhoud of 
bepaalde trefwoorden. 

N. H. Tur-Sinai wijdt in Oudtestamentische Studiën vin (1950), 263-281 een artikel 
aan het Literary Character of the Book of Psahns. Tegenover de cultische verklaring plaatst 
Tur-Sinai de these, dat de psalmen uit historiewerken ontleende liederen zijn en derhalve niet 
gebeden met een liturgisch doel. 

In A catalogue of Early Hebrezv Lyric Poems (HUCA xxiii (1950-1951), 1-39, komt 
ook W. F. Albright tot de conclusie, dat wij in psalm 68 te doen hebben met een catalogus 
van een dertigtal Kanaanese liederen, die aan de Israëlitische religie geadapteerd zijn: de 
psalm geeft daarvan de beginregel(s). Nu kennen wij uit de Babylonische wereld inderdaad 
dergelijke lijsten en het feit, dat Th. H. Robinson en Albright onafhankelijk tot dezelfde 
beschouwing over de psalm gekomen zijn, zou een teken kunnen zijn, dat de juiste uitleg ge¬ 
vonden is. Het is echter ook mogelijk, dat men door het vrij grote aantal conjecturen van 
Albright en de blijvende onzekerheden op verschillende punten van de tekst, huiverig staat 
tegenover de voorgestelde oplossing (vgl. het afwijzende oordeel van S. Mowinckel, Der 
achtundsechsigste Psalm, Oslo, 1953). 

Na zijn vrij radicale werk uit 1930 (Der Rythmus der alttestamentlichen Dichtung ) heeft 
A. Bruno in zijn laatste boek (Die Psalmen. Eine rythmisch'e und textkritische Untersuchung, 
Stockholm 1954) een milder standpunt ten aanzien van de netelige kwestie van het metrum 
aangenomen en toegegeven, dat een wisselend metrum in één en dezelfde psalm niet op een 
verwerking van twee liederen in één behoeft te wijzen. Begrijpelijkerwijze is ook met dit werk 
niet het laatste woord over de Oudisraëlitische metriek gesproken. 

Vermelding verdienen verder nog de werken van J. Steinmann (Les Psaumes, Paris, 
1951) en van J. Paterson (The praises of Israël. Studies Literary and Religiousin the Psalms, 
New York, 1950). Het laatste werk staat sterk onder de invloed van de Gattungsforschung 
van Gunkel. 

Job. Over de litteratuur ten aanzien van Job kunnen wij kort zijn, omdat wij voor de 
werken en artikelen, die de laatste dertig a veertig jaar over dit Bijbelboek zijn verschenen, 
uitstekend kunnen worden ingelicht door C. Kuhl in een zeer waardevol overzicht in ThR xxi 
(ï953), 163-205 (Neuere Literarkritik des Buches Hiob). Het artikel heeft dezelfde opmaak 
als zijn beschouwingen over Neuere Hesekiel-Literatuur (vide supra). K. is van mening, dat 
het proza en het gedicht oorspronkelijk los van elkaar staan en dat de gedeelten over de satan 
later in de Volks erzdhlung zijn ingelast. Niettemin blijft men het bezwaar voelen, dat de dia¬ 
logen daarmede hun noodzakelijke achtergrond, zoals de proloog die geeft, verliezen. 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


25 


De studie van J. Herz, Formgeschichtliche Untersuchung en zum Problem des Hiob- 
buches (Wissenschaftliche Zeitschrift der Karl Marx Universitat Leipzig 3 (1953/54), Ge- 
sellschafts- und Sprachwissenschaftliche Reihe, Heft 2/3, 157-162 is de schrijver van dit 
artikel slechts door de korte bespreking in ZAW 66 (1954) bekend. 

Ruth. Een in haar vooronderstellingen en conclusies zeer aanvechtbare studie verscheen 
van de hand van E. Robertson onder de titel: The Plot of the Book of Ruth (Manchester 
Univ. Press, 1950). Het boek Ruth is wezenlijk litterair van karakter en vormt een met 
behulp van Genesis 38 en Hosea 9 : 1 opgebouwde intrigue, waarbij Naomi Boaz in de val 
laat lopen. Het leviraatshuwelijk wordt dan ook ontkend. 

Hooglied. In de recente werken over het Hooglied blijft men de verschillende inter¬ 
pretaties van de oorsprong en bedoeling van dit boek aantreffen. De opvatting, dat wij slechts 
te doen hebben met een verzameling lief desliederen, wordt opnieuw verdedigd door R. Gordis 
(THe Song of Songs . A Study, Modern Translation and Commentary, New York 1954). 
Volgens G. is het boek geen eenheid, omdat er materiaal van een vijftal eeuwen in verwerkt is. 
H. Schmökel (Zur kultischen Deutung des Hokenliedes ZAW 64 (1952), 148-155) voert 
een hernieuwd pleidooi voor de cultische verklaring. Het gaat in het Hooglied niet om „eine 
lockere Sammlung profaner israelitischer Liebes- und Hochzeitslieder ..., sondern ... ein — in 
seiner heutigen Gestalt freilich völlig durcheinandergebrachtes und absichtlich verdunkeltes — 
Kunstlied einheitlicher Sprache und Gestalt... (150-1)”. Van oorsprong stonden deze liederen 
in verband met de Tammuz (Dumuzi)-cultus en zij bleven „als Text bauerlich-dörflicher 
Frühlingsfeiern unausrottbar; es galt bis in die letzten Tage des palastinischen Judentums als 
heilig und zusammengehörig (i5o) , \ De Joodse theologen bleef enkel de weg van de allego¬ 
rische exegese over: zo namen zij het Hooglied over en toen begon „die kunstvolle Arbeit 
ara Text des Buches, das alsbald durch Umstellung, Streichungen, Zusatze, Umdeutungen 
und dogmatische Korrekturen im weitesten Sinne seines ursprünglichen Characters entkleidet 
und zu einer für die Kanonisierung tragbaren Form verharmlost wurde (150)”. Helaas is het 
betoog van S. erg afhankelijk van hypothesen en opent de veronderstelling, dat de text door 
de Joodse theologen naderhand werd omgewerkt, de weg tot een wel bijzonder subjectief 
bepaalde exegese. 

De allegorische uitleg van het Hooglied heeft de laatste jaren ook opnieuw verdedigers 
gevonden. A. Feuillet acht in Le Cantique des Cantiques; étude de théologie biblique et 
réflexions sur une méthode d f exégèse (Paris, 1953) dit de enig juiste interpretatie. Hij wordt 
daarin gevolgd door A. Chouraqui in Le Cantique des Cantiques (Bruges, 1953) 5 ). 

Prediker. Met Zimmermann (JQR 36 (1945), I 7 " 45 ) en Torrey (JQR 39 (1948), 
151-160) poneert H. L. Ginsberg, Studies in Qohelet (New York, 1950), dat Prediker oor¬ 
spronkelijk in het Aramees werd geschreven, als zodanig in de derde eeuw werd afgesloten en 
eerst in de Maccabeën-tijd in het Hebreeuws werd vertaald. In tegenstelling daarmee ver¬ 
dedigt R. Gordis in Kohelet-Hebrezv or Aramaicf (JBL 71 (1952), 93-109) en in zijn boek 
Koheleth — The man and his world (Texts and Studies of the Jewish Theological Seminary of 
America Vol. xix, 1951, 59-62), dat Prediker van stonde aan in het Hebreeuws geschreven is, 
zij het dan ook door een auteur, die (als al zijn tijdgenoten) het Aramees beheerste. Het laatst¬ 
genoemde werk van G. geeft een uitvoerige inleiding, gevolgd door tekst en vertaling met 
commentaar. Volgens de auteur werd het boek in het midden van de derde eeuw in Jeruzalem 
geschreven door een Jood, die bekend was met de Griekse wereld. Alleen Pred. I, 1 en xii, 
9w. zijn redactionele toevoegingen van later datum. 

Daniël. Tegenover de these van H. H. Rowley, dat het gehele boek Daniël uit de 
Maccabeëntijd zou stammen (The Unity of the Book of Daniël, HUCA xxxm, Part I 
(1950-1951), 233-273 en The Servant of the Lord and other Essays, 1952, 237-268) blijft 
H. L. Ginsberg in een uitvoerig artikel in VT iv (1954), 246-275 zijn eigen visie op de 
compositie van het boek Daniël verdedigen, zoals hij deze gaf in zijn boek Studies in 

6 ) Vergelijk ook M. A. van den Oudenrijn, xrv, hrsg. Schweiz. Kath. Bibelbewegung) Freiburg. 
Vont Sinne des Hohen Liedes (Biblische Beitrage 1953. 







2Ó 


VIJF JAAR OUD-TESTAMENTISCHE INLEIDINGSWETENSCHAP 


Daniël (New York, 1948). G. verdeelt Daniël in twee gedeelten: Daniël A: The Book of 
Courtier Tales (vóór-Maccabees) en Daniël B: The Book of Apocalypses (Maccabees). In het 
laatste onderscheidt de auteur niet minder dan vier auteurs, die echter allen in de tijd van 
Antiochus Epiphanes hebben geleefd. 

Ezra-Nehemia. N. H. Snaith verdedigt in „ The date of Ezra’s arrival in Jerusalem” 
(ZAW 63 (1951), 53-66) opnieuw de these, dat Ezra eerst in 398/7 in Jeruzalem kwam. 
Volgens S. blijft er dan niets van gewicht over, dat in het verhaal weggeëxegetiseerd behoeft 
te worden: dit betreft enkel „the omission of „Nehemiah” from Neh 8, 9 and of the name 
„Ezra” from Neh 12,26 and 12,36. Volgens schrijver dezes is dit voor het eerste en laatste 
vers juist, maar blijft het een vraag, of Neh . 12,36 een glosse is. Ons ontbreekt helaas de 
ruimte hier nader op de argumenten van S. in te gaan. Bevreemdend is echter bij een datering 
van Ezra’s komst in 398/7 wel de conclusie van Snaith, dat er geen enkele reden is, „which 
necessarily involves a date later than 395 B.C. for the Chronicler’s activety (66)”. Als de 
Kroniekschrijver echter slechts drie jaar na Ezra’s komst geschreven heeft (hij heeft dan zijn 
gegevens dus niet kunnen vervalsen!), waarom zijn dan de memoiren van Ezra voor het 
grootste deel vóór die van Nehemia geplaatst (die volgens S. immers eerder in Jerusalem 
gekomen is) en waarom heeft de kroniekschrijver dan niet onderscheiden tussen Artaxerxes 
I en Artaxerxes II Mnemon ( Ezra vu, 7 en Nehemia II, 1; xiu, 6), waar immers zeer licht 
een vergissing mogelijk was? Dat men de werkzaamheid van de Kroniekschrijver omstreeks 
400 moet stellen, kan men goed met Snaith eens zijn (vgl. voor de argumenten Th. C. 
Vriezen, Oud-Israëlietische Geschriften, 238), maar het is eveneens waar, dat althans de 
Kroniekschrijver Ezra vóór Nehemia geplaatst heeft; juist bij de genoemde datering moet 
men dit feit niet te spoedig verwaarlozen. 


Overige geschriften 

Voor de overige boeken van het Oude Testament is ons slechts één inleidende studie 
bekend. In Die Quellen des Königsbuches (Halle, 1953) onderscheidt A. Jepsen naast de 
Synchronistische kroniek over de koningen van Israël en Juda) de A(nnalen dier vorsten). 
In het exiel werd het werk eerst geredigeerd door Jeruzalemse priesters (R 1), daarna door 
de Deuteronomistische school (R 2), terwijl de Levietische redactie uit de zesde eeuw nog 
iets toegevoegd heeft (R 3). 

Assen, Augustus-September 1955 A. S. van der Woude 


Postscriptum. 

Het is misschien niet ondienstig nog even te wijzen op enige belangrijke artikelen van 
recente datum, die direct met ons onderwerp te maken hebben. 

Over de Psalmen verscheen, behalve een artikel van S. Mowinckel {„Psalm criticism 
between 1900 and 193 5” VT v (1955), 13-33) een zeer waardevol overzicht van de littera¬ 
tuur over de Psalmen van de laatste 25 jaar van de hand van J. J. Stamm („Ein Viert eljahr- 
hundert Psalmenforschung”, ThR N.F. xxuiste Jahrgang (1955), 1-68). 

In „The composition of the book of Daniël” (VT v (1955), 272-276) antwoordt H. H. 
Rowley. kortelings op het artikel van Ginsberg in VT iv (1954), 246-275. 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


ALGEMENE PROBLEMEN, ISRAËL EN DE VOLKEN, DE CULTUS, HET PROFETISME, ESCHATO¬ 
LOGIE, KONINGSCHAP, HET SOCIALE LEVEN, GESCHIEDENISBESCHOUWING. 

Het is moeilijk de sector van de godsdienstgeschiedenis duidelijk af te perken tegen die 
van de theologie ener- en die van de geschiedenis anderzijds; mogelijk worden in dit opstel 
wel enige geschriften genoemd, die ook in andere hoofdstukken aan de orde zijn geweest. Wij 
maken hiervoor van te voren een verontschuldiging, evenals voor het feit, dat het niet moge¬ 
lijk is geweest compleetheid na te streven; daarvoor ontbraken schrijver dezes tijd en ge¬ 
legenheid. Hij dankt de heer A. S. van der Woude, theol. en litt. sem. docts, voor mede¬ 
werking bij het verzamelen en beschrijven van het materiaal. 

Zelfs wanneer men tracht een korte periode van wetenschappelijk werk te overzien, 
komt men onder indruk van de rusteloze activiteit, die de wetenschap eigen is. Ze brengt 
steeds weer nieuw materiaal binnen de gezichtskring en past dit in de vroeger bijeen gebrachte 
stof in, en is daardoor tevens steeds weer gedwongen tot revisie van eenmaal ingenomen 
posities. Het invoegen van nieuwe elementen in het mozaïek der gegevens laat meermalen 
bevroeden, dat de lijnen van de culturele en geestelijke ontwikkeling toch weer anders kunnen 
hebben gelopen dan eerder werd verondersteld. 

Moge het onderzoek op het terrein van de natuurwetenschappen tot veel meer specta¬ 
culaire resultaten leiden dan op dat van de geesteswetenschappen, toch komen ook daar 
frappante dingen aan de dag. Het is steeds weer de archaeologie die voor verrassingen zorgt 
en daarmee niet alleen de vroegere kennis completeert, maar ook vaak een nieuw raam 
schept voor oude materialen die op deze wijze in een geheel ander verband komen te staan. 
Behalve de archaeologie is het de verbetering der methoden van onderzoek, die tot nieuwe 
inzichten leidt. De historicus heeft wel geen radiotelescoop noch electronenmicroscoop tot zijn 
beschikking, maar hij kan door nauwkeuriger vergelijkende methoden trachten zijn materiaal 
beter te schiften en te ordenen. Door steeds meer materiaal tot zijn beschikking te krijgen 
ennerzijds en door steeds strenger methodisch onderzoek van bekende facta anderzijds wordt 
de mogelijkheid tot nauwkeurige comparatie groter en komt daardoor de kans de kennis te 
preciseren of ook te herwaarderen naderbij. 

Merkwaardig is op te merken hoe zeer nog steeds de resultaten, tengevolge van de 
verschillen in uitgangspunt bij de onderzoekers, van elkander afwijken, met name ten aan¬ 
zien van de datering der bronnen. De betekenis die deze heeft voor een beschouwing van 
de ontwikkelingsgeschiedenis zelf is natuurlijk enorm. Hiermee hangt ten nauwste samen 
de waardering van wat men hapaxlegomena zou kunnen noemen; zijn deze inderdaad typerend 
voor een oude cultuurlaag, welker aanwezigheid zich daardoor toevallig verraadt of zijn ze 
survivals die feitelijk al in de cultuurlaag, waarin ze voorkomen, zijn geantiqueerd ? Met 
andere woorden, moet men deze bijzondere elementen in bepaalde bronnen sterk naar voren 
halen als indicaties voor de ouderdom van een bepaalde tekst, of voor de Vorlage van bepaalde 
omgewerkte teksten, of kan men ze op de achtergrond laten liggen als verdwaalde oude 
zwerfstenen, die toevallig bewaard zijn gebleven in een jonger tijdvak, waarin ze alleen als 
rariteiten moeten gelden. Ik denk aan de waardering van bepaalde antieke elementen in lit¬ 
teraire teksten — geven die grond voor een zeer oude datering der teksten of moeten ze op 
grond van het tekstmateriaal als bepaalde petrefacten worden beschouwd die wel antiek zijn 
naar de vorm, maar nieuwe waarden hebben verkregen, zodat men hieruit geen conclusies 
kan trekken in de richting van een zeer oude datering? Om enkele voorbeelden te noemen: 
Op grond van verwante motieven in Ps. 68 en de Ugarit-teksten (die overigens vaak door hem 
gereconstrueerd zijn, maar dat is hier niet het punt dat aan de orde is) komt Albright in 
een studie A Catalogue of Early Hebrew Lyric Poems ( Ps . lxviii) in HUCA xxiii tot 
de conclusie dat men bij Ps . 68 te doen heeft met zeer oud materiaal dat in de tijd van vóór de 
koningen thuis hoort. Terecht heeft S. Mowinckel in zijn zeer lezenswaarde exegetische studie 
Der Achtundsechzigste Psalm, 1953, principiële bezwaren tegen Albright’s methode (blz. 69 








28 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


vgl.) en wel allereerst, dat hij de archaeologische methode direct overdraagt op het gebied van 
het literatuuronderzoek: „Eine Topfscherbe kann stilgeschichtlich recht genau datiert werden, 
und eine einzelne datierbare Scherbe kann genügen, eine ganze archeologische Schicht einiger- 
massen sicher zu datieren. Eine einzelne sprachliche und phraseologische Berührung zwischen 
zwei Texten ist aber kein Beweis der Gleichzeitigkeit derselben, besonders nicht wenn man 
die Macht der literarischen und stilgeschichtlichen Traditionsgebundenheit durch viele Jahr- 
hunderte bedenkt”. 

Dit lijkt mij zeer juist gesteld. Daarom vrees ik ook, dat de knappe studie van Dr F. M. 
Cross, een leerling van Albright over Exodus 15, in JNES, 1955, die op grond van be¬ 
paalde parallelen in stijlvorm en uitdrukking, ondanks het steeds zeer ernstig gevoelde bezwaar 
dat de uitdrukking c Uw heilige woonstede 3 in vs 13 geen ontstaan in de voorkoningstijd toe¬ 
laat, rustig wel daartoe concludeert, en daarbij aan de onderhavige uitdrukking een heel nieuwe 
interpretatie geeft, nl. dat het hier niet gaat om het heiligdom van Jeruzalem, maar om een der 
oude door Israël overgenomen heiligdommen. 

Deze methode komt mij willekeurig voor. Men kan toch ook niet Jes. 27 : 1 w, op grond 
van de verwantschap van vs p met de Ugaritteksten terug dateren in de periode van David of 
ver daarvoor. Ik vrees zeer, dat men op deze wijze het Bijbelonderzoek meer schaadt dan 
vooruit brengt. 

Zo is het op andere wijze met een tekst als Ps. 45 : 7, waarvan het kis a ka °elohim c olam 
wa c ed meermalen (o.a. ook weer door Mowinckel in He that comes) (zie onder eschato¬ 
logie) een basis geacht wordt voor de cultische koningsgedachte, terwijl deze Psalm noch 
een der andere koningspsalmen daartoe aanleiding geeft. De uitdrukking kan grammatisch 
zonder meer vertaald worden als: Uw goddelijke troon zal immer bestaan (vgl. bijv. Ps. 71 : 7 
machasi- c oz, en ook Hab. 3 : 8b). Dan geeft dit woord een goed verband en geheel. 

Men zal de kwestie steeds moeten stellen: hoe functioneert een bepaalde formule in een 
bepaald verband? Wanneer in Ps. 110 de figuur van Melchizedek genoemd wordt, mag men 
uitgaan van de gedachte dat deze naam een levend element vormt in de situatie die de Psalm 
beschrijft. 

Een dergelijke formule toegepast op Simon de Makkabeër, zoals ook R. H. Pfeiffer nog 
wil in zijn Introduction, lijkt mij in de lucht te hangen, terwijl het gebruik ervan in Davids 
dagen in Jerusalem, waarin nog een levende traditie van Melchizedek kan hebben bestaan, 
zoveel natuurlijker klinkt. Terecht hebben H. H. Rowley: Melchizedek and Zadok {Gen. 14 
and Ps. 110) in het Festschrift für Bertholet, 1950, 466, A.R. Johnson in Sacral Kingship in 
Ancient Israël, 1955, 43 en H. Schmid : Jahwe und die Kulttradition von Jerusalem. ZAW., 
Ï9S5, gepleit voor deze samenhang. 

Pas wanneer een woord in een bepaalde historische of godsdiensthistorische samenhang 
functioneert, zal men er een conclusie ten aanzien van een bepaalde datering aan mogen ver¬ 
binden. Maar men mag niet op grond van een blote litteraire parallellen litterair-historische 
conclusies trekken. 

Nu schept natuurlijk ook deze kwestie van de functie van een bepaald woord of een 
bepaalde uitspraak binnen het geheel van de taal of van een bepaald litterair verband haar eigen 
problemen. De vraag doet zich voor of men beslist kan uitgaan van de noodzakelijkheid dat een 
bepaald begrip in een taal steeds op juiste wijze functioneert. In het bijzonder interessante boek 
van Jean Bottéro: Le problème des Habiru, 1954 merkt B. Landsberger, p. 161, op dat 
zelfs de minst beschaa'fde Hebreër het woord c Ibri niet anders kan begrijpen dan: „die van 
gindse zijde,” en dat het van linguïstisch gezichtspunt gezien uitgesloten is dat er een Lehn- 
wort heeft kunnen bestaan dat zich op het moment van ontlening, leende voor een verkeerd 
begrip. 

Hij wil op grond daarvan zijn betoog dat Hapiru en c Jbri onmogelijk equivalenten kunnen 
zijn, steunen. Het schijnt mij echter dat de redenering niet helemaal klopt, en wel omdat het 
woord Abri in het Hebreeuws een eigennaam is. Antieke namen die eigennamen zijn of als 
zodanig worden beschouwd, kunnen heel wel in een jonger stadium een nieuwe betekenis krij¬ 


godsdienstgeschiedenis van israEl 


29 


gen; juist omdat ze niet meer begrepen werden, werden ze volksetymologisch verstaan; denk 
aan namen als Jakob en Babel. Zo zou het ook met Abri kunnen zijn geweest. Dat de He¬ 
breden er iets anders onder verstonden dan de ontleende naam oorspronkelijk in een andere 
taal had betekend, getuigt niet tegen de mogelijkheid dat het, volksnaam geworden, woord oor¬ 
spronkelijk een heel andere betekenis had dan de latere gebruikers van het woord zelf begrepen. 

In een andere richting ligt het probleem dat P. A. H. de Boer in zijn Second JsaiaKs 
Message (O.T.S. xi), 1956 stelt, die op grond van het feit dat Deuterojesaja overigens het heil 
alleen aan zijn eigen volk predikt, concludeert dat bepaalde plaatsen waar in Deuterojesaja 
oproept tot het prediken van het heil aan de volken, niet mogen uitgelegd worden in een uni¬ 
versele zin, alsof de profeet een heilsboodschap wilde doen uitgaan tot andere volkeren. Hier 
komt de vraag op of men het geheel zozeer mag doen domineren over het bijzondere, dat men 
een tekst coüte que coüte in de zin van het geheel moet uitleggen? Hier is de gedachte van het 
functioneren van onderdelen als deel van het geheel te strak doorgevoerd. Zo zou men ook moe¬ 
ien ontkennen (met vroegere critici) dat Amos, wiens boek één onheilsprofetie vormt, geen heils- 
profetie kan hebben gesproken. Alsof een profetisch boek niet verschillende motieven kan 
aanslaan. Het is goed, dat het functionele motief wordt gesteld en er meer ernst mee wordt ge¬ 
maakt — het raakt ook, zij het naar een andere zijde, de vraag van Gunkel naar de Sitz im 
Leben —, maar men zal dit niet als het volstrekt alles beheersende mogen beschouwen. 

Ik vrees, dat ook in andere sectoren de dingen wel eens te eenzijdig worden gesteld en 
daardoor scheef worden getrokken, met name bij die onderzoekers, die zekere formules terug¬ 
brengen tot bepaalde levensgebieden en op grond daarvan concluderen dat ze alleen maar in 
die sector thuis horen. Daarin ligt mijns inziens ook de grens van het zogenaamde formge- 
schicktliche onderzoek. Men zal moeten toegeven dat litteraire vormen — ook al hebben ze 
mogelijk op een bepaald levensterrein hun oorsprong — ook in andere kringen kunnen worden 
gebruikt: juridische uitdrukkingen in het dagelijkse leven en zelfs in de prediking, priesterlijke 
terminologie bij profeten, wijsheidselementen bij profeten (men zie bv. voor het laatstge¬ 
noemde het weloverwogen opstel van J. Lindblom in het Rowley Festschrift, Wisdom in the 
O.T. Prophets .) 

Dit zijn zo enkele van de algemene problemen, waarmee men worstelt als men godsdienst¬ 
historisch werkt; ze laten zien hoezeer de godsdienstgeschiedenis samenhangt met het hele 
terrein van de Oudtestamentische wetenschappen en niet het minst met de methode van exe¬ 
gese. 

ISRAËL EN DE VOLKEN 

Alvorens op de verschillende terreinen, waarmee de godsdienstgeschiedenis van doen 
heeft, een blik te werpen, zij eerst een korte samenvatting gegeven van enkele archaeologische 
facta, die voor haar van betekenis zijn 1 ). Enkele der belangrijkste, uit Palestina zelf komende, 
zijn 1) de vondst van een tablet met een deel van het Gilgamesj-epos in de ruïnes 
van Megiddo, in Middelassyrisch schrift, welke aantoont, dat inderdaad ook in het voor- 
israëlietische Kanaan dit gedicht onmiddellijk bekend is geweest, waardoor de moge¬ 
lijkheid dat de oud-Israëlietische schrijvers (en we denken daarbij allereerst aan de auteur van 
de verhalen in Genesis) zich direct hebben georiënteerd aan en af gezet tegen gedachten die 
in dit epos worden uitgesproken, nadrukkelijk in rekening moet worden gebracht. De West- 
semietische Phoeniecische wereld behoeft op dit punt niet per se het intermediair tussen Is¬ 
raël en Babel te zijn geweest 2) de vondst van het Astarte-heiligdom in Naharijamet zijn barna, 
votiefgaven en cultusvoorwerpen, welke een nieuw licht werpt op de Kanaanese religie; 3) de 
opgraving van Teil el Qedah (Hazor), die niet alleen aantoonde dat de stad tot in de 13e eeuw 
heeft bestaan, maar ook twee kleine Kanaanietische tempels aan de dag bracht uit de laatste 
bronzen periode; een dezer had een grote hoger gelegen centrale nis die het „heilige der 
heiligen” vormde, waarin een basalten godenbeeld (?) op een troon en een rij van stèlai werd 

1 ) Een retrospectieve samenvatting van wat er de vinden in W. F. Albright: The Bible af ter 20 years 
laatste 20 jaar op dit gebied is gepresteerd en de be- of Archaeology, 1954 (Reprint from Religion in Life 
tekenis daarvan voor de Bijbelwetenschap kan men 1952) 













30 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


gevonden (zie nu BA xix, 1956). Deze vondst is zeker van betekenis in verband met de 
voorstelling die men zich moet maken van het heilige der heiligen in de Jeruzalemse tempel; 
ze bevestigt de gedachte, die Galling op grond van de tempel te Beth Sean reeds voor jaren 
heeft verdedigd, dat het heilige der heiligen veel hoger moet hebben gelegen dan het heilige, 
vgl. diens Biblisches Redlexikon s. v. Tempel en E zee hiel 2 in het Handbuch z. AT. (uitg. 
door G. Fohrer) 1955, 234; zie ook BA xiv, 1951, 1S 1 ); 4) de ontdekking van de ligging 
van Gilgal door J. Muilenburg ten N. van Teil es Sultan (BASOR 140, Dec. 1955) 

Ten aanzien van Ugarit is de litteratuur, ook in verband met de betekenis dezer op¬ 
gravingen voor het O.T. en de godsdienst van Israël, onoverzienbaar. Toch willen we enkele 
publicaties noemen. De belangrijkste voor ons doel zijn die welke vanuit Ras Sjamra het 
Israëlietische Godsgeloof belichten. O. Eissfeldt heeft in een der Berichte über die Verhand - 
lungen der sdchsischen Akademie von Wissenschaften zu Leipzig, „El im Ugaritischen Pan- 
theori’, 1951, de figuur van de Ugaritische El beschreven en laten zien, dat hij de grote 
High God is, die zelfs een universeel karakter kan dragen 2 ). Deze El ziet hij, blijkens een 
opstel in het bovengenoemde RowLEY-Festschrift, p. 94 ff.: Religionshistorie und Religions- 
polemik als achtergrond van de aartsvader-religie. Ook F. Lokkegaard is in het Pedersen- 
Festschrift: Studia Orientalia, 1953, m een opstel.: A Plea for El, the Buil and other Ugaritic 
Miscellanies, tegenover A. S. Kapelrud : Baal in the Ras Shamra texts, Copenhagen, 1952, 
opgekomen voor het levende karakter der Elreligie in Ugarit. Hij is geen deus otiosus , maar 
als centrale godheid ervoor garant, dat het evenwicht tussen de seizoenen wordt bewaard. 
Ook hij legt verband tussen de Elreligie en het Jahwisme; dit heeft het Eltype in zich opgeno¬ 
men. Eissfeldt ontkent in zijn eerstgenoemde opstel dat de naam Jahwe in Ugarit voorkomt. 
In de onderhavige tekst is te lezen: jm, niet jw, of met Th. Gaster: Thespis, 1950, Jr. Het 
is onmogelijk hier op de litteratuur van de Ugaritteksten zelf in te gaan. Een uitzondering 
wil ik maken voor de bijzonder belangrijke vertaling met aantekeningen in modern Hebreeuws 
van de helaas overleden Professor M. D. Cassuto: Ha 0 ela c Anat, 1953. We noemen nog 
slechts in ons verband: John Gray: Cultic Affinities between Israël and Ras Shamra, ZAW 
1950, 207. ff, die besluit met de conclusie dat „it is the differences rather than the similarities 
which impress”. In dezelfde geest schrijft T. Worden: The Litterary Influence of the Ugari¬ 
tic Fertility Myth on the OT. (VT III, 1953, 273 ff.), die vaststelt dat de mythe rond 
Baal en Mot wel de taal en de cultus in Israël heeft beïnvloed, maar niet de Godsvoorstelling. 

Ook Mari heeft vanuit zijn schatkamer nieuw licht op bepaalde elementen van het OT. 
doen vallen. Zo heeft M. Noth dit ten aanzien van de persoonsnamen opgevangen in zijn 
studie in het Alt -F estscHrift onder de titel Mari und Israël. In het bijzonder trekken de 
aandacht namen samengesteld met de stam c aqab, waarvan het Hebreeuwse Ja c aqob komt. 
Men kan hiervoor ook de naamlijst raadplegen in Jean Bottéro en A. Finet: Répertoire 
analytique, 1954 zie sub c aqba en Haqba. Trouwens ook Ras Sjamra heeft bepaalde interessante 
parallelen als jaqubba’al, jaqubbinu jaqubjanu (J. Nougayrol: Textes accadiens et hour- 
rites, Le palais d y Ugarit, III, 1955, 261). Naast Noth moet genoemd worden Ch. F. Jean: 
Les Noms pro pres de pers onnes dans les lettres de Mari et dans les plus anciens textes du 
Pentateuque”, La Bible et TOrient, 1955, 121 ss. 

Een algemeen overzicht van de verbanden van beide gebieden geeft A. Parrot: Les 
tablettes de Mari et VAncien Testament, RHPR 1950, 1 st. Vgl. ook zijn bijdrage in La Bible 
et l f Oriënt 117 ss. Mari et 1 ’Ancien Testament. 

Tenslotte moet nogmaals melding gemaakt worden van Jean Bottéro: Le problème des 
Habiru, 1954, dat een overzicht geeft met nabeschouwingen over wat er op de 4de Rencontre 
assyriologique internationale in 1953 over dit probleem te berde is gebracht. Talrijke teksten 


1 ) Vgl. naast Galling’s reconstructie van het 
tempelplan ook K. Ecliger: Die grossen Tempel- 
sakristeien im Verfassungsentwurf des Ezechiel (42, 
i ff.) Alt-Festschrift, 1953, 79 ff. 

2 ) Dit wordt bestreden door M. H. Pope: El in 


the Ugaritic Texts (Supplements to V.T. II 1955); 
vergelijk de brede kritiek daarop van F. L0kke- 
gaard : Baals Fald, in Dansk Teologisk Tidsskrift, 
19, 1956, 65-82. 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


31 


uit Noord-Mesopotamië, Mari en Ras Sjamra hebben het probleem moeilijker en interessanter 
gemaakt; in het boek komen de voor- en tegenstanders van de verbinding van het woord 
Habiru en Hebreeën aan het woord. Ook A. de Buck heeft van egyptologische zijde het pro¬ 
bleem belicht (evenals G. Posener in het boek van Bottéro) in een bijdrage in het By- 
vanck -Festschrift, Varia historica, 1954, onder de titel: De Hebreeën in Egypte. 

Het Habiru-vraagstuk heeft schijnbaar minder te maken met de religie van Israël, hoewel 
een zijdelings verband toch wel aanwezig is. Indien de samenhang Habiru-Hebreëen als oor¬ 
spronkelijk zou moeten worden gehandhaafd, en de Habiru van origine refugié’s zijn geweest, 
zou dit een licht kunnen werpen op de geestelijke habitus van de Israëlstammen, wier heils¬ 
gedachte én zorg voor de armen en verdrukten, wier historische bewustzijn van verloste slaven 
te zijn, in zovele opzichten centraal is en het Godsgeloof heeft beheerst. 

De namenstudie van Mari en Ugarit, die zoveel parallelen bieden met de O.T-ische namen, 
zijn niet alleen historisch, maar ook godsdiensthistorisch van betekenis, omdat ze de mogelijk¬ 
heid geven althans enigzins het uitgangspunt van de Israëlietische geschiedenis en religieuze 
traditie nader te komen. Dat een naam als Jakob, die later niet meer voorkomt in Israël, zijn 
pendant vindt in oud vóór-Israëlietisch materiaal, toont tenminste aan, dat in de religieuze tra¬ 
ditie van Israël oude voor-historische gegevens bewaard zijn. De naam Jakob, die in de traditie 
zelf niet meer begrepen is, krijgt daardoor des te meer historisch en godsdiensthistorisch relief. 

Wij kunnen van Mari geen afscheid nemen zonder even het probleem van het profetisme, 
dat aldaar bepaalde trekken van gelijkheid met het Hebreeuwse nabiisme vertoont, te hebben 
genoemd. Herinnerd wordt aan de bijdragen van W. von Soden : Verkündigung des Gottes- 
willens, Die Welt des Orients, 1950, 379 ff., F. M. Th. de Liagre Bom,, Profetisme en plaats 
vervangend lijden in Assyrië en Israël, NTT iv, 81 vv, 161 vv., A. Lods: Une tablette in- 
édite de Mari, in Th. H. Robinson-F estschrift: Studies in O.T. Prophecy, 1950, in ff., 
N. H. Ridderbos: Israëls profetie en „profetie buiten Israël”, 1955 en A. Malamat : Nissane 
nebou^a bet c oudot Mari, Eres Jsraël 1955. 

Men krijgt hoe langer hoe meer de indurk, dat wij, ten aanzien van de oudste tijd van 
Israëls religie en van verschillende harer uitingen, aan het begin staan van een nieuwe periode 
van onderzoek; wij verkeren nog in het aanvangsstadium van de verwerking van het nieuw 
geboden materiaal, dat van een grote veelzijdigheid en in vele opzichten van een moeilijke 
weerbarstigheid is. Wij moeten ons tot deze enkele opmerkingen beperken, en kunnen de kring 
niet wijder trekken naar Babel en Egypte, ofschoon op deze gebieden met name het eerste, 
bv. ten aanzien van de rechts- en wijsheidslitteratuur, wel het een en ander te zeggen zou zijn. 

Als overgang naar het Bijbelse materiaal noemen wij de studies over de God Karmel, 
waarover K. Galling: Der Gott Karmel und die Achtung der fremden Götter, in het Alt- 
Festschrift, 105 ff, en O. Eissfeldt: Der Gott Karmel (Sitzungsberichte der deutschen Aka¬ 
demie Berlin 1953, 1) hun licht hebben laten schijnen; het blijkt op grond van een nieuw ge¬ 
vonden inschrift, dat er een afzonderlijke Baal werd vereerd. Interessant is in dit verband ook 
Alt’s Der Stadtstaat Samaria (Berichte Sachsischen Akademie, Leipzig, 1954) waarin wordt 
geponeerd dat de stad Samaria tijdens het bewind van het huis van Omri een geheel eigen 
politieke en religieuze status had, zodat het mogelijk was daarin de Phoeniecische cultus van 
Melkart in te voeren, welke in het overige deel van Israël, dat de Jahwedienst als officiële 
staatscultus had, was uitgesloten. 

Hiermede is de overgang naar het meer directe bijbelse materiaal gemaakt. Er zijn op dit 
terrein talrijke opstellen en geschriften, als over de bomen in Gen. 2 en 3, die feitelijk tot het 
gebied der exegese moeten worden gerekend, hoewel ze een godsdiensthistorisch onderwerp 
behandelen. Ik denk aan de bijdragen van Johs. Pedersen: Wisdom and Immortality, en I. 
Engnell : „Knowledge” and- „Life” in the Creation Story, in het Rowi.B.Y-Festschrift. Dich¬ 
terbij ligt de studie van O. Eissfeldt in het F edersen -F estschri ft over Gott und das Meer 
in der Bibel, waarin het mythische motief van de zee als vijandige grootheid blijkt op te gaan 
in de voorstelling van de schepping der zee door God. 

Over het probleem van de mythe in het O.T. schreef J. Hempel een voortreffelijke bij- 









3 ^ 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


drage in ZAW 1953: Glaube, Mythos und Geschichte im A.T., 109 ff., waarin behalve op 
de Entmythologisierungstendenz van het A.T. gewezen wordt op het behoud van een „aus 
seinem innersten Glaube heraus neugestaltete Mythos”. Ook B. J. van der Merwe heeft in 
zijn Groningse dissertatie: Pentateuchtradities in de prediking van Deuterojesaja, 1956, dit 
probleem nadrukkelijk aan de orde gesteld (191 vv.). Meer op theologisch terrein werden nog 
verschillende opstellen gepubliceerd over de schepping in het O.T. die wij daarom hier laten 
passeren. 

Een belangrijk punt dat meermalen aan de orde is gekomen, is de religie der aartsvaders 
en daarnaast de plaats die de aartsvaders in het geheel der religieuze traditie hebben ingenomen. 
Ten aanzien van het eerste is men, bij gebreke aan materiaal nog niet veel verder gekomen ook 
al is de aartsvaderperiode door de vondsten der archaeologie historisch in het gezichtsveld ge¬ 
treden. Dit blijkt ook wel uit de fraaie opstellen van Père de Vaux in RB 1946, 1948, 1949 
over Les Patriarches hébreux et les découvertes modernes, die wel de historische, ethische en 
juridische achtergrond belichten, maar niet de godsdiensthistorische. Ook J. Starcky in een 
opstel Abraham dans Vhistoire in het verzamelwerkje Abraham, père des croyants (Cahiers 
Sioniens 1952) spreekt zich nauwelijks over de godsdiensthistorische vragen uit, al snijdt hij de 
vraag even aan. Tegenover Alt’s Gott der Vat er, die aan een meervoudige vorm van verering en 
openbaring dacht, stelt Buber in zijn Der Glaube der Propheten, 1950 — de Duitse uitgave 
van Het Geloof van Israël in het bekende verzamelwerk De Godsdiensten der Wereld — de 
eenheid van Godvoorstelling der aartsvaders, terwijl Eissfeldt in zijn genoemde opstel in 
het Rowley -Festschrift tegenover of naast Alt’s opvatting de aandacht vraagt voor de El- 
religie. Het blijft wel waarschijnlijk, dat in de patriarchenperiode met een gedifferentieerde 
religieuze instelling gerekend moet worden, waarbij zowel elementen als die door Alt 
als door Eissfeldt in het geding zijn gebracht, een rol spelen. Indien dit zo is, dan bleef 
het aan het Jahwisme voorbehouden de eenheid in Israëls godsdienst te brengen. Hierin kun¬ 
nen verschillende trekken der voor-mozaïsche religie in zijn opgenomen. Deze heeft dan 
partieel deel aan het latere Jahwisme, zonder dat dit partiële precies kan worden gedefinieerd en 
nog minder over de in de litteraire traditie voorkomende patriarchenfiguren kan worden ver¬ 
deeld. De tweede kwestie (de plaats der aartsvaders in de religieuze traditie van Israël) wordt 
in het genoemde boekje Abraham, père des croyants door J. Guillet weinig fundamenteel 
behandeld. Zakelijker is P. A. H. de Boer: Gods beloften over land en volk in het O.T., 1955. 
Tenslotte mag nog weer verwezen worden naar B. J. van der Merwe’s dissertatie, die gron¬ 
dig op de aartsvaderstradities in het O.T. ingaat. 

De plaats van Mozes in de Israëlietische godsdienstgeschiedenis is historisch slechts weinig 
nauwkeuriger vast te legen. In Noth’s Geschichte Israëls, 1950, 2 1954, verdwijnt hij bijna 
geheel achter het amphiktyonieverband en zijn oude tradities, een feit waarbij W. Zimmerli 
in een bespreking in de Göttinger Gelehrten-Anzeiger van Januari 1953 de vinger heeft ge¬ 
legd en waartegenover ook O. Eissfeldt in de Th Lzt. 1951, Sp. 335 ff. zijn twijfel heeft 
uitgesproken. Rowley heeft na eerst de historische tradities in verband met de Mozaïsche 
periode te hebben onderzocht ( From Joseph to Joshua, Schweich Lectures 1948, verschenen 
in 1950), later de kwestie van Moses and the Decalogue opnieuw gesteld (BJRL 1951), waarin 
hij de beide Dekalogen, zowel de cultische als de ethische, uit de vóór-mozaïsche tijd laat af- 
stammen en met de Kenieten in verband brengt. De cultische Dekaloog heeft min of meer 
in de oude vorm voortbestaan, terwijl de ethische Dekaloog vernieuwd werd in Mozaïsche zin. 
De Cahiers Sioniens wijdden een groot aantal opstellen aan Mozes, die werden gebundeld in 
Moise, Uhomme de VAlliance. Godsdiensthistorisch komt er ten aanzien van de Mozaïsche tijd 
weinig uit de bus, wel is de betekenis van Mozes voor Jodendom, Christendom en Islam mooi 
belicht. 

Na Bubers Moses, dat reeds van 1947 is, schreef ook E. Auerbach een boek, Moses 
geheten, 1953, waarin hij de traditie historisch tracht te benaderen. De Kades -sagen zijn 
gedeeltelijk vóór-mozaïsch, de hoofdpunten der traditie: de uittocht uit Egypte, het mono¬ 
theïsme, de openbaring van de Jahwenaam, de Sinaïtraditie en de tien geboden worden als 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


33 


historisch gehandhaafd. Wat de Jahwenaam zelf betreft, heeft S. D. Goitein een heel nieuwe 
verklaring naast de vele andere gesteld: Ylvwh the passionate (VT 6, 1956 1 'ff.). Yhwh is 
ontstaan uit 'reduplicatie van het niet-Israëlietische Yah, dat imperfectum is van hwy: c harts- 
tochtelijk liefhebben 0 . Voor mijn eigen verklaring v/ijs ik naar mijn opstel °Ehje aser °ehje, 
in het Bertholet-F estschrift van 1950. Sindsdien zijn mij nog onder het oog gekomen een 
opstel van Dubarlez in de Revue des Sciences philos et théoL 1951, die tegenover mij o.a. 
verdedigt dat de naam van Jahwe „suggère Timpossibilité de définir Dieu”; eveneens uit dat 
jaar A. Murtonen: The Appearance of the Name JHWH outside Israël, 1951, die — evenals 
Eissfeldt — ontkent dat JW in de Ugarit-teksten voorkomt, en M. Reisel : Een interpretatie 
van Ehjah aser ehjeh in Besoekkath Davied, (verklaart Ex. 3 : 14 vanuit 6:2). 

Over de naam Jahwe Sebaoth zijn er twee opstellen gekomen in 1950, nl. van O. Eiss¬ 
feldt: Jahwe Zebaoth (Miscellanea Academica Berolinensia 1950, 128 ff.) en V. Maag: 
Jahwe’s Heerscharen, (Köhler -Festschrift, Schw. Th. Umschau 27 ff.) ; de eerste legt de 
nadruk op de alomvattende betekenis van sebaoth, de tweede ziet sebaoth als de machteloos 
gemaakte mythische natuurmachten van Kanaan, die door Jahwe worden overtroffen. 

Wat de ontwikkeling van het Jahwisme aangaat, zij allereerst herinnerd aan H. H. Row¬ 
ley : The Antiquity of Israelite Monotheism, Exp. Times, 1949/1950, 333 ff. die de oor¬ 
sprongen van monotheïsme en universalisme reeds in de Mozaïsche tijd aanwezig acht. In ver¬ 
band daarmee noem ik nog het reeds in 1948/1949 in het NTT verschenen artikel van H. 
Brongers: De betekenis van het substantief °elohim in de juridische teksten van Het O.T. 
(blz. 321 w.) 

Interessant is in het bijzonder de these van H. Schmid : Jahwe und die Kultustraditionen 
von Jemsalem, ZAW, 1955, 168 ff., dat met de verovering van Jeruzalem een versmelting 
plaats vond van de voor-Israëlietische °El c cljon (de schepper-koning van Jeruzalem) met 
Jahwe, de God van de uittocht Sinaï en de ark. In dezelfde richting wijst het reeds genoemde 
boek van A. R. Johnson: Sacral Kingship in Ancient Israël, 1955, waarop nogmaals moet 
worden teruggekomen bij de litteratuur over de psalmen. Voor de ontwikkeling van de ge¬ 
dachte van het Koningschap van Jahwe zie men het beneden genoemde opstel van Alt. 

DE CULTUS 

Daar wij reeds het terrein van de cultus hebben betreden, kan het beste daarop doorgegaan 
worden. Allereerst moet hierbij gewezen worden op S. Mowinckel: Religion und Kultus y 
1:953, waarin een phaenomenologie van de cultus wordt gegeven, welke als het centrale gods¬ 
dienstige feit wordt gesteld; deze these geldt volgens M. ook voor het O.T., waarvan hij in 
vele opzichten uitgaat. Het boek is niet alleen een zeer welkome inleiding in de cultusverschijn- 
selen, maar ook in de gedachtenwereld van Mowinckel zelf, die hier systematisch wordt toe¬ 
gelicht. Daarnaast moet genoemd worden H. J. Kraus: (vgl. ook diens voortreffelijk oriën¬ 
terend artikel: Der gegenwartige Stand der Forschung am A.T. in Die Freiheit des Evcm- 
geliums und die Ordnung der Gesellschaft, 1952, 103 ff.) Gottesdienst in Israël, 1954, waarin 
het loofhuttenfeest wordt bestudeerd onder het aspect van de „historische ontwikkeling van de 
centrale cultus van het twaalfstammenverband”. In het genoemde feest onderscheidt Kraus 
historisch de oude geregelde verbondsvernieuwing in het amphiktyonieverband in Sichem, een 
oud tentfeest van een natuurlijke orde in Silo en een later koninklijk Zionsfeest in Jemsalem, 
tijdens hetwelk het verbond met David wordt gevierd, en waarin het feest van de verbondsver¬ 
nieuwing van Sichem opgenomen werd. In Josia’s dagen wordt dit laatste verbonden met de 
Sinaï openbaring en na het exiel het oude tentfeest, loofhuttenfeest, er in geïncorporeerd. Een 
troonsbestijgingsfeest in de zin van Mowinckel wordt afgewezen. 

Over de cultuscentralisatie in Deuteronomium schreef V. Maag in VT 1956, 10 ff.: 
Erwagungen zur deuteronomischen Kultuszentralisation; de grond daarvoor was het geloof 
in de verkiezing van dit heiligdom alleen door Jahwe, hetwelk weder zijn historische ach¬ 
tergrond had in gebeurtenissen van 701; het gevolg is de opheffing van het locaal-cultische 

Jaarbericht n°. 14 3 






34 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


zebach-oiïer , dat tot de Steppen-Hirtenkultur behoort; de opheffing was mogelijk onder 
invloed van de Pflanzen-Kultur. Over Hebrew °Olak and Zebach Sacrifices schreef onder 
deze titel W. B. Stevenson in het Bertholet -Festschrift, 488 ff.; het eerste is het oude 
dieroffer, bij verschillende gelegenheden gebruikt, het tweede is een feestelijke viering van 
een godsdienstige dankdienst met een maaltijd verbonden; het laatste verloor zijn betekenis 
na de verheffing van Jeruzalem als centraal heiligdom. Over de betekenis van het offer in het 
algemeen in Israël schreef H. H. Rowley: The Meaning of Sacrifice in the O.T. (BJRL 
1950). S. H. Hooke behandelde The Theory and Practice of Substitution in VTII 1952,2 ff., 
naar aanleiding van de figuur van de sar puhi en van de zondebok. De wijze der plaats¬ 
vervanging ontwikkelt zich in Israël van ethisch-neutraal naar ethisch-geladen, zoals uit¬ 
uitkomt in de Ebed Jahwe-figuur van Jes. 53. Over de besnijdenis in Israël handelde F. 
Sierksma in een opstel in OTS ix 136 ss.; hierin wordt deze als een oorspronkelijke 
apotropeïsche initiatierite gezien ter af weer van een demonische Jahwe (Ex. 4 : 24-26). 

Cultus-historisch zijn de opstellen van H. J. Kraus: Gilgal, VT 1951, 181 ff.: deze plaats 
heeft reeds vroeg Sichem als centrum der amphiktyonie vervangen; ermee verbonden werden 
Jos. 3 en 4, als cultuslegende van een feest van de uittocht uit Egypte en de bezitneming van 
het land; en van C. A. Keller : Über einige altestamentliche Hëiligtumslegenden, ZAW 1955, 
141 ff. waarin de legenden rondom Sichem en Of ra worden onderzocht en nagegaan hoe en 
waarom de Israëlietische traditie het overleveringsmateriaal van de Kanaanietische heiligdom¬ 
men heeft opgenomen en verwerkt; het artikel wordt nog voortgezet. Schreef Kraus over het 
Loofhuttenfeest, van I. Engnell is er een beschouwing over het Pesach-Massotfeest, dat 
volgens hem een typisch oud-Oosters voorj aars feest is, niet uit de nomadische maar uit de 
sedentaire periode; de koning speelt er een centrale cultische rol in (zie Proceedings Jth 
Congress for the History of Religions, Amsterdam 1950, uitg. 1951, p. in vv.). Het Purim¬ 
feest wordt door V. Christian in het NÖTSCUER-Festschrift, 1950, 33 ff. Zur Herkanft des 
Purim-Festes geïntroduceerd als een oorspronkelijk nieuwjaarsfeest. Over de Efod schreven 
G. Dahl in the Anglican Th'eological Review xxxiv, 206 ff. The Problem of the Ephod, en 
M. Haran in Tarbis xxiv, 380 ff. The Ephod According to Biblical Sources. De laatst¬ 
genoemde gaf in de volgende jaargang van dat zelfde tijdschrift blz. 11 w. een interessante 
bijdrage over The Tent of Meeting, die oorspronkelijk niet als heiligdom maar als een tent 
voor profetische inspiratie moet worden gezien. De terafim werden door P. R. Ackroyd 
besproken in ET 1950-1951, 378 ff. en beschouwd als een verzamelnaam voor verschillende 
cultische voorwerpen, waartegen het Jahwisme zich later verzette. Over Law and Covenant 
schreef niet zeer duidelijk G. E. Mendenhall : Law and Covenant in Israël and the Ancient 
Near East (BA; overdruk 1955); interessant zijn de daargenoemde Hethietische parallellen. 

De kwestie van de verhouding van de Psalmen en de cultus is een van de meest brandende 
vragen. A. Weiser schreef er over in het B>ERTKOEET-Festschrift, 513 ff.: Zur Frage nach 
den Beziehlungen der Psalmen zum Kult: Die Darstellung der Theophanie in den Psalmen und 
im F est kult. De theophanie is volgens hem als directe actio Dei een vast bestanddeel van de 
Jeruzalemse cultus geweest, al blijft God zelf aan de blikken onttrokken, daar hij in wolken¬ 
donkerheid woont en zich alleen in het woord openbaart. Wel is de theophanie door dramatische 
cultushandelingen voorgesteld. Het dramatische karakter van de cultus, met name bij het 
Niewj aars feest, wordt ook benadrukt door A. R. Johnson in zijn reeds enige malen ge¬ 
noemde boek over Sacral Kingship. Hij reconstrueert een feest, dat niet als bij Mowinckel 
de jaarlijkse troonsbestijging van Jahwe symboliseert; principieel verzet hij zich tegen deze 
gedachte in Mowinckel’s opvatting, die daarbij te veel van niet-israëlietische elementen uitgaat. 
Johnson bouwt zijn reconstructies in hoofdzaak op uitingen in bepaalde Psalmen op; dit feest 
viert Jahwe’s oorspronkelijke triumf over de krachten der duisternis, Zijn troonsbestijging 
in de oertijd en Zijn herscheppende werk; deze worden in een ritueel drama uitgebeeld, waarin 
de koning uit Davids geslacht een rol speelt door de overwinning op de dood mimisch in een 
strijd met de machten der aarde voor te stellen en daardoor en daarna tot nieuw geloof en 
trouw aan Jahwe aan te sporen; dit drama ziet uit naar de dag waarop de Messias de uit- 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


35 

eindelijke overwinning zal realiseren. Vandaar dat in de koningspsalmen geen principieel 
onderscheid kan worden gemaakt tussen het Messiaanse in historische en in eschatologische 
zin (zie vooral p. 124 w. en 54 n. 1). Een boeiend, helder geschreven boek met veel nieuwe 
gezichtspunten. Een ander kritisch geluid tegenover Mowinckel heeft H. J. Krauss laten 
horen in Die Königsherrschaft Gottes im A.T . (Beitrdge zur historiscken Theologie 1951), 
waarin het herfstfeest beschreven wordt als koninklijk Zionsfeest, hetwelk wordt gevierd door 
een optocht van de koning naar Zion en een plechtige verbondssluiting met Jahwe. Hierbij 
wordt de verkiezing van Jeruzalem en van de Davidsdynastie verkondigd. Bovendien tracht 
Kraus het probleem der troonsbestijgingspsalmen op eigen wijze op te lossen: daar hij nl. 
met Mowinckel Jahwe Malak vertaalt met: Jahwe is koning geworden (vgl. daartegenover 
o.a. L. Köhler, die op grammaticale gronden dit terecht nadrukkelijk bestrijdt, VT 1953, 188, 
en voorts J. Ridderbos VT 1954, 87 ff.), moet hij voor deze Psalmen een bijzondere plaats 
vindiceren; hij meent dat ze een weerklank zijn op de prediking van Deuterojesaja, die 52 : 7 ff 
het komen en de koninklijke epiphanie van God van Israël voorgezegd had toen Zion opnieuw 
gekozen en Jahwe weer de ware koning van Israël werd. 

Ondertussen heeft Mowinckel een nieuwe uitgave van zijn Psalmenstudien in een her- 
bewerking tot stand gebracht: Offersang og sangoffer, 1951, waarin principieel niet veel 
aan zijn standpunt van dt 1922 veranderd is; men zie de breedvoerige bespreking van dit werk 
in BiOr x, 44 ff. van de hand van A. Kapelrud. 

In Nederland heeft N. H. Ridderbos de samenhang van Psalmen en Cultus naar voren ge¬ 
bracht in zijn aldus genoemde inaugurele rede (1950) ; ook het bijzonder aanbevelenswaardige 
populair-wetenschappelijke boek van P. Drijvers o.c.s.o. 1956 Over de Psalmen doet dit 
op een zeer gelukkige wijze. Op een geheel andere manier heeft H. J. Franken in zijn Leidse 
proefschrift: The Mystical Communion with JHWH in the Books of Psalms, 1954 de Psalmen 
benaderd; hij onderkent daarin echt mystieke trekken, uit de Israëlietische religie voortge¬ 
komen. H. A. Brongers gaf in NTT 1954, 278vv. een grondige kritiek op de these van 
Eerdmans, dat in de chasidische Psalmen sprake zou zijn van een speciale, van het gewone 
volk scherp te onderscheiden, partij van de chasidim. Mowinckel beschouwde in het Rowley- 
Festschrift de samenhang tussen Psalms and Wisdom, p. 205 ff. en onderkende Ps. 1, 34, 37, 
49, 78, 105, 106, in, 112 en 127 als oorspronkelijke wijsheidspoëzie. 


HET PROFETISME 

De litteratuur van het profetisme is, zoals te verwachten, vrij uitvoerig 1 ). Naast het 
reeds genoemde, in Nederland bekende: Der Glaube der Propheten van Buber, is er nog een 
werk van een Joods geleerde over dit onderwerp. A. Neher, die voor enige jaren een dis¬ 
sertatie over Amos schreef, gaf nu een boek L’essence du prophétisme, 1955, dat praktisch 
evenals Buber’s werk een complete godsdienstgeschiedenis omvat. Dit werk toont verwantschap 
met dat van Buber, maar nog meer met het bekende boek van A. Heschel : Die Prophetie, 
1935. Een der grondgedachten is deze, dat de profeet was wat hij was door het bewustzijn deel 
te hebben aan een andere realiteit dan die van zijn eigen leven, nl. het leven Gods; door de 
Geest is er een pathetische gemeenschap (94 ss.). Het wezen van Israëls religie is het in relatie 
treden van God en volk in het verbond. Terwijl Neher het mysticisme verwerpt, zoals het in 
de christelijke middeleeuwse mystieken voorkomt (waarmee hij echter te spoedig het Christen¬ 
dom zelf identificeert), neemt hij toch de uitdrukking van L. Roth over van het panentheisme 
als aanduiding van de relatie van God en wereld; dit wordt elders als een mede-zijn geken¬ 
tekend. Het is onmogelijk in dit schema het hele boek te verslaan of het te bekritiseren op be¬ 
paalde niet onbelangrijke punten. Ondanks ernstige bezwaren beveel ik het met grote warmte 

1) Een uitvoerige litteratuur-opgave tot het jaar 1952 vindt men bij G. Fohirer: Neuere Literatur zur 
alttest. Prophetie (Theol. Rundschau 1950 en 1952), vgl. ook E. Jacob: Le Prophétisme israélite (Taprès les 
recherches rêcentes, BHPR 1952. 









3Ó 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


ter lezing aan. Een korte schets van de profetie, waarin vooral de godsdiensthistorische vragen 
op de voorgrond worden gesteld, gaf I. L. Seeligmann in Eres Jisrael III, 1954, onder de 
titel: Vragen van de profetie in Israël, haar geschiedenis en karaktertrekken (Hebr.). 

Boeiend geschreven is de verhandeling over de profeten op grond van hun woorden, die 
uitvoerig worden geciteerd en toegelicht door J. Hemp^l: Die Worte der Propheten, 1949. Het 
reeds genoemde Festschrift van Th. H. Robinson, uitgegeven door H. H. Rowley onder 
de titel Studies in Old Testament Prophecy, 1950, geeft verschillende opstellen, die hier ge¬ 
noemd moeten worden; allereerst Joh. Pedersen’s bijdrage over de rol van geïnspireerde per¬ 
sonen bij de Israëlieten en Arabieren; ze werkt bepaalde gedachten uit, die we ook vinden in 
het bekende werk van A. Guillaume : Prophecy and Divination. G. Henton Davies : Jahwis- 
tic Tradition in the Eighth-century Prophets vraagt een herwaardering van de propheten tegen 
de achtergrond van de religieuze volkstraditie waaraan ze deel hadden. N. W. Porteous legt 
in zijn opstel The Basis of the Ethical Teaching of the Prophets de twee wortelen bloot van de 
prophetische ethiek: enerzijds het deelhebben aan de oude Hebreeuwse traditie en anderzijds 
de persoonlijke Godservaring die hen tot hun prediking stimuleerde. H. H. Rowley bespreekt 
de positieve verhouding van The Prophet Jeremiah and the Book of Deuteronomy. De jongste 
bijdrage tot het profetisme van dezelfde auteur is een interessante vergelijkende studie tussen 
Prophecy and Religion in Ancient China and Israël, 1956, waarin de drie grote Chinese wijzen 
worden vergeleken met de O.T.-ische profeten, zo dat het eigen karakter wederzijds daardoor 
wordt belicht. 

Het probleem der c valse profetie 0 is het onderwerp van een breedvoerige beschouwelijke 
studie van G. Quell : Wahre und falsche Propheten, 1952, waarin duidelijk wordt gemaakt 
dat er geen directe uiterlijke kriteria zijn om deze van elkaar te onderscheiden; in wezen 
kunnen ze alleen door het woord van de ware profeet worden ontmaskerd, kunnen ze alleen 
c geestelijk 0 worden onderscheiden. 

De woorden Profetie und Politik zijn een aanduiding van een ander facet van het profe¬ 
tisme naar zijn sociale verschijningsvorm, dat door H. J. Kraus in een onder deze titel uit¬ 
gegeven geschrift behandeld wordt ( TheoL Existenz heute, N.F. 36, 1952) ; hij beschrijft hier¬ 
in allereerst de vooronderstellingen van de politieke boodschap der profeten, en wel a) in de 
Israëlietische staatsgedachte (verkiezing en verbond), en b) in de taak van de profeet, die 
als zodanig in dienst staat van de Godsheerschappij, om daarna de inhoud van de profetische 
prediking nader uit te werken; hierin blijkt het theocratische element eschatologisch bepaald te 
zijn. 

Dat op de verhouding van profetisme en cultus steeds weer opnieuw de aandacht valt, 
blijkt, behalve uit kleinere artikelen, ook uit de Utrechtse dissertatie van K. Roubos, onder 
leiding van de ons onlangs plotseling ontvallen en betreurde Prof. Dr. A. H. Edelkoort 
geschreven, en uitgekomen onder de titel Profetie en cultus in Israël, 1956. Hierin wordt de 
verhouding van profeet en cultus in het algemeen nagegaan en daarna meer in het bijzonder 
de vraag gesteld of uit bepaalde, meermalen geciteerde profetische teksten zou kunnen blijken 
dat enkele profeten de cultus radicaal hebben afgewezen. Deze vraag wordt door de schrijver 
nadrukkelijk ontkend; voorzover er van verwerping van de cultus sprake is, heeft deze alleen 
de verworden vorm ervan op het oog. De exegese van de beslissende teksten kwam mij niet 
overtuigend voor en is in het algemeen te weinig fundamenteel gesteld. Met name E. Würth- 
wein heeft getracht de profeten in cultisch velband te stellen; in zijn Amos-Studiën ZAW 
1950, 10 ff, stelt hij Amos voor als een heil s-nabi, die tot onheilsprofeet werd op grond van 
zijn kritiek op het leven van het Israël van zijn tijd en daarbij teruggreep op het oude wetboek 
van de Jahwe-amphiktyonie. In Z Th K 1952, 1 ff. in een artikel: Der Ursprung der pro- 
phetischen Gerichtsrede wil hij ook de oordeels-aankondiging uit de cultus verklaren; ook hier 
had de Gerichtsscene een plaats. Tegen deze opvatting heeft F. Hesse zich verzet in ZAW 
Ï9S3, 45 ff: Wurzelt die prophetische Gerichtsrede im israëlitischen Kult? waarin ontkend 
wordt, dat de Israëlietische cultusprofetie de functie zou hebben gehad in Jahwe’s naam aan¬ 
klachten tegen het eigen volk in te dienen. De cultus wist wel van een Godsgericht, maar 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


3 7 


enkel van een, dat tegen de vreemde volkeren was gericht. De onheilsprofeten zijn een uit- 
zonderingsverschijnsel; de oorsprong van de gerichtsrede ligt in de directe ontmoeting met 
God. De aanklacht tegen Israël is een novum, waarin de klassieke profetie zich juist van de 
cultusprofetie onderscheidt. Daarmee ontkent Hesse niet, dat er een cultisch profetisme heeft 
bestaan, gelijk zijn artikel in de Ev. Luth. Kirchenzeitung 1953, 129 ff. Das Kultprophetentum 
in Israël, bewijst. Ook O. Plöger heeft het probleem aangesneden in ZAW 1951 in een 
uitvoerige bijdrage Priester und Prophet ; hij veronderstelt dat de ziener ( ro°eh ) als voorloper 
van de latere nabi, profeet, uit priesterlijke omgeving stamt. Het O ppositi ons pro phetentum 
sedert Achab is aanvankelijk een tegen het synkretisme gerichte verschijning, die evenwel niet 
meer verstomde, maar ook zijn stem verhief, waar het minder de assimilatie dan wel het gevaar 
van een uitholling en pervertering van de religieus-cultische zeden en voorstellingen gold. De 
cultus als zodanig wilde het daarbij niet treffen. De cultische binding levert aan de profetie 
het raam voor haar werkzaamheid, maar overigens kan het profetisme niet als een einheitliche 
grootheid worden gezien. 


ESCHATOLOGIE 

In het verlengde van de studie van het profetisme ligt die van de eschatologie. Daar is 
allereerst het grote werk van S. Mowinckel :Han som kommer, dat in het Engels werd ver¬ 
taald door G. W. Anderson. Deze laatste was zo vriendelijk mij de drukproeven van zijn ver¬ 
taling ter inzage te zenden, waarvoor ik hem ook op deze plaats hartelijk dankzeg: het boek 
zal uitkomen onder de titel: He that Comes. Mowinckel poneert, dat alle werkelijk-messiaanse 
(in eschatologische zin te verstaan) profetieën na-exielisch zijn. Het Israëlietische koningschap 
is een verbinding tussen de tradities van the old chieftainship met de wetten en gewoonten van 
het Kanaanietische koningschap. De Israëlietische koning is evenwel primair een bovenmenselijk, 
goddelijk wezen. (Ps. 45 : 7). De idealen aan het koningschap verbonden zijn echter in Israël 
nooit gerealiseerd. Zo ontstond de future hope op de ware koning: The Messiah is the ideal 
king entirely transferred to the future, no longer identified with the specific historical king, 
but with one who, one day, will come. Uit deze future hope, groeide de eschatologie. Er is geen 
profetische of voor-profetische eschatologie; ze is na-exielisch. Naast de nationale Messias, 
die uit de future hope is te verklaren, kwam de gestalte van de Zoon des mensen, als een 
Joodse variant van de Oosterse, cosmologische, eschatologische mythe van de Anth'ropos. Zij 
staan als diesseitige en jenseiüge heilsfiguur oorspronkelijk los van elkaar. De Ebed is geen 
messiaanse figuur, maar wordt wel steeds meer een koninklijke figuur. 

H. Ringgren heeft in ZAW 1952, 120 ff. onder de titel: König und Messias een over¬ 
zicht geboden van de gedachten van de Scandinavische school ten aanzien van koningschap en 
messianisme. Hierbij wordt grote nadruk gelegd op de verwantschap van de Israëlietische 
koningsideologie met die van de andere Nabij-oosterse volkeren, terwijl dit goddelijk koning¬ 
schap wordt beschouwd als het verbindingslid tussen de Egyptische en Mesopotamische mes¬ 
siaanse uitspraken en de profetieën van de Israëlietische profeten. De oorsprong van het 
Messianisme als geloof in de ideale heerser der toekomst ligt in de teleurstelling, die de ver¬ 
wachtingen, vastgeknoopt aan de troonsbestijging van een nieuwe vorst, met zich brachten. 

De Scandinavische scholen staan en vallen niet alleen met de leer van het goddelijk koning¬ 
schap, waarop beneden wordt teruggekomen, maar ook met de datering van de koningspsalmen, 
nl. met hun voor-exielische of na-exielische oorsprong. Ch. Feuillet: Les psaumes eschhto- 
logiques du règne de Yahwe (Nouvelle Revue Théologique *51, 244 ss., 354 ss.) beschouwt 
de Psalmen 47, 93, 96-99 als van Deuterojesaja afhankelijk en als wezenlijk in oorsprong 
eschatologisch van bedoeling. Deze kwestie van afhankelijkheid is een der moeilijkste pro¬ 
blemen ; dat er samenhang is, is zeker, maar de prioriteit is zeer moelijk vast te stellen. Ik 
acht met B. J. van der Merwe, wiens dissertatie we reeds enige malen noemden, de erkenning 
van de prioriteit van de Psalmen mogelijk maar, onthoud me voorlopig nog van een beslist 
oordeel. 






38 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


Voor het probleem der eschatologie verwijs ik voorts naar het uitstekende artikel van C. 
Steuernagel: Die Strukturlinien der Entwicklung der jüdischen Eschatologie in het Ber- 
tholet -Festschrift (1950); voorts naar J. van der Ploeg’s bijdrage in de RB 1954, 48 ss., 
U esp èrance dans 1 ’A.T. waarin het woordonderzoek een grote plaats inneemt, naar mijn arti¬ 
kel in de Th. Ltzt 1953, 577 ff. over Die Hoffnung im A.T. en mijn voordracht op het Congres 
in Kopenhagen van 1953, in SuppL VT I, 1953, 199 ff., verschenen onder de titel Prophecy 
and Eschatology, waarin de vraag van een principieel andere kant dan door Mowinckel ge¬ 
schiedde, wordt bezien; en daarnaast op J. Lindblom : Gibt es eine Eschatologie bei den alt - 
testamentischen Pr opheten? Studia Theol. 1952, 79 ff. en het artikel van S. B. Frost, Escha¬ 
tology and Myth, VT 1952, 7° ff-, die de gedachte uitwerkt dat de Joden in het exiel mythe 
en eschatologie, welke van huis uit tegenstellingen zijn, met elkaar hebben verbonden, waaruit 
het ontstaan van de apokalyptiek te verklaren is. Tenslotte vermelden wij de Engelse ver¬ 
taling van de 3e druk der Hebreeuwse uitgave van J. Klausner’s boek over de Messias-idee 
in Israël, onder de titel The Messianic idea in Israël , 1955. 

KONINGSCHAP 

In aansluiting aan enige bovenvermelde studies, waarin het koningschap in Israël ter 
sprake kwam, is het hier de plaats naar enige litteratuur ten aanzien van de plaats van het 
koningschap in Israël te verwijzen. Het onderwerp van het goddelijk koningschap is op het 
Godsdiensthistorisch Congres in Rome in het vorige jaar als centraal thema gesteld. Daar 
nog geen congresboek is verschenen en het mij niet mogelijk was het congres te bezoeken, kan 
ik over het daar behandelde geen indruk weergeven. Voorzover het O.T. betreft, is het karakter 
van het koningschap reeds een aantal jaren in het geding. De Skandinavische, vooral de Upp- 
salensische geleerden, Engnell en Widengren, maar ook Mowinckel, hebben het sacraal, 
ja goddelijk karakter van het koningschap in Israël sterk geponeerd. Voor Mowinckel zij 
verwezen naar het reeds genoemde, He that Comes; voor Widengren verwijzen wij naar zijn 
Sakrales Königtum im A.T. und im ludentum, (Franz Delitsch-Vorlesungen, 1952, Uitg. 
I 955) 1 ), waarin een nauw verband wordt gelegd tussen de Israëlietische en de Kanaanietische 
cultus; de koning heeft een hogepriesterlijke functie, en is drager van Urim en Tummin en 
Wetstafelen; hij ontvangt ook directe goddelijke inspiratie als drager van de geest des Heren. 
Het bezonnen grote werk van H. Frankfort, Kingship and, the Gods , is reeds van 1948, dus 
van voor deze verslagsperiode. Daarnaast brengen we nog gaarne in herinnering C. J. Gadd : 
Ideas of Divine Rule in the Ancient East, 1948 (Schweich Lectures 1945). Tegenover de Scan¬ 
dinavische theorie kwam krachtige oppositie van verschillende zijden. Het scherpst misschien 
van M. Noth in een artikel in Z Th K 1950, 157 ff: Gott, König und Volk im A.T., die de 
hele these glad afwijst. Een rustig boek is J. de Fraine: Uaspect religieux de la royautê 
israélite , dat uitvoerig het Oostsemietische materiaal met het Israëlietische vergelijkt; de ver¬ 
goddelijking van de koning is voor Israël, krachtens zijn religieuze instelling, onmogelijk; be¬ 
grippen als jalad en beni atta in de Godspraak moeten overdrachtelijk verklaard worden. Voor 
bepaalde varianten op een oud-Oosters thema is bij de Fraine niet veel plaats, ook niet onder 
Kanaanietische invloed. J. Gray behandelde in VT 1952 193 ff. het Canaanite Kingship in 
Theory and Practice, en stelt vast dat men (althans op grond van het Ugarietische materiaal) 
niet kan zeggen, dat het Kanaanietische koningschap door een in de gehele Umwelt geldende 
idee van goddelijk koningschap wordt beheerst. Het ging daar zijn eigen wegen, evenals het ook 
later in Israël een eigen ontwikkeling had. Met het koningschap in het oude Oosten houdt 
zidh ook bezig het boek van J. A. Wilson c.s.: Authority and Law in the Ancient Oriënt , 
1954, waarin door J. Mendelsohn de gedachte van het sacrale koningschap in Israël wordt 

1) Vgl. ook diens: The King and the Tree of Life in Ancient near Eastern Religion (King and Saviour 
iv, Uppsala Universitets Arsskrift, 1951, 4), waarin de koning in Mesopotamië gezien wordt als de 
bewaker van de godstuin met de levensboom, welk motief via Jeruzalem in de Israëlietische overlevering 
een plaats zou gevonden hebben (messias als spruit; kandelaar met 7 armen). 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


39 


bestreden. Daarentegen spreekt A. R. Johnson wel over het Sacral Kingship in Ancient Israël 
in zijn reeds genoemde boek. Hij vermijdt echter te spreken over een goddelijk koningschap. 

Van de voor enige maanden overleden en door de gehele kring van O.T.-ische onderzoekers 
zo betreurde grootmeester der O.T.-ische wetenschap A. Alt is er een aantal bijzonder goede 
studies over het koningschap; reeds werd genoemd Der Stadtstaat Samaria. Hier willen wij 
wijzen op het voortreffelijke artikel in het eerste nummer van VT, 1951, 2 ff. Das Königtum 
in den Reichen Israël und luda, waarin onderscheid gemaakt wordt tussen het oude en in 
Noord-Israël telkens weer voor de dag tredende charismatische koningschap en het dynastische 
Davidische in Juda; dit ontving zijn religieuze karakter door een bijzonder Jahwe-verbond, dat 
in de gestalte van de messiaanse verwachting de ondergang van de dynastie zelf overleefde. In 
de laatste bladzijden van zijn opstel: Gedanken über das Königtum lahwes (uit 1945), dat 
voor het eerst in de Kleine Schriften zur Geschichte des Volkes Israël I 1953, 344 , verscheen 
werden deze gedachten reeds in het kort uitgesproken. Belangrijk is wat Alt hier over Jahwe’s 
koningschap zelf schreef; hij leidt het af uit de voor-dynastische tijd toen Israël in navolging 
en verzet tegen het monarchische godenpantheon van de Kanaanietische staten Jahwe als de 
koning der góden poneerde. Door de verbinding van de Davidische koningsidee aan het Jahwe- 
koningschap werkt naar beide zijden het universalisme, dat in de Godsvoorstelling van Israël 
aanwezig was, door. 

Een enigszins hiermee samenhangend onderwerp behandelde G. von Rad, Der Heilige 
Krieg im alten Israël , 1951. De gedachte van de heilige oorlog in het O.T. hangt samen met de 
amphiktyonie van de Jahwe belijdende stammen; in de heilige oorlog wordt het volksbestaan 
gehandhaafd onder leiding van God, die voor Israël in de geschiedenis ingrijpt en de zijnen 
door zijn Geest bezielt en sterkt. In de plaats van de heerban der boeren komt later een leger 
van betaalde beroepssoldaten; in de laatste periode voor de ondergang keert nogmaals het oude 
ideaal terug, dat wel niet verwezenlijkt wordt, maar in Deuteronomium, de Deuteronomische 
litteratuur en de Kroniekboeken zijn schriftelijke weerklank vindt. 

HET SOCIALE LEVEN 

Hiermede staan wij op de drempel van een nieuw onderwerp: het sociale leven. Wij ver¬ 
keren in de gelukkige omstandigheid, dat op dit gebied een Nederlandse dissertatie is ver¬ 
schenen van zeer goede kwaliteit nl. die van C. van Leeuwen: Le dêveloppement du sens 
social en Israël avant Vère chrêtienne, in 1954 aan de Universiteit van Amsterdam verdedigd. 
De armoede wordt in Israël beschouwd als een ramp; de armen worden in de wetgeving, B.B., 
D. en P. beschermd; deze bescherming heeft een religieuze achtergrond in het Israëlietische 
Godsgeloof, in de leiding van God in de geschiedenis van het volk, dat als slavenvolk uit 
Egypte werd verlost. Met name de profeten hebben zich ingezet voor de armen, die slachtoffer 
waren van de bezittende klasse, welke na de vestiging in het land ontstond naast en tegen¬ 
over de niet-bezitters. Het boek vult op waardevolle wijze de studies van Bolkestein over de 
klassieke oudheid en van de Liagre Böhl over Babylonië en Assyrië aan. 

Een speciaal gegeven uit de O.T.-ische sociologie behandelt het knappe werk van N. 
Robert: Sociology of the Biblical lubilee, 1954, dat na een vertaling van Lev. 25 en een 
vergelijking met verder oud-oosters en Joods materiaal een beschouwing van alle sociale 
elementen, die in verband met het Jubeljaar voorkomen, biedt. Het acht tegenwoordig de 
periodieke herverdeling van het land in het hedendaagse Palestina de beste parallel. Hier is 
een stuk religieus-sociale wetgeving, die eerder thuis hoort in het Mozaïsche tijdvak dan in dat 
van Ezra. Men mag noch het cultische, noch het economische aspect van deze instelling een¬ 
zijdig op de voorgrond brengen; het gaat in het Jubeljaar om social worskip . Ook F. Horst 
gaat in zijn instructief opstel: Recht und Religion im Bereich des A.T., Ev.Th. 1956 49 ff., 
onder vele andere punten in dezelfde zin op het Jubeljaar in. Hij toont door vele voorbeelden 
aan, dat religie en recht in Israël elkander doordrongen hebben x ), zodat ook bv. een begrip als 

1 ) Zie ook zijn Naturrecht und A.T., Ev. Th. 1950, 23 ff. 







40 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


gerechtigheid in het O.T. nooit formeel van aard is. Het is evenzeer een wezensuiting Gods 
als een de mens omvattende heilssfeer. De prachtige studie van B. Gemser in het Rowley 
Festschrift over The Rib-pattern in Hebrew Mentality loopt op dezelfde conclusies uit. 
Zuiver rechtshistorisch is de studie van M. David ove** Adoptie in het oude Israël, 1955, welke 
daar als feitelijk wordt gesteld, al kan men de in de Bijbel voorkomende gevallen van adoptie 
niet meten aan de systematisch omschreven Romeinse adoptio . David erkent dat de adoptie ook 
in religieuze zin wordt aangewend en geeft enige voorbeelden, maar vermijdt helaas te spreken 
over de bekende Psalmplaats 2 : 7. De bovengenoemde relatie van recht en religie werd ook 
door L. Köhler in een rectoraatsrede van 1931 Die Hebrdische Rechtsgemeinde geponeerd; 
dat we ze vermelden is, omdat we het toe juichen dat deze mooie, maar niet zeer bekende rede 
opnieuw is uitgegeven, achter in het bijzonder aardig boekje van deze auteur Der Hebrdische 
Mensch, 1953, waarin hij naast het natuurlijke leven van de oude Israëliet ook zijn geestelijk 
klimaat breeduit tekent. 

Het boekje van G. Pidoux, L’homme dans VAJT . zou men een theologische anthropologie 
kunnen noemen; het kan met het vroegere verschenen Das Menschenverstdndnis des A.T. van 
W. Eichrodt, 1947, vergeleken worden. A. R. Johnson’s The Vitality of the Individual in 
the Thought of Ancient Israël, 1949, is meer psychologisch ingesteld. Pidoux schreef ook 
een bijdrage in Anthropologie religieuse, 1955, over hetzelfde onderwerp als zijn boekje van 
1953, dat ik echter niet met het bovengenoemde heb kunnen vergelijken. Een werk van grootse 
allure is Th. Boman: Das Hebrdische Denken im Vergleich mit dem Griechischen, 1952. 
Boman onderzoekt de eigenaardigheid van beide denkvormen, waarbij het Griekse door Plato 
wordt vertegenwoordigd, in enige hoofdstukken getiteld: dynamisch en statisch denken, in¬ 
druk en aanblik, tijd en ruimte, symbolisme en instrumentalisme, logisch denken en psycho¬ 
logisch verstaan, waarbij de nadruk bij de Israëlieten valt op het dynamische, op de indruk, op 
de tijd, op het functionele en het psychologische, terwijl voor de Grieken de andere reeks 
typerend is. Samenvattend kan men zeggen, dat bij de Grieken het zien, bij de Israëlieten het 
horen en het ervaren op de voorgrond treedt. Enkele belangrijke opmerkingen over dit boek 
maakt W. Eichrodt. Heilserfahrung und Zeitverstdndnis im A.T., Th.Z., Basel, 1956, 103 ff. 

Over de verhouding van individu en gemeenschap schreef J. de Fraine: Individu et 
Société dans la religion de l’A.T ., Biblica 1952, 324 ss., 445 ss. die stelt dat de val van de 
staat het zelfbewustzijn van de individu accentueerde, terwijl de cultus de eenheid tussen 
individu en gemeenschap handhaafde. Enigzins in dezelfde geest denkt H. Cazelles in het 
RowLEY-Festschrift: A propos d’une phrase de H. H. Rowley zich het individualisme geboren 
in de tijd rondom de ondergang van Jeruzalem, waarbij Jeremia’s invloed met name wordt 
genoemd en Ezechiël speciaal als profeet van het individualisme wordt voorgesteld. Terecht 
is dit laatste met nadruk bestreden door W. Eichrodt in zijn Bazelse rectoraatsrede Krisis 
der Gemeinschaft in Israël, 1953. 

Het Rowley -Festschrift: Wisdom m Israël and the Ancient Near East, 1955, werd 
reeds meermalen genoemd. Het heeft als hoofdthema: de wijsheid; daarvan worden dan ook 
verschillende aspecten in het licht gesteld: parallele verschijnselen in de Kanaanietisch- 
Phoeniecische, Sumerische en Egyptische wereld, alsmede de historische achtergrond der 
wijsheid en het karakter van verschillende wijsheidsboeken. P. A. H. de Boer ziet The Coun¬ 
sellor van het hof als een prototype van de gepersonifieerde wijsheid in Spreuken 8 en Job 
28. P. Humbert acht het boek Job het beste getypeerd door het woord modernistisch. Een 
vrij uitvoerige bespreking van mijn hand van de verschillende bijdragen verschijnt in een der 
volgende nummers van Bi Or, weshalve ik het voor ditmaal bij deze korte aankondiging wil 
laten. 


GESCHIEDENISBESCHOUWING 

Nog slechts enkele dingen mogen hier ter sprake komen, allereerst het opstel van M. 
Burrows over de historiebeschouwing van oud-Israël in het boeiende verzamelwerk van 


GODSDIENSTGESCHIEDENIS VAN ISRAËL 


41 


R. C. Dentan: The Idea of History in the Ancient Near East, 1955, waarin behalve Israël 
ook Egypte, Mesopotamië, Perzië, het Hellenistische tijdperk, het oudste en het Patristische 
Christendom, de vroege Islam en het twintigste-eeuwse Westen in zijn relatie tot het oude 
Nabije Oosten wordt behandeld. Burrows legt de nadruk op het religieuze uitgangspunt van 
de Israëlietische historiographie, waarbij de geschiedenis gezien wordt als daad van de levende 
God, die daarin Zijn souvereine doel ten behoeve van Zijn schepselen, allereerst ten aanzien 
van Zijn uitverkoren volk, maar door dit ook van de rest der mensheid, tot uitvoering brengt; 
dit is de reden, dat in Israël geen sprake is van een steeds terugkerende cyclus van wereld¬ 
perioden zonder wezenlijke verandering. Zie ook B. J. Alfrink, De bijbelse visie op de ge¬ 
schiedenis in De zin der geschiedenis voor geloof en rede, bijeengebracht door Prof W. L. J. 
Rogier, Heerlen, 1952, 28 w. 

Van geheel andere zijde wordt deze karaktertrek der bijbelse historiographie ook belicht 
door B. A. van Groningen, in zijn In the Grip of the Past, 1953, als hij de bijbelse ver¬ 
wachting van een door God bedoelde toekomst stelt tegenover de Griekse beschouwingswijze, 
die bij alle erkenning van goddelijke machten nooit tot de idee gekomen is, van een goddelijk 
doel in en met de wereld, 117 ff. Met dezelfde gedach f e uit te werken eindigt K. Löwith zijn 
geschiedphilosophische beschouwingen in Weltgeschichte und Heilsgeschehen, 1953. 

Ten besluite een excuus, dat het ondergetekende onmogelijk was de laatste delen van het 
bekende Hebreeuwse werk van J. Kaufmann: Geschiedenis van de Israëlietische religie te 
bespreken. Deze boeken waren in Israël reeds dadelijk uitverkocht en zijn hier nauwelijks te 
krijgen. Voor een beschouwing der uitgangspunten ervan zij verwezen naar het instructieve 
opstel van D. Cohen in BiOr, 1953, 186 ff. 

Bij het beëindigen van dit opstel heeft de samensteller het onbehagelijke gevoel van 
maar weinig, en dit weinige lang niet fundamenteel genoeg, te hebben kunnen tonen van wat 
er allemaal te doen is. Hij wil daarom niet nalaten zijn lezers nog even te wijzen op de nieuwe 
belangrijke bibliographische uitgave op het gebied der Bijbelstudie: Internationale Zeitschriften- 
schau für Bibelwissenschaft und Grenzgebiete, waarvan drie Hef te (boekdelen) verschenen 
(1931-1954). Daar kan men veel meer vinden. Veel belangrijker echter dan korte verslagen te 
lezen over wat geschreven is, is het dit zelf te lezen, en nog oneindig veel waardevoller is het 
persoonlijk mee te doen aan het werk zelf, al is het op nog zulk een klein terrein. Als het 
overzicht medewerkt, het bewustzijn te versterken, dat er inderdaad in de wetenschap van 
het O.T. iets te doen is, en dat het om waardevolle problemen gaat, heeft het zijn doel niet 
gemist. 

Groningen, mei/juni 1956 


Th. C. Vriezen 







DE HEBREEUWSE TAALWETENSCHAP IN DE LAATSTE 

DERTIG JAAR 


Wanneer men over de ontwikkeling van de Hebreeuwse taalstudie gedurende de laatste 
dertig jaar schrijft kan men in een artikel als dit niet alle grammatica’s woordenboeken en 
monografieën bespreken die tot die ontwikkeling hebben medegewerkt. Vooral grammatica’s 
zijn er zeer vele verschenen. De vele ^choolgrammaticaV kunnen in dit verband heimaal niet 
genoemd worden; zij bieden niets nieuws dan alleen soms een nieuwere doch lang niet 
altijd betere didactische methode (de vele grammatica’s voor het Nieuw-Hebreeuws, dat heden 
ten dage in Israël gesproken wordt, moeten hier ook buiten beschouwing blijven). Voor het 
nieuw Hebreeuws verwijzen wij naar de recente publicatie van professor Th. C. Vriezen, De 
ontwikkeling van het moderne Hebreeuws, Med. der Kon. Ned. Ak. van Wet. afd. Lett., N.R. 
19, No 3, Amsterdam. 1956. 

Het is dus ook maar zelden zo, dat men in schoolgrammatica’s opvattingen zal aantreffen, 
die werkelijk de voortgang van de desbetreffende taalstudie helpen bevorderen. Bepaalde 
nieuwe inzichten dienen immers wel zeer goed getoetst te zijn voor men ze veilig in een 
schoolgrammatica kan publiceren. Pas wanneer bepaalde nieuwe inzichten algemeen als juist 
aanvaard zijn kan in een schoolgrammatica een en ander in dier voege gewijzigd worden. Voor 
de bekende louter descriptieve grammatica is dit b.v. door Prof. Dr W. Baumgartner in de 
21e druk van het bekende Hebrdisches Schulbuch van Hollenberg-Budde (1955) gedaan. 

Doch ook de schoolgrammatica die wat meer pretendeert en een meer of minder grote 
plaats inruimt aan de historische grammatica zal om didactische redenen zeer voorzichtig te 
werk moeten gaan. Wanneer men echter twee van dergelijke grammatica’s, een uit het begin 
en één uit het laatste gedeelte van de door ons in het oog gevatte periode beschouwt, zal men 
toch al een beter beeld krijgen van de veranderde inzichten en werkelijke vorderingen in deze 
periode verkregen. Men legge b.v. Arthur Ungnads „ Hebrdische Grammatik” van 1926 naast 
die van Oskar Grether van 1951, die van Hermann Strack (voor de 15e druk opnieuw 
bewerkt door Alfred Jepsen) x ) van 1952 of die van Georg Beer (voor de 2e druk bewerkt 
door Rudolf Meyer) van 1955. Wat grammatica’s in ons eigen taalgebied verschenen aangaat 
kan men gemakkelijk een dergelijke vergelijking maken tussen enerzijds de Hebreeuwsche 
Grammatica van Dr. J. Nat van 1926 en andererzijds de latere bewerkingen daarvan door 
Prof. Dr. J. J. Koopmans vanaf 1939 of de Hebreeuse Spraakkuns van Prof. Dr. B. Gemser 
van 1953. 

De werkelijk nieuwe inzichten zal men aantreffen in de wetenschappelijke handboeken 
over de historische grammatica van het Hebreeuws. Een dergelijk groot werk staat er aan 
het begin van de door ons beschreven periode, nl. de Historische Grammatik der Hebrdischen 
Sprache des Alten Testamentes van Hans Bauer en Pontus Leander in 1922 in Halle 
verschenen. Dit werk wilde vooral historisch-vergelijkend zijn — zonder het descriptieve te 
veronachtzamen — en gaf daardoor in menig opzicht minder dan de te zelf der tijd begonnen 
te verschijnen bewerking van G. Bergstrasser van Wilhelm Gesenius Hebrdische Gram¬ 
matik (I, 1918, II, 1929). Deze laatste zal men daarom ook vaker geciteerd vinden, waarbij nog 
komt, dat het zeer interessante werk van Bauer en Leander ook zeer hypothetisch van aard 
is. Dit wordt ook door P. Joüon opgemerkt in zijn uiterst belangrijke Grammaire de VHebreu 
biblique waarvan de tweede editie in 1947 verscheen. Deze merkt echter terecht op, dat de 
verdienste van het werk van Bauer en Leander wel hierin zit, dat zij zich volkomen op de 
resultaten van de — niet alleen Semitische — vergelijkende taalwetenschap wilden stellen. En, 


*) Belangrijk van deze grammatica is vooral, dat 
de bewerker zich bewust beperkt tot een schildering 
van de grammatica der Masoreten wel wetend, dat 
door de werkzaamheid van de Masoreten een histo¬ 
rische behandeling van de Hebreeuwse grammatica 


noodzakelijkerwijze hier en daar hypothetisch moet 
zijn. De §§ 14 en 15 (Lautgeschichte) worden dan 
ook als een „Hinweis auf eine mögliche Entwicklung 
gezien”. 


DE HEBREEUWSE TAALWETENSCHAP IN DE LAATSTE DERTIG JAAR 


43 


geven zij toe, „die künftige Forschung wird sicherlich gar manches daran zu verbessern 
haben”. 

Wanneer wij ons thans, na het noemen van de voornaamste werken, af vragen wat dan de 
ontwikkeling van de studie van het Hebreeuws gedurende de laatste jaren beïnvloed heeft en 
op welke wijze dit gebeurd is dan springt hierbij in de eerste plaats de ontdekking van het 
Ugaritisch in het oog in het begin van de dertiger jaren. Moge de juiste plaats van het Ugaritisch 
in het kader der Semitische talen nog niet geheel duidelijk zijn, al zal men met Prof. Dr. R. de 
Langhe (oratie te Nijmegen in 1948) toch wel van een Kanaanees dialect mogen spreken, 
en moge het ons voorkomen, dat de bestudering van de Ugaritische litteratuur tot dusverre 
meer vruchten heeft af geworpen voor de exegese van het Oude Testament dan voor de studie 
van de Hebreeuwse taal, toch heeft deze laatste wel degelijk reeds van de Ugaritistiek ge¬ 
profiteerd. De neerslag daarvan vindt men o.a. in het Lexicon in Veteris Testamenti Libros 
van Ludwig Koehler en Walter Baumgartner (1953) 2 ). Evenwel zal men voor de toekomst 
van deze gebruikmaking van het Ugaritisch materiaal voor de Hebreeuwse taalwetenschap nog 
veel meer mogen en moeten verwachten, zeker nu de grote Ugaritist C. H. Gordon een 
nieuwe editie van zijn Ugaritic Handbook (1956) heeft gepubliceerd. 

Een tweede nieuwe vondst, waarvan het belang voor de Hebreeuwse taalkunde meer direct 
in het oog springt dan van de vorige, is die van de rollen bij de Dode Zee sedert 1947. De 
artikelen van Prof. Dr. J. P. M. van der Ploeg in de laatste jaarberichten van E.O.L. 
hebben belangstellenden in brede kring hierover ingelicht. Deze teksten, die nog lang niet alle 
uitgegeven zijn hebben niet alleen een grote belangrijkheid o.a. voor de exegese en de tekst¬ 
en tiek van het Oude Testament, maar ook voor de studie van het Hebreeuws. Maakten de 
Ugaritische woorden soms een betere interpretatie van een Hebreeuws woord mogelijk (een 
bekend voorbeeld is het rökëb ba c araböt 3 )) — een taak trouwens die ook voor andere Semi¬ 
tische dialecten mogelijk bleek te zijn (men vergelijke hiervoor het artikel van D. Winton 
Thomas in Record and Revelation uitgegeven door H. Wheeler Robinson in 1938) — de 
nieuw gevonden rollen leerden ons in het O.T.isch en Talmudisch Hebreeuws niet voorko¬ 
mende Hebreeuwse woorden kennen. Voorheen was dit slechts in zeer geringe mate door de 
schaarse oud-Palaestijnse inscripties geschied. Ook dit materiaal is echter nog in een eerste 
stadium van bewerking. De toekomst zal nog de ware omvang van al het lexicografische, syn¬ 
tactische en historisch grammaticale materiaal dat nieuw licht werpt op het O.T.isch He¬ 
breeuws aan het licht moeten brengen. 

Vooral in één opzicht blijkt — en zal ook in de toekomst nog meer blijken — deze rollen- 
vondst van zeer groot belang te zijn. En hier komen wij tot wat waarschijnlijk wel als de be¬ 
langrijkste schrede vooruit gezien kan worden die gedurende de laatste drie decennia op het 
gebied van de studie van de Hebreeuwse taal is gezet. Deze teksten, over wier vóór-maso- 
retische datering thans geen twijfel meer mogelijk is, gunnen ons een blik in de structuur van 
het Hebreeuws voordat de Masoreten dat tot een min of meer kunstmatige taal vervormd 
hadden. Reeds Prof. Dr. M. Th. Houtsma wees in zijn inaugurele rede in 1890 over De 
ontwikkelingsgang der Hebreeuwse taalstudie met nadruk op dit kunstmatige karakter van 
het Hebreeuws. In zijn tijd kon de taalvorser echter alleen op grond van de vergelijkende Se¬ 
mitische taalwetenschap — en hoe schaars waren toenmaals nog de bouwstoffen voor dat 

2 ) Het Ugaritisch, de taal van het oude Ugarit 
(Ras-es-Samra) wordt behalve in genoemd woor¬ 
denboek ook in de boven genoemde grammatica van 
Beer-Meyer ter adstructie nog al eens aangehaald. 

Van belang is dit vooral omdat het Ugaritisch een 
zeer oud stadium van het Noord-Westsemitisch 
vertegenwordigt. In het Ugaritisch kan men b.v. 
constateren, dat de contractie ai > ë reeds oud- 
Kana c anitisch moet zijn geweest. Immers *baitu 
(huis) verschijnt daar reeds als bt (Hebr. stat. 
absol. baiit; stat. constr. bet; Beer-Meyer, I, 66). 


3 ) Deze uitdrukking die in Ps. 68:5 voorkomt 
werd vroeger vertaald door: „hij die door de step¬ 
pen rijdt”. Men dacht dan aan de vlakke velden van 
de Araba, het land ten Zuiden van de Dode Zee. 
Het ugaritische rkb c rpt heeft echter waarschijnlijk 
gemaakt, dat „Wolkenruiter” een betere vertaling zal 
zijn. Zo komt de uitdrukking ook meer in overeen¬ 
stemming met het in Ps. 68:34 gebezigde rökëb 
bassamaiim (rijdend op de hemel). Er is trouwens 
een Talmudische plaats (Chagiga, 12b) waar de 
zevende hemel c arabot genoemd wordt. 












44 


DE HEBREEUWSE TAALWETENSCHAP IN DE LAATSTE DERTIG JAAR 


gebouw! — tot de meer oorspronkelijke vormen van de taal induceren. De quaestie is nl., 
dat de Masoreten (8e-ioe eeuw a.d.) het Hebreeuws niet alleen van vocalen hebben voorzien, 
doch ook grammaticale vormen hebben gewijzigd door b.v. reeds lang afgesleten uitgangen 
weer in ere te herstellen (b.v. de uitgangen -ta en -ka van de tweede pers. masc.) De in 
resp. Griekse en Latijnse karakters getranslitereerde Hebreeuwse teksten bij Origenes (± 200 
a.d.) en Hieronymus (=t 400 a.d.) hebben ons getoond dat genoemde uitgangen van de 
tweede persoon in hun tijd af gesleten waren en dat ook verschillende laryngalen niet meer 
uitgesproken werden. De orthographie van de rollen leert ons nu, dat aan de ene kant ge¬ 
noemde uitgangen nog bestonden, doch dat er aan de andere kant reeds onzekerheid ging 
optreden ten aanzien van de uitspraak der laryngalen. Men kan dus nu deze en dergelijke 
ontwikkelingen enigszins volgen en constateren hoe de Masoreten archaïserend te werk zijn 
gegaan. 

Nu was men in de afgelopen decennia reeds bezig om zich gedachten te vormen over 
de vóór-masoretische toestand van het Hebreeuws. Studies als die van Kurt Levy Zur Maso- 
retischen Grammatik (1938), Alexander Sperber, Hebrew Based upon Gr eek and Latin 
Transliterations (1938), Hebrew Based upon Biblical Passages in Parallel Transmission 
(ï939), Hebrew Grammar, a New Approach (1943) en Biblical Hebrew (1949) en bovenal 
die van Paul Kahle van wie hier het in 1947 verschenen The Cairo Geniza niet onvermeld 
mag blijven, leggen daar getuigenis van af. De vondst der nieuwe rollen geschiedde dus als 
het ware te rechter tijd en kon in zekere zin meteen enkele theorieën op dit terrein bevestigen 
of corrigeren. 

Ook op andere terreinen der Hebreewse taalstudie is er in de afgelopen decennia zeker 
belangrijk werk verricht. Veel zal hier ongenoemd moeten blijven, doch een studie als van 
G. R. Driver Problems of the Hebreiv Verbal System van 1936 moet toch ongetwijfeld 
vermeld worden. 

Voorts zijn er talrijke monografieën verschenen die zich met een bepaald woordonder¬ 
zoek bezighouden. Als voorbeeld moge de gedegen studie van Dr. J. H. Becker over Het 
begrip Nefesj in het Oude Testament (1942) genoemd worden, doch er zijn er meer. Ook 
door dergelijke studies zal men stap voor stap verder komen tot een beter verstaan van het 
Hebreeuws van het Oude Testament. 

Het onderzoek van de verschillende te onderkennen dialecten in het Oude Testament is 
nog nauwelijks aangevat. Het is juist die uniformering van het O.T.isch Hebreeuws door 
de Masoreten die het ons hier niet makkelijk maakt, ook al is het wel duidelijk, dat het ook 
weer niet zó is als Bauer en Leander menen, dat nl. door de werkzaamheid der Masoreten 
,,Debora nicht anders redet wie Qohelet. ,, 

Dat naast dit alles een verder voortschrijden van de vergelijkende Semitische taalweten¬ 
schap en van de kennis der Semitische talen afzonderlijk — als nieuwe verschijning 
daaronder werd het Ugaritisch reeds genoemd —, een grote rol speelt voor de ont¬ 
wikkeling van de Hebreeuwse taalstudie spreekt van zelf. Ook omgekeerd is dit het 
geval. Van het eerste moge echter nog één voorbeeld genoemd worden. De be¬ 
oefenaren der vergelijkende Semitische taalwetenschap zijn er hoe langer hoe meer 
van overtuigd geraakt, dat de Semitische wortels oorspronkelijk twee-radicalig zijn geweest. 
De nu zo in het oog springende drie-radicaligheid der Semitische wortels blijkt een uitbreiding 
van een later stadium te zijn. Men ziet nu ook, dat vele verschillende drie-radicalige wortels 
een betekenis dragend element van twee radicalen met elkaar gemeen hebben en daardoor ook 
verwant met elkaar zijn. Ook dit onderzoek is — zeker voor het Hebreeuws — pas in het 
beginstadium. In dit verband moet echter zeker vermeld worden de voortreffelijke Étude sur 
Ie sens de la racine QWH van Prof Dr. P. A. H. de Boer in O.T.S. X van 1954. 

Samenvattend en terugziende kan er met de woorden van Prof. Houtsma uit diens 
bovengenoemde inaugurale oratie toch ook nu weer gezegd worden: „Neen, wij tobben ons 
niet te vergeefs in eenen cirkelgang af, wij gaan wel degelijk vooruit!” 

Groningen, mei 1956, 



J. H. Hospers 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 

Handboeken, De Afzonderlijke boeken van het Oude Testament 

Handboeken 

Wie de commentarenreeksen die op het ogenblik verschijnen, overziet kan niet anders 
dan een accentverschuiving constateren, als hij terug ziet op de voorbije periode van onze eeuw. 
Schreven de Bijbelgeleerden eerst commentaren voor hun vakgenoten en was hun interesse zo 
gericht, dat de religieuze inhoud der Bijbelboeken zeker niet de hoofdnadruk had, in onze 
dagen schijnt een verheugende belangstelling van niet-specialisten alsook een hernieuwde 
theologische belangstelling voor de H. Schrift de geleerden ertoe te brengen de verworven in¬ 
zichten ter kennis te brengen aan alle waarlijk belangstellenden; tegelijkertijd wordt daarbij 
meer de nadruk gelegd op de religieuze waarde van de Bijbel en de godsdienstige strekking 
der verschillende boeken. Naast de wetenschappelijke verklaringen verschijnen zodoende 
zeer vele meer populaire commentaren, overigens van zeer verschillend gehalte. Deze maken 
zelfs het grootste deel uit van de op het ogenblik verschijnende Bijbelverklaringen. Ik moge 
beginnen met U althans de voornaamste van deze reeksen voor te stellen. 

Van zuiver wetenschappelijke aard zijn: 

1. Handbuch zum alten Testament (HAT) (herausgegeben v. O. Eissfeldt, Tübingen, 
1934 vv.). Reeds enige tijd voor de oorlog begonnen, zijn hiervan de laatste jaren verschillende 
bijgewerkte herdrukken verschenen naast een viertal nieuwe delen. De serie is bedoeld voor 
theologie-studenten, maar verdienen evenzeer de aandacht van de geleerden. De laatste delen 
worden bovendien groter van omvang en zijn meer dan handboeken. Veel aandacht wordt be¬ 
steed aan buiten-Bijbelse paralellen. Het HAT wordt verzorgd door de meest vooraanstaande 
geleerden en is daarom van groot belang. 

2. Commentaar op het Oude Testament (COT) (Onder red. v. G. Ch. Aalders, W. H. 
Gispen en J. Ridderbos; Kampen, 1948vv). Deze zeer uitvoerige commentaar vertoont al 
de eigenschappen, die onze gereformeerde Bijbelgeleerden kenmerken: grote eruditie, ware 
godsdienstzin, sterk conservatisme en... een eigen soort Nederlands. Mist men hier goeddeels 
de toepassing van een verantwoorde Bijbelkritiek, de zeer uitvoerige en erudiete detailonder- 
zoekingen geven aan deze reeks zijn eigen grote waarde- 

3. Biblischer Kommentar, herausgeg. v. M. Noth (Neukirchen). Deze nieuwste commen¬ 
tarenreeks is op de eerste plaats bedoeld voor studenten en zielzorgers, maar toch worden alle 
wetenschappelijke vragen onder ogen gezien, terwijl daarnaast grote nadruk op de theologische 
inhoud der Bijbelboeken zal worden gelegd. Van deze veelbelovende serie, die in Juli 1955 zou 
gaan verschijnen, is echter bij mijn weten nog niets uitgekomen la ). 

Op niet al te grote afstand van deze wetenschappelijke Bijbelverklaringen staan de series, 
die men als haute vulgarisation pleegt aan te duiden en die zich over het algemeen van de 
eerste slechts onderscheiden door het vermijden van de meer technische kwesties. Een duide¬ 
lijke scheidingslijn is niet altijd te trekken. 

4. De Boeken van het Oude Testament (BOT) (onder red. v. A. v.d. Born, W. Grossouw 
en J. v. d. Ploeg; Roermond, 1952 w.). Deze commentaar staat op hoog niveau, en men 
kan er zich slechts over verheugen, dat de Nederlandse katholieken in hun eerste commen¬ 
tarenreeks op het Oude Testament zich zo van hun beste zijde laten zien. Wel zijn sommige 
afleveringen voor niet-specialisten misschien toch nog te technisch en te weinig theologisch. 

5. La Sacra Bibbia (sotto la direzione di S. Garofalo; Torino, 1947 vv.). Deze Italiaanse 
reeks, geeft behalve een vertaling uit de grondtekst ook de Vulgaattekst en bij de Psalmen 
bovendien nog de nieuwe Latijnse vertaling van het Bijbelinstituut. Inleiding en commentaren 

la ) Intussen verschenen drie afleveringen: twee over Ezekiël, een over de Klaagliederen. 













46 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


zijn uitvoeriger dan die van de Nederlandse, en worden nog steeds uitvoeriger. Naast een 
grote openheid voor moderne critische inzichten, worden hier en daar nog enkele conservatieve 
geluiden gehoord. 

6. Das Alte Testament Deutsch (herausgeg. v. V. Herntrich u. A. Weiser; Göttingen, 
1949 w.). Deze zeer religieus ingestelde commentaar slaagt er zeer goed in, met vermijding 
der technische problemen, zijn lezers een duidelijk inzicht te geven in de problemen, de zin 
en de schoonheid der boeken van het O.T.; hier wordt de ideale vorm van vulgarisatie be¬ 
naderd. Jammer dat sommige auteurs hier en daar van exegeet tot predikant worden, hetgeen 
voor een juist afgewogen en verantwoorde exegese niet bevorderlijk is. 

7. La Sainte Bible (sous la direction de L. Pirot et A. Clamer; Paris, 1935 w.) geeft 
naast een Franse vertaling eveneens de Vulgaattekst. De vorm van vulgarisatie is niet zo 
goed als van de voorgaande, maar over het algemeen van zeer goed gehalte. Jammer dat de 
profeten in één deel zijn ondergebracht; daardoor krijgen zij niet de behandeling die hun in 
het geheel van het Oude Testament toekomt. Deze reeks is de enige moderne katholieke 
commentarenreeks in Frankrijk (behalve de bekende Études bibliques ) en heeft hierdoor een 
eigen functie te vervullen. 

8. La Biblia (pels Monjos de Montserrat; Montserrat, 1928 vv.). Deze Catalaanse ver¬ 
taling en commentaar, die vanaf 1936 tot 1950 niet is voortgezet, verschijnt nu weer regel¬ 
matig. Alle delen zijn tot nu toe van de hand van twee der monniken. De geest is tamelijk 
conservatief; er wordt weinig aandacht besteed aan litterair-kritische en litterair-historische 
vragen, terwijl ook de theologische zijde niet sterk is. 

Andere commentaren zijn eveneens vulgariserend, maar leggen meer de nadruk op het 
direkt praktisch Verwerten van de H. Schrift. Hiervan mogen genoemd worden: 

9. The Interpreter’s Bible (ed. by G. A. Buttrick; New-York, 1951 w.). Deze serie 
geeft een dubbele vertaling ( King James Version en Revised Standard Version ), een korte 
commentaar en dan een aparte afdeling onder de titel Exposition, waar de actuele betekenis der 
Bijbelboeken in behandeld wordt. Doordat echter de commentaar en de Exposition steeds 
aan twee verschillende auteurs zijn toevertrouwd, sluiten de beide afdelingen niet altijd op 
elkaar aan. Hetzelfde is het geval met de geboden vertalingen en de commentaar, die op de 
Hebreeuwse tekst gebaseerd is. Het eerste deel opent met zeer goede algemene artikelen 
ter inleiding. 

10. Herders Bibelkommentar (Die H. Schrift für das Leben erklart; Freiburg i. Br., 
I 93S VV *)* Exegese en practische toepassing zijn tot één geheel verweven in deze tamelijk 
uitvoerige commentaar, waardoor de practische doelstelling nog meer naar voren komt. De 
Duitse katholieken beschikken hierin over een zeer goede commentaar, die bijna volledig is. 

Sommige series verleggen het zwaartepunt zozeer op de practische toepassing, dat de 
exegese niet meer tot zijn recht komt. Dit genre is voor ons hier niet van belang; wij noemen 
hiervan slechts de in Stuttgart verschijnende reeks: Die Botschaft des alten Testaments. 

Wel van belang zijn enkele nieuwe vertalingen, welke met inleidingen en aantekeningen 
verschijnen en daardoor soms de waarde van een kleine commentaar hebben. 

11. Bible de Jérusalem (La Sainte Bible traduite en frangais sous la direction de 1’École 
biblique de Jérusalem; Paris, 1948 w-1954). 

Deze serie is in zijn soort bijna ideaal: een zeer verzorgde vertaling, vrij uitvoerige 
inleidingen, waarbij met name op de zin en theologische inhoud der boeken wordt gewezen, 
maar ook de overige problemen niet ontweken worden, en korte, maar substantiële tekst¬ 
kritische en verklarende aantekeningen. Deze serie vertegenwoordigt de meest progressieve 
richting der katholieke exegese. 

12. Echter-Bibel (Die H. Schrift in deutscher Übersetzung, herausg. v. Fr. Nötscher; 
Würzburg, 1947-1952). De inleidingen van deze serie zijn aanmerkelijk korter dan van de 


de verklaring van het oude testament 


47 


vorige, maar de aantekeningen iets uitgebreider en worden inderdaad een kleine commentaar, 
hoewel natuurlijk steeds met vermijding van technische problemen. 

Wij zouden hier nog andere dergelijke series kunnen toevoegen, maar wij moeten ons 
tot de allervoornaamste beperken. 

Alvorens nu over te gaan naar de bespreking der afzonderlijke boeken van het Oude 
Testament, meen ik nog Uw aandacht te moeten vragen voor een nieuwere richting in de 
exegese, die vooral in Frankrijk steeds groter ingang vindt. De overige tendenzen in de exe¬ 
gese zijn voldoende besproken in The O ld Testament and Modern Study en het is voor ons 
genoeg te zien, hoe deze verschillende tendenzen in de commentaren der laatste jaren 
vertegenwoordigd zijn- Maar de nieuwe richting in de Katholieke Franse Bijbelverklaring 
is minder bekend. Het grote beginsel van deze richting is, dat boven alle vergelijking met 
buitenbijbelse gegevens bij de verklaring der H. Schrift de aandacht dient geschonken aan een 
systematische vergelijking der Bijbelse gegevens zelf. Een groot gedeelte der oudtestamentische 
litteratuur teert sterk op de geschriften, die hen voorafgingen, met name de post-exilische 
litteratuur. Oude thema's en ideeën worden hernomen en in eigen ideeën verwerkt. Dit 
kan men echter alleen constateren door een zeer nauwkeurig onderzoek van de Bijbelse 
bronnen der verschillende boeken (vandaar de naam: méthode des parallêlismes) . De stijl van 
deze geschriften wordt dan aangeduid als style antkologique. Natuurlijk is al langer bekend, 
dat verschillende Bijbelse geschriften een onderlinge afhankelijkheid vertonen. Maar de nieuwe 
richting meent, dat men niet genoeg is ingegaan op de omvang en de consequenties van dit 
verschijnsel. 

De grote voorman van deze richting is A. Robert, die o.a. Spreuken i-ix en het Hooglied 
op deze manier verklaart. A. Feuillet behandelt op deze wijze het Hooglied, Jonas, de 
mensenzoon van het boek Daniël, de Isaias-apokalyps en verschillende psalmen. R. Tournay 
past dezelfde methode toe op de Ebed-Jahweh-liederen en op zeer veel psalmen, terwijl 
M. Delcor een studie over Deutero-Zacharias schreef in dezelfde geest Met name wordt 
door deze methode geconcludeerd tot de allegorische zin van het Hooglied, en tot een sterke 
profetische invloed in de psalmen. Door dit laatste stelt deze richting zich principieel tegen¬ 
over degenen, die een beïnvloeding van de profeten door de psalmen (cultus) aannemen. 

Het moge ons voldoende zijn, hier op deze nieuwe richting de aandacht te hebben ge¬ 
vestigd. De voornaamste litteratuur is: 

A. Robert, Les attachés littérair es bibliques de Prov. I-IX, RB 43 (1934) 42-68; 172-204; 374-384; 44 
(1935) 344-365; 502-525. 

A. Robert, Le genre littéraire du Cantique des Cantiques, RB 52 (1945) 192-213. 

-, Le Cantique des Cantiques (Bible de Jér.) Paris, 1951. 

A. Feuillet, Les sources du livre de Jonas, RB 54 (1947) 161-186. 

-■, Le Cantique des Cantiques (Lectio Divina 10), Paris, 1953. 

-, Le Fils de l’homme de Daniël et la tradiiion biblique, RB 60 (1953) 170-202; 321-346. 

R. Tournay, Les Psaumes (Bible de Jér.) 1951, 2 e dr. 1955. 

*-, Les chants du Serviteur dans la seconde partie dTsale, RB 59 (1952) 355-384; 481-512. 

M. Delcor, Les sources du Deutéro-Zacharie et ses procédés d’emfrunt, RB 59 (1952) 385-411. 


De afzonderlijke Boeken van het Oude Testament 
I. Genesis (zie blz. 16) 

Commentaren: G. von Rad (ATD), 1950-1953; R. de Vaux (Bible de Jér.), 1951; H. Junker 
(Echter-Bibel), 1952; A. Clamer (La Sainte Bible), 1953; C. A. Simpson (Interpr. Bible), 1953. 

Litteratuur: C. Hauret, Origines; Genese I-III, Lugon, 1950; A. Richardson, Genesis I-XI 
(Torch Bible Commentaries), London, 1953; J. Coppens, Le protévangile. Un nouvel essai d’exégèse, ETL 
26 (1950) 5-36; J. Lindblom, The Political Background of the Shiloh Oracle, Congress Volume (Suppl. 
to VT, I), 1953, 78-87; G. von Rad, Josephsgeschichte und altere Chokma, ibid. 120-127; B. Rigaux, La 
femme et son lignage dans Genese III 14-15, RB 61 (1954) 321-348. 

Het werk van von Rad is het belangrijkste, wat de afgelopen jaren over Genesis ver¬ 
scheen ; daarnaast is Clamer wel goed geïnformeerd, maar het persoonlijk stempel ontbreekt 














4 8 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


grotendeels. Simpson beweegt zich in de oude banen van de documententheorie en legt veel 
nadruk op de analyse dezer bronnen. Ook von Rad handhaaft de documenten — en de 
Hexateuchtheorie —, maar meent dat vooral J en E zo met elkaar verweven zijn, dat zij niet 
meer los te maken zijn. Bovendien legt hij een sterke nadruk op de oude tradities, die in de 
documenten zijn verwerkt. Van deze zou de Sinaïtraditie eerst onafhankelijk hebben bestaan 
en pas door J met de overige zijn verbonden. Hetzelfde geldt voor de Patriarchen-tradities, 
die hij sterk zou hebben uitgebouwd, en van de oergeschiedenis. De Josephgeschiedenis neemt 
eveneens een bijzondere plaats in en wel om zijn eigen litteraire aard, die sterke verwantschap 
met de wijsheidslitteratuur vertoont. Van bijzonder belang lijken mij ook von Rad’s be¬ 
schouwingen over het eigen karakter der Oud-Testamentische „sagen” en de veranderde zin 
veler lokale sagen door hun opname in de Heilsgeschiedenis. Clamer houdt zich hoofdzake¬ 
lijk aan de oude documenten; hij spreekt wel verschillende malen over tradities, maar zijn 
manier van behandeling der teksten verandert daar niet mee. De Vaux beschouwt J E, enz. 
niet als documenten maar als parallelle tradities. Hij meent ook op grond van deze parallelle 
tradities, dat deze op een gemeenschappelijke oorsprong moeten terug gaan, die zeer goed in 
de persoon van Mozes gevonden zou kunnen worden. Hierin stemt Junker met hem over¬ 
een. De Vaux heeft zich ook aangesloten bij de Tetrateuch-theorie. Van de speciale studies 
zij het voldoende deze aangehaald te hebben als getuigen van het bijzonder interesse (Oer¬ 
geschiedenis) of van nieuwgeboden gezichtspunten. 

II. Exodus (zie blz. 16) 

Commentaren: U. Cassuto, Jerusalem, 1951 (Hebreeuws); B. Couroyer (Bible de Jer.), 1952; 
H. Schneider (Echter-Bibel), 1952; C. Rylaardsdam (Interpr. Bible), 1953. 

Litteratuur: J. Rowley, Moses and the Decalogue, BJRL 34 (1951) 81-118; H. Cazelles, Les 
localisations de Vexode et la critique littéraire, RB 62 (1955) 3 2I_ 364. 

Cassuto is steeds tegenstander gebleven van elke bronnenscheiding in de Torah, die 
slechts een verkorte weergave zou zijn van één groot, nationaal, religieus-episch gedicht. Door 
de mondelinge samenstelling daarvan worden bij hem alle doubletten en litteraire oneffenheden 
verklaard. Rylaardsdam is in dit opzicht klassiek-wellhauseniaans, terwijl Couroyer over 
tradities spreekt. De datering van de Exodus blijft nog steeds variëren tussen de vijftiende 
en de dertiende eeuw. Schneider bespreekt (bij Numerï) de mogelijkheid van een dubbele 
uittocht, één rond 1440-1400 met verblijf in Kadesj, en één rond 1230, die na twee jaar 
Jericho bereikte. De Pharao van de Uittocht in Ex. I zou Amenophis II (1447-1423) zijn. 
Cazelles daarentegen meent een elohistische, noordelijke traditie te kunnen vaststellen, die 
een uittocht door het Sinaïtisch schiereiland veronderstelt. Als de zuidelijke stammen zich 
later deze noordelijke traditie eigen maken, zouden zij zich een voorstelling van de uittocht 
gevormd hebben steunend op indrukken aan Egyptische overheersing en de verdrijving der 
Hyksos, waardoor een uittocht langs de kust gevormd werd. Daarmee blijft dus slechts één 
uittocht bestaan, die volgens Cazelles in de dertiende eeuw dient gesteld. Rowley bepleit de 
Mozaïsche oorsprong van de Decaloog, terwijl de rituele decaloog (Ex. xxxiv) wellicht met de 
Kenieten in verband gebracht zou kunnen worden. 

III. Leviticus-Numeri (zie blz. 16) 

Commentaren: A. Levit. W. H. Gispen (COT), 1950; H. Cazelles (Bible de Jér.) 1951; H. 
Schneider (Echter-Bibel), 1952; J. Marsh (Interpr. Bible), 1953. — B. Numerï; H. Cazelles (Bible de 
Jér.), 1952; H. Schneider (Echter-Bibel) 1952; J. Marsh (Interpr. Bible), 1953; K F. Kramer (HBK), 
T 955 - 

Litteratuur: W. Kornfeld, Studiën zum Heiligkeitsgesetz, Wien, 1952; R. Rendtorff, Die 
Gesetze in der Priester schrift. Eine gattungsgeschichtliche Untersuchung, Göttingen, 1954 (FRLANT 62). 

Volgens Gispen vinden de wetten van Lev. hun oorsprong in een directe openbaring 
van God aan Mozes en Aaron; daarom wijst hij het bestaan van een P-traditie en van afzon¬ 
derlijke groepen van wetten, zoals de Heiligheids wet, af. Overigens bevat Gispen veel goede 


de verklaring van het oude testament 


49 


elementen, vooral wat de godsdienstige waarde van het boek Lev. betreft. Dit laatste geldt ook 
van Micklem, die zich evenals Marsh aan de klassieke documenten-theorie houdt. Schneider 
en Cazelles houden beiden de definitieve redactie der boeken voor na- exilisch, maar leggen 
sterk de nadruk op de lange voorgeschiedenis en de oude elementen die daarmee overgleverd 
zijn. De Heiligheidswet is, volgens Cazelles, misschien als de Jerusalemse tegenhanger van de 
uit het Noorden stammende wet van Deut. te beschouwen. De P- traditie is ingevoegd in een 
kader van J- en E-verhalen, en is zelf weer te onderscheiden in een soort Grundschrift en 
latere toevoegingen. Nadere studie van de wetsvormen, in aansluiting bij Alt en Begrich, 
bieden Kornfeld en Rendtorff. 

IV. Deuteronomium (zie blz. 16) 

Commentaren: H. Cazelles (Bible de Jér.), 1950; H. Junker (Echter-Bibel), 1952; G. E. 
Wright (Interpr. Bible), 1953; K. F. Kramer (HBK), 1955. 

Litteratuur: K. Galling, Das Gemeindegesetz in Deut. XXIII, Festschr. f. A. Bertholet, Tübingen, 
1950, 176-191; A. R. Hulst, Der Name „Israël” im Deuteronomium, OTS ix (1951) 65-106; G. E. Wright, 
The Levites in Deuteronomy , VT 4 (1954) 325-330. 

Cazelles houdt de Noordelijke oorsprong van de wet van Deut., die na 722 door Levieten 
naar Jerusalem zou zijn overgebracht. Tijdens Ezechias zouden dan de verschillende collecties 
verzameld zijn en uitgebreid, onder andere met de wet over eenheid van heiligdom. Een tweede 
uitgave onder ballingschap heeft dan onder andere Hfdst. i-iv en gedeelten van Hfdst. xxvm, 
xxxi en xxxii toegevoegd. Decaloog en geest der wet getuigen van een zeer traditionele geest, 
waarbij de vernieuwingen slechts dienen tot handhaving van de zuiverheid der godsdienst, die 
met Mozes begonnen was. In deze zin is de Mozaïsche oorsprong geen fictie. Dezelfde op¬ 
vattingen is Wright toegedaan, die evenwel de tweede uitgave van Deut. in verband brengt 
met het grote deuteronomistisch geschiedwerk, waarvan Deut. toen het eerste deel ging vor¬ 
men 1 ). Wright brengt verder de Noordelijke kern van Deut. in verband met het heiligdom 
van Sichem. Hij meent eveneens te kunnen aantonen, dat in Deut. reeds onderscheiden wordt 
tussen altar-clergy = priesters en client-clergy = levieten, zodat deze reeds voor en buiten P 
aanwezig zou zijn. Junker plaatst de eerste samenstelling van Deut. eveneens onder Ezechias, 
onder wiens regering meerdere oude tradities verzameld werden. Hij pleit dan met name voor 
de oude oorsprong van de wet over de centralisering van de eredienst 2 ). 

V. Josue 

Commentaren: A. Gelin (La Sainte Bible), 1949; F. Nötscher (Echter-Bibel), 1950; F. M. Abel 
Bible de Jér.), 1950; M. Noth (HAT), 2 e dr., 1952; B. Alfrink (BOT), 1952; D. Baldi (Bibbia Garo- 
falo), 1952; H. HertzbErg (ATD), 1953; J. Bright (Interpr. Bible), 1953; B. Ubach (Bibl. de Mont- 
serrat), 1953. 

Noth neemt in de tweede editie van zijn commentaar een dubbele deuteronomistische 
redactie aan, waarvan de tweede xin-xxi en xxiv heeft toegevoegd. De Gilgal-tradities van 
ii-xi, waar de figuur van Josue eerst later een plaats in heeft gekregen, werden reeds rond 
900 verzameld, xiii-xxin bevatten theoretische grensopgaven der verschillende stammen van 
vóór de monarchie en een stedenlijst van Juda uit de tijd van koning Josias, terwijl xxiv 
onder de deuteronomistische bewerking een traditie over samenkomst in Sichem bewaart. Josue 
is geen voortzetting van de Pentateuch, maar een onderdeel van deuteronomistische geschie¬ 
denis. In overeenstemming hiermee wordt in geen der commentaren de Hexateuch-theorie 
verdedigd 3 ). J. Bright neemt evenwel nog aan, dat de kern van i-xii eerst deel uit gemaakt 
hebben van J- en E-traditie, doch later in deuteronomistisch geschiedwerk zijn opgenomen. 
Ook op de ouderdom der samenstellende elementen wordt vrij algemeen de nadruk gelegd. 

1 ) Hiermee is Cazelles het niet eens; zie: A Ps 78 und des Deuteronomium, Bibl. 34 (1953) 487-500. 

propos du Pentateuque, Bibl. 35 (1954) 279-298. 3 ) Nog wel bij W. Gutbrod, Josua und Richter 

2 ) Zie ook: H. Junker, Die Entstehungszeit des (Die Botschaft des ATs), Stuttgart, 1951. 
Jaarbericht n°. 14 


4 









50 DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 

Baldi meent dat de verzameling van sommige gedeelten reeds onder David en Salomon dient 
gesteld te worden. Volgens Nötscher blijkt uit vi 25 dat het daarbij aansluitend verhaal van 
een tijdgenoot van Josue is. Alfrink meent zelfs, dat het boek in zijn geheel geschreven is 
ten tijde van het Hebronietisch koningschap van David. Volgens hem zou ook de deuterono- 
mistische redactie toen reeds aanwezig zijn geweest en moet dan Deut. van vóór die tijd 
stammen. Bijna alle commentaren komen op tegen het scepticisme van Noth aangaande de 
betrouwbaarheid der aetiologische verhalen in het eerste deel van het boek. Zo bv. Gelin, 
Nötscher, Baldi, Hertzberg, Ubach. Hertzberg kent ook een grotere plaats toe aan de 
persoon van Josue, hoewel hij die toch zeer gering acht. Volgens hem is Josue een deel van het 
grote deuteronomistisch geschiedwerk, dat hij echter niet aan één auteur, maar aan een kring 
van deuteronomisten wil toeschrijven, om zodoende het bijzonder karakter der verschillende 
boeken, die er toe behoren, te kunnen verklaren. De overige commentaren spreken zich over 
deze kwestie niet uit. Alleen Nötscher verdedigt Josue als zelfstandig deuteronomistisch 
werk. Verder blijkt het dispuut over de datering van de stedenlijst van Juda nog niet geëindigd. 
Hertzberg, bv., sluit zich aan bij Noth, terwijl Bright een datering onder Salomon voor¬ 
staat. 

VI. Rechters 

Commentaren: F. Nötscher (Eehter-Bibel), 1950; A. Vincent (Bible de Jér.), 1952; H. Hertz¬ 
berg (ATD), 1953; J. Myer,s (Interpr. Bible), 1953; B. Ubach (Bibl. de Montserrat), 1953. 

Litteratuur: M. Not, Das Amt des „Richters Israels ,} , Festschr. f. A. Bertholet, Tübingen, 
1950, 404-4U. 

Volgens Nötscher stamt het boek der Rechters van één auteur, die de losse verhalen 
verzamelde en in deuteronomistische geest bewerkte; later zijn slechts inleiding en aanhangsels 
toegevoegd. Vincent meent daarentegen een dubbele recensie te moeten aannemen, de eerste 
niet-deuteronomistisch onder Ezekias, de tweede in deuteronomistische geest, waaraan dan de 
aanhangsels later zijn toegevoegd. Ook de notities over de kleine rechters zijn van een andere 
hand. In aansluiting aan Noth beschouwt Hertzberg de lijst van kleine rechters als een oor¬ 
spronkelijk zelfstandige bron. Noth meent hier te doen te hebben met rechters over het 
twaalf-stammen-verbond. Dit ambt zou naar Mich. iv 14 en Deut . xvu 8-13 ook onder het 
koningschap hebben voortbestaan. Myers houdt dat de verhalen van Recht, oorspronkelijk deel 
uit maakten van J-E documenten, die dan later in deuteronomistische geest zijn bewerkt. 
Ubach schenkt weinig aandacht aan litteraire en theologische vragen. Een werkelijk belang¬ 
rijke commentaar valt hier niet te vermelden. 

VIL Ruth (zie blz. 25) 

Commentaren: J. Fischer (Echter-Bibel), 1950; A. Vincent (Bible de Jér.), 1952; H. Hertz¬ 
berg (ATD), 1953; L. P. Smith (Interpr. Bible), 1953. 

Hertzberg meent, dat de zin van dit boek gelegen is in het alles overwinnende Gods¬ 
vertrouwen (II 12), en hierom en mede vanwege het archaïsch karakter van leviraat plaatst 
hij het boek in het midden van de koningstijd. Vincent ziet het boek gericht tegen het exclu¬ 
sivisme van Esdras, waar tegenover in de figuur der Moabietische een universalistische op¬ 
vatting verdedigd wordt. Ook zou het leviraat voorgestaan worden tegen nieuwere priester- 
wetten in. Datering: rond 450. Een na-exilische oorsprong houdt ook mej. Smith, die echter 
op grond van archaïsche elementen, meent, dat hierbij een oud verhaal is benut. Dit laatste 
houdt ook Fischer voor mogelijk. 



VIII. Samuel 

Commentaren: B. Ubach (Bible de Montserrat), 1952; G. B. Caird (Interpr. Bible), 1953; 
R. de Vaux (Bible de Jér.), 1953; G. Bressan (Bibbia Garofalo), 1954. 

Litteratuur: O. Eissfeldt, Ein gescheiterter Versuch der Wiedervereinigung Israels (II Sam. 
II 12-III 1), N. Oio 3 (1951) 110-127; 4 (1952) 55-59; J. Porter, The Interpretation of II Sam. VI and 
Psalm CXXXII, JThSt 5 (1954) 161-173. 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


51 


De zeer uitvoerige en van zeer goede bibliographie voorziene commentaar van Bressan 
is ongetwijfeld de meest belangrijke van deze jaren; hier en daar getuigt zij van enigermate 
conservatieve opvattingen, wanneer bv. het direct messiaans karakter van II Sam. vu uit 
citaten van het N.T. bewezen wordt, en bij de interpretatie van het Canticum Annae, maar dit 
geldt zeker niet voor de geest van de commentaar. Bressan meent, dat de bron van II Sam. 
ix-xx en I Kon. I-II ook in de overige delen van het boek wordt aangetroffen. Van deze 
contemporaine auteur zouden onder andere ook I Sam. ix, xiv, xxv, xxx, enz. stammen en 
in het geheel van zijn geschrift zou zo de kern en tendens van ons huidige boek Samuel reeds 
zijn vervat. Daarnaast bestaat een tweede doorlopende bron, waarvan de compilator niet alles 
heeft gebruikt. In deze is Samuel de hoofdpersoon en komen anti-monarchistische tendenzen 
voor. Deze tweede bron is enige tijd later geschreven. De tijd der compilatie waarbij ook nog en¬ 
kele kleinerebronnen werden benut is zeker vóór Deut. te stellen, waarvan immers slechts enkele 
latere toevoegingen in Sam. worden aangetroffen. De tijd is misschien eind negende eeuw. 
Samenhang van de eerste hoofdstukken met Recht, is niet onmogelijk, terwijl I Kon. I-II pas 
later van Sam. is los gemaakt. Dit alles wil echter niet zeggen, dat Sam. onderdeel van deu¬ 
teronomistisch geschiedwerk zou zijn. Ook Caird houdt één doorlopende bron uit de tijd van 
Salomon. Daarnaast is vóór de deuteronomistische recensie een tweede bron ingevoegd met de 
Samuel-verhalen en de tweede traditie over Saul-David tot aan de dood van Saul. Na de 
deuteronomistische recensie had dan de toevoeging plaats van Canticum Annae, verwerping 
van Eli en Saul, Nathan-profetie en poëtische gedeelten van II Sam. xxii-xxm. De Vaux 
vind in I Sam. een oudste traditie, welke iv-vi, iXj x 1-16, xi en xni-xiv omvat en nader¬ 
hand is uitgebreid met I-III, xv en xvi 1-13. Een meer recente traditie is aanwezig in 
vu-vin, x 17-24 en xii. Daarop volgt dan tot II Sam. I een dubbele traditie over het begin 
van Davids optreden. II Sam. II-vi is verwant met oudste gegevens van I Sam. ; II Sam. vu 
is eveneens oud, maar verschillende malen bewerkt; vin is een zelfstandige bron, terwijl 
II Sam. ix-I Kon. I-II de geschiedenis van Davids troonsopvolging bevat. Deze laatste is 
afkomstig van tijdgenoot, terwijl de oudste traditie van I Sam. evenals de dubbelverhalen 
over Saul-David uit de eerste tijd der monarchie stammen. Het geheel was waarschijnlijk reeds 
vóór 700 bijeengebracht en heeft bij opname in deuteronomistisch geschiedwerk een beschei¬ 
den deuteronomistische bewerking ondergaan. Ubach spreekt weinig over litteraire kwesties 
maar ziet toch minstens in I Sam. xvi-xvii een dubbele traditie over de komst van David 
aan het hof van Saul. Opvallend is, dat Bressan en de Vaux II Sam. vu als het middelpunt 
van het gehele werk beschouwen, terwijl Caird dit hoofdstuk als een latere toevoeging be¬ 
schouwt. Vermeld zij nog, dat Porter II Sam. vi in verband brengt met het troonsbestij- 
gingsfeest. 


IX. Koningen 

Commentaren: R. de Vaux (Bible de Jér.), 1949; J. Montgomery-A. S. Gehman (ICC), Edin- 
burgh, 1951; S. Garofalo (Bibbia Garofalo), 1951; P. Ketter (HBK), 1953. 4). 

Het voornaamste werk is hier dat van Montgomery, dat reeds in 1941 gereed was en 
daarom bij zijn verschijnen jammer genoeg op sommige punten reeds iets verouderd was 5 ). 
Als bronnen werden gebruikt: officiële rijksannalen of uittreksels daarvan, profeten-cycli 
van Elias en Eliseus en enkele midrasj-achtige stukken, zoals bv. I Kon. xi 29-39 en xm * 
Latere toevoegingen aan het deuteronomistisch werk, door tijdgenoot van Jeremias geschreven, 
vinden we vanaf II Kon. xxiu 15 w. Garofalo meent, dat de auteur Jeremias zelf of een 
zijner leerlingen moet zijn geweest, daar het boek behalve verwantschap met Deut. ook met de 
geest van Jeremias doordrenkt is. Ketter neemt één enkele auteur aan, die na 587 schreef 
of zelfs, als II Kon. xxv 27 w. geen toevoeging is, na 561. Daartegenover staat de Vaux 
die een redactie van vóór de ballingschap — waarschijnlijk voor de dood van koning Josias — 

4 ) De comment. van de Interpr. Bible heb ik niet 5 ) Voor noodzakelijke aanvullingen, zie: W. F. 
meer kunnen inzien. Albright, JBL 71 (1952) 245-253. 





52 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


en een tweede redactie tijdens de ballingschap aanneemt. Later zouden dan nog xxv 22-30 en 
I Kon. vin 41-51 en andere zijn toegevoegd. 

X. Kronieken-Esdras-Nehemias 

Commentaren: Op beide boeken: M. Rehm (Echter-Bibel), 1949-1950; W. Rudolph ^HAT), 
1949-1955; H. Bückers (HBK), 1952-1953; K. Galling (ATD), 1954; C. C. Torrey, The Chronicler’s 
History of Israël. Chronicles-Ezra-Nehemiah restored to its original form, New Haven, 1954. 6). — Op 
Kronieken: L. Marchal (La Sainte Bible), 1949; H. Cazelles (Bible de Jér.), 1954. — Op Esdras-Neh.: 
A. Médebielle (La Sainte Bible), 1949; A. Fernandez, Madrid, 1951; A. Gelin (Bible de Jér.), 1953. 

Litteratuur: H. Cazelles, La mission d’Esdras y VT 4 (1954) 113-140. 

De oorspronkelijke eenheid van beide werken wordt zo goed als algemeen aanvaard; 
alleen Fernandez houdt vol, dat beide boeken wel van dezelfde auteur zijn maar hij voelt 
niet veel voor de eenheid van beide geschriften. De datering van het boek varieert tussen de 
vierde eeuw (Rudolph, Gelin) en de derde eeuw (Rehm, Bückers, Galling, Cazelles, 
Torrey). Rudolph en Cazelles nemen slechts één enkele redactie aan in het werk, dat dan, 
vooral volgens Rudolph, tamelijk veel toevoegingen zou bevatten. Galling neemt echter 
een tweede redactie aan, daterend van na 197. Ook over het doel van het werk is nog geen 
eensgezindheid. Volgens Rudolph schildert het de verwerkelijking der theocratie eerst onder 
David en dan in de na-exilische gemeente, het geheel dan met een anti-Samaritaanse tendens. 
Deze laatste is voor Torrey het hoofddoel van het gehele werk, waarvoor de fictieve terug¬ 
keer uit de ballingschap geconcipieerd zou zijn. Cazelles sluit meer aan bij Rudolph, maar 
legt grot nadruk op de messiaanse en universalistische ideeën van het werk. De na-exilische 
gemeente is volgens Cazelles niet gezien als de ideale verwerkelijking der theocratie; de 
auteur oefent er immers kritiek op uit. Cazelles laat de mogelijkheid open, dat het werk 
in zijn oorspronkelijke vorm sloot met een messiaans deel. 

Over de chronologische orde van Esdras-N ekemias is de eenstemmigheid nog verre van 
bereikt. De traditionele volgorde wordt aangehouden oa. door Médebielle, Fernandez, 
Bückers en Rehm. De door Albright voorgestelde tekstverandering (7e jaar van Arta- 
xerxes in 37 e ) voor het begin van Esdras’ werkzaamheid is overgenomen door Rudolph en 
Gelin. In 398 wordt het begin van Esdras’ optreden in Jerusalem geplaatst door Galling 
en Cazelles. Galling meent, dat de zending van Esdras door Artaxerxes II in verband 
gebracht kan worden met de moord op Jochanan (Josephus, Antiquit. xi 7, 1). Cazelles 
brengt een nieuw argument naar voren uit de pas gepubliceerde Brooklyn Museum Aramaic 
Papyri 7), waardoor is komen vast te staan, dat de Perzische heerschappij over Egypte tot 401 
heeft geduurd. Het verlies van Egypte zou de versterking van de nieuwe zuidgrens van het 
rijk, noodzakelijk hebben gemaakt. Esdras zou daarom tot taak gehad hebben de eenheid 
tussen Joden en Samaritanen te herstellen. Cazelles probeert bovendien te bewijzen, dat 
Nehemias’ hervorming steunt op Deut., die van Esdras echter op P, hetgeen eveneens een 
chronologische indicatie zou kunnen insluiten. 

XI. Tobias, Judith, Esther 

Commentaren: Op alle drie: F. Stummer (Echter-Bibel), 1950; H. Bückers (HBK), 1953. — 
Verder: A. Clamer, Tobie (La Sainte Bible), 1949; L. Soubigou, Judith-Esther (La Sainte Bible), 1949; 
R. Pautrel, Tobie (Bibl. de Jér.), 1951; P. Barucq, Judith-Esther (Bible de Jur.), 1952; G. Priero, Tobia 
(Bibbia Garofalo), 1953. 8). 

Litteratuur: J. Steinmann, Lecture de Judith, Paris, 1953. 

Verschillende auteurs houden vast aan een historische kern van de inhoud dezer boeken, 
hoewel zeer veel toevoegingen ter verfraaiing worden aangenomen met het oog op de doctri¬ 
naire strekking ervan. Men erkent ook, dat het practisch ondoenlijk is de historische elementen 

6 ) De commentaar van de Interpr. Bible heb ik 8 ) De commentaar op Esther van de Interpr. 

niet kunnen bereiken. Bible heb ik niet meer kunnen inzien. 

7 ) ed. by E. G. Kraeling, New Haven, 1953. 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


53 


en de verfraaiingen te onderkennen. Priero is wellicht het strengst in zijn historische eisen 
en wil met name de chronologische gegevens in Tob. zien gehandhaafd. Een historische basis 
wordt practisch geheel losgelaten door Stummer, Pautrel, Barucq en Steinmann. De 
laatste twee beschouwen Judith als een apokalyps; alleen de hoofdidee van de apokalyptische 
litteratuur is echter aanwezig, nl. de strijd tussen de partij van God en de goddelozen. De 
eerste schijnt tot ondergang gedoemd, maar komt als overwinnaar uit de strijd. Alleen dit 
religieuze drama, los van iedere bepaalde tijd gedacht verdient de aandacht. Daarmee wordt 
ieder zoeken naar identificatie van personen (bv. Nabuchodonosor = Artaxerxes III, zoals 
Stummer en Soubigou menen) overbodig geworden. Barucq plaatst het ontstaan in ± 70 v. 
Chr., terwijl Steinmann aan Maccabese tijd denkt. Bij de verklaring van Tobias steunen 
Bückers, Stummer en Priero vooral op de mss. A en B, terwijl Clamer en Pautrel zich 
meer op Sinaïticus baseren. 


XII. Maccabeeën 

Commentaren: F. M. Abel (Études bibliques), Paris, 1949; M. Grandclaudon (La Sainte Bible), 
1951; S. Zeitlin (Jewish Apocryphal Literature), New York, 1951-1954; A. Penna (Bibbia Garofalo), 
1953 ; J- C. Dancy, I Macc., Oxford, 1954. 

Het grote werk van Abel is hier op de eerste plaats te noemen. Historisch en geografisch 
is er niets beters, terwijl ook het karakter der beide boeken uitstekend wordt aangegeven. II 
Macc. wordt met name gekarakteriseerd als pathetisch-rhetorische geschiedschrijving, wat bij 
Penna en Dancy reeds navolging gevonden heeft. Deze laatste commentaar is bedoeld als 
inleiding voor theologie-studenten Naast Abel is Penna zeker het belangrijkst. Jammer 
genoeg wordt hier de theologie van beide boeken, ondanks de bestaande verschillen, als één 
geheel behandeld. Zeitlin’s commentaar heeft bijzondere waarde door de beschouwingen over 
Joodse tradities. Overigens zijn enkele van zijn meningen nogal buitensporig: van I Macc. zou 
I-xiii van tijdgenoot, niet lang na 135, zijn, maar xiv-xvi is van latere tijd; beide delen 
zouden pas in 70-80 a.d. zijn samengebracht. II Macc. is volgens Zeitlin geschreven onder 
Agrippa I (41-44 a.d.) in Antiochië. 

XIII. Job (zie blz. 24) 

Commentaren:E. Robin (La Sainte Bible), 1949; P. Larcher (Bible de Jér.), 1950; A. Weiser 
(ATD), 1951; G. Hölscher (HAT), 2e dr., 1952; H. Junker (Echter-Bibel), 1952; F. Stier, München, 
1954; J. Steinmann (Lectio Divina), Paris, 1955. 9). 

Litteratuur: W. B. Stevenson, Critical Notes on the Hebrew Text of the Poeni of Job, Aber- 
deen, 1951. 

De zeer religieuze commentaar van Weiser, die soms niet kan nalaten te preken, meent 
in het door hem aangenomen Bundesfest de verklaring te vinden voor verschillende elementen 
van de dramatische gang van het boek Job. Job wordt het voorbeeld van de volmaakte gelovige, 
terwijl de wijsheid zijner vrienden als principieel rationalisme wordt voorgesteld. Met Stier 
tracht hij vooral Job en zijn vrienden van psychologische zijde te benaderen. Het boek van de 
laatste geeft de Hebreeuwse consonantentekst met zeer oorspronkelijke Duitse vertaling, waarop 
een korte verklaring aansluit. Over litteraire vragen is nog lang geen eenstemmigheid bereikt. 
Volgens Junker is het gehele boek van één auteur, die zelf later de toespraken van Elihoe 
invoegde. Robin voelt hier ook veel voor, maar laat de mogelijkheid open, dat deze laatste door 
een leerling zijn toegevoegd. Volgens Larcher is het proza-verhaal afkomstig van oudere 
traditie en in het poëtisch gedeelte zijn alleen de Elihoe-toespraken van een andere hand; wel 
is in xxiv-xxvii en xxvui enige wanorde te bespeuren. Volgens Hölscher, wiens com¬ 
mentaar de belangrijkste is van deze groep, zijn ook xxvui, xxxix 13-18 en xl 15-XLi 
26 geen deel van het oorspronkelijke werk. Stevenson beschouwt het gehele boek als een 
onhandige compositie, die hij meent te moeten herordenen, waarbij ontzettend veel tekst- 

9 ) Dit laatste werk en de comment. van de Interpr. Bible heb ik niet gezien. 




54 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


veranderingen nodig blijken. De na-exilische datering is vrij algemeen: vijfde eeuw (Robin, 
Larcher), rond 400 (Junker), tussen 400 en 200 (Hölscher). Veel dispuut is er nog steeds 
over de verklaring en vertaling van xix 25-27, het hoogtepunt van Jobs toespraken. Het 
schijnt, dat de verklaring van Hölscher, volgens welke deze passage niet over de verrijzenis, 
noch over de rechtvaardiging door God tijdens het aardse leven van Job handelt, maar over 
het feit, dat Job na zijn dood, vanuit sjeool, ziet, hoe God hem op aarde in ere herstelt, 
enige ingang begint te vinden (bv. Larcher). 


XIV. Psalmen (zie blz. 24) 

Commentaren: B. Gemser, deel III (Tekst en Uitleg), Groningen, 1949; A. Weiser (ATD), 
1950; E. Podechard, Psaume i-c en cx, Lyon, 1949-1954; R. Tournay (Bible de Jér.), 1951, 2 e dr. 1955; 
E. ZoLLi, Milano, 1951; E. J. Kissane, Dublin, 1953-1954; B. Bonkamp, Freiburg, 1952; J. Ridderbos 
(COT) dl I (psalm I-XLI), 1955; G. Castellino (Bibbia Garofalo) 1955. 10). 

Litteratuur: A. Robert, Considérations sur le messianisme du Ps. II, RSR 39 (I95 1 ) 88-98 
(= Mélanges J. Lebreton I) ; A. Feuillet, Les psaumes eschatologiques du règne de Jahweh, NRT 73 
(1951) 244-260, 352-363; G. A. Danell, Psalm 139, Uppsala, 1951; W. F. Albright, A Catalogue of Early 
Hebrew Lyric Psalms (ps. 68), HUCA 23 (1951) 1-39; O. Eissfeldt, Psalm 80, in Geschichte und AT, 
Festschr. f. A. Alt, Tübingen, 1953, 65-78; S. Mowinckel, Der achtundsechzigste Psalm, Oslo, 1954. 

Onder de veelheid der psalmen commentaren onbreekt het zeker niet aan belangrijke 
werken: Podechard, Kissane en Castellino moeten hier allereerst genoemd worden. 
Weiser in het vulgariserende genre, is eveneens belangrijk, terwijl Tournay bijzondere 
aandacht verdient om zijn zeer gereserveerde houding tegenover de door Gunkel ingeslagen 
wegen van psalmverklaring. In de exegese zijn daarom voornamelijk twee richtingen be¬ 
merkbaar. De eerste gaat verder volgens de door Gunkel opgezette methoden, waarbij bijna 
alle psalmen vanuit de eredienst hun verklaring vinden. De laatste jaren komt daarbij de nei¬ 
ging naar voren steeds meer psalmen met één bepaald feest te verbinden, terwijl men de in¬ 
vloed van deze feesten en psalmen ook buiten het psalmboek meent te kunnen aanwijzen. Dit 
geldt met name van het troonsbestijgingsfeest, waarmee reeds lang niet alleen de troonsbestij- 
gingspsalmen, maar ook steeds meer andere psalmen in verband gebracht worden. Als voorbeeld 
gelde hier de studie van Danell over ps. cxxxix. Het moet gezegd, dat in geen der genoemde 
commentaren het bestaan van dit troonsbestijgingsfeest wordt aanvaard. Gemser acht het 
waarschijnlijk, dat de troonsbestijgingspsalmen op het Nieuwjaarsfeest gebruikt werden, maar 
geeft er een eschatologische verklaring van. Dit laatste doen ook Feuillet, Tournay, Pode¬ 
chard en Castellino. Kissane brengt deze groep van psalmen in verband met de troons¬ 
bestijging van Jahweh bij de terugkeer uit de ballingschap. Weiser verwerpt eveneens het 
troonsbestijgingsfeest, maar brengt op zijn beurt vele psalmen in verband met een door hem 
aangenomen verbondsfeest, waarvan hij ook in Job en Jeremias sporen terug vindt. Voor het 
overige is zijn psalmverklaring zeer sterk op Gunkel gebaseerd, hetgeen ook geldt voor 
Castellino, die in zijn commentaar de psalmen in groepen onderbrengt en ze niet in de gewone 
volgorde behandelt. Bij hem noch bij Podechard vindt men echter verband gelegd tussen de 
psalmen en een bepaald feest, van waaruit zij verklaard zouden moeten worden. Podechard 
sluit trouwens gedeeltelijk aan bij de tweede richting, die in de psalmverklaring naar voren 
komt. Deze aanvaardt de algemene princiepen van Gunkel, maar kent een veel mindere 
waarde toe aan de cultus voor de verklaring van de psalmen. Wel geeft men toe, dat enkele 
psalmen in de eredienst ontstaan zijn en andere daar later voor gebruikt zijn, maar men legt 
veel grotere nadruk op de invloed van profeten en wijsheidslitteratuur, die in de psalmen aan¬ 
wezig is. Vanuit deze geschriften worden zeer veel psalmen verklaard door Podechard, 
Tournay, Feuillet en Robert. Dit heeft onder andere tot gevolg, dat zeer veel psalmen als 
na-exilisch beschouwd worden: Bij Podechard rond 60 van de 101, die hij voor zijn dood nog 

10 ) De comment. van de Interpr. Bible was onbereikbaar. 


DE verklaring van het oude testament 


55 


beëindigd heeft; bij Robert bv. Ps. II; op deze grond wordt ook Albright’s verklaring 
van Ps. Lxviii als een oude cataloog van psalmen afgewezen, waarbij zij de steun hebben van 
Mowinckel. De goede commentaar van Kissane staat in zekere zin buiten beide richtingen. 
Hij deelt de psalmen in naar hun inhoud en besteedt aan de litteraire vorm weinig aandacht. 
Overigens verdient deze zeer zelfstandige commentaar ieders aandacht. Een heel eigen karak¬ 
ter heeft de commentaar van Bonkamp, wiens hoofdaandacht steeds gericht is op het zoeken 
naar de historische achtergrond en de daaruit volgende datering der psalmen, terwijl bij de 
verklaring veel gebruik gemaakt wordt van de — jammer genoeg ietwat verouderde — kennis 
van de Akkadische litteratuur. Ook Eissfeldt heeft het nodig geacht naar aanleiding van een 
studie over Ps. lxxx een pleidooi te houden voor een historische benadering, die voor ver¬ 
schillende psalmen, naast de zg. gattunggeschichtliche bestudering, zijn eigen waarde behoudt. 
Tenslotte zij hier nog gewezen op de fijnzinnige filologische commentaar van Zolli. 

Op enkele speciale vraagstukken moge hier nog nader gewezen worden. Volgens Pode¬ 
chard is geen der koningspsalmen direct messiaans; zij zijn alle oorspronkelijk bedoeld van 
een der koningen van Juda en kunnen slechts in geestelijke zin van de Messias worden ver¬ 
staan. Ps. II zou een tweede messiaanse redactie vertonen. Volgens Tournay moeten, mede 
vanwege de sterke profetische invloed, Pss. II, xlv, lxxii, lxxxix en cx als direct messiaans 
worden beschouwd. Bij Kissane zijn alleen Ps. II en cx in deze zin verklaard. 

De hoop op een toekomstig leven wordt volgens Tournay en Kissane in de Psalmen niet 
gevonden. Voor Podechard is deze aanwezig in Ps. xlix en lxxiii, en bovendien in Ps. 
xxii 30-31, voor Castellino en Weiser ook in Ps. xvi. 

Tot slot moge nog vermeld worden de verhandeling van Castellino over de vijanden 
in de individuele klaagpsalmen. Hij vat deze op als morele vijanden, die altijd het Godsver¬ 
trouwen van de psalmist aan het wankelen trachten te brengen. Daarbij zijn dan veel van de 
concrete beschrijvingen der vijanden metaforisch te verstaan; soms zijn deze vijanden slechts 
projecties naar buiten van de inwendige moeilijkheden van de psalmist. Ook Ridderbos geeft 
een vrij uitvoerige beschouwing over deze kwestie in zijn sterk conservatieve commentaar, waar 
bv. de opschriften der psalmen als canoniek en geïnspireerd worden beschouwd. Overigens 
belooft deze commentaar een van de meest uitvoerige te worden. 

XV. Spreuken (zie blz. 25) 

Commentaren: V. Hamp (Echter-Bibel), 1949; J. H. Greenstone, Philadelphia, 1951; H. Dues- 
berg-P. Auvray (Bible de Jér.), 1951; J. van der Ploeg (BOT), 1952. 11). 

Litteratuur: R. Stecher, Die persönliche Weisheit in de Proverbien Kap . 8 , ZKT 75 (1953) 
411-451. 

Het moeilijke Spreukenboek stelt nog steeds zeer vele problemen. Al kunnen hier niet 
veel commentaren worden besproken, de vertalingen van dit boek zijn op zich reeds commen¬ 
taren (Hamp, Duesberg-Auvray). De laatste is buitengewoon goed, maar brengt nogal ver¬ 
schillende verbeteringen aan naar de Septuagint, waar echter naar een studie van G. Gerle- 
man veel voorzichtigheid is geboden 12 ). Van der Ploeg is in dit opzicht bescheidener, maar 
weet met zijn grondige kennis der semietische talen veel problemen een aanvaardbare oplossing 
te geven. Zijn commentaar wijst met grote nadruk op het echt Israëlietisch karakter der 
spreuken en waarschuwt herhaalde malen tegen een te Westerse interpretatie. Een directe af¬ 
hankelijkheid van de spreuken van Amenemope wordt ook voor xxu 17-xxin 11 niet aan¬ 
genomen. De passages over de c vreemde° vrouw worden verklaard van c de vrouw van een 
ander D . De verpersoonlijking van de wijsheid, vooral in hfdst. vin, dienen niet als hypostase 
te worden opgevat en kunnen daarom niet als voorbereiding op de openbaring van de Drieëen- 
heid worden opgevat. Ook Stecher wil niet van hypostase spreken, maar zoekt de oplossing 
in het dynamisch karakter van de wijsheid in het O.T.. Omdat de wijsheid als zodanig iets 

1:L ) Greenstone en Interpr. Bible waren niet te 12 ) The Septuagint Proverbs as a Hellenistic Do- 
bereiken. cument, OTS 8 (1950) 15-27. 







56 DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 

uitwerkt, evenals geest en woord Gods, leidt deze dynamische opvatting gemakkelijk tot een 
verpersoonlijking daarvan. Deze denkwijze, die in andere godsdiensten tot een verzelfstandiging 
in de vorm van góden heeft geleid, is door God, buiten het bewustzijn van de bijbelse auteur 
om, als voorbereiding op de Nieuwtestamentische openbaring van de Logos gebruikt. In dezelf¬ 
de zin spreken ook Duesberg-Auvray 13 ). 

XVI. Prediker (zie blz. 25) 

Commentaren: R. Gordis, New York, 1951; A. D. Power, London, 1952; J. van der Ploeg 
(BOT), 1953. 

Litteratuur: M. Dahood, Canaanite-Phoenician Influence in Qoheleth, Bibl. 33 (1952) 30-52, 
191-221. 

De eenheid van dit werk wordt door Gordis en van der Ploeg sterk benadrukt. Vol¬ 
gens de eerste is alleen de titel en xn 9-14 latere toevoeging; van der Ploeg neemt daar¬ 
buiten nog enkele kleinere toevoegingen in het boek aan, die van dezelfde hand zijn als de 
epiloog (II 26, III, 17, vin 12b-13, xi 9b). Beiden nemen aan dat de auteur leefde in de derde 
eeuw. Om de moeilijkheden in verband met de orthodoxie van Qoheleth op te lossen, neemt 
Gordis aan, dat de auteur veel spreuken van anderen aanhaalt om eigen uitspraken te be¬ 
vestigen, maar ook om ze te laten volgen door een ironische bespreking of weerlegging. Van 
der Ploeg meent de orthodoxie te kunnen handhaven zonder deze impliciete citaten aan te 
nemen; volgens hem moeten de moeilijkheden worden opgelost door een juiste opvatting 
aangaande de probleemstelling van het werk, waarin niet de rechtvaardigheid van God, maar 
de leer der vergelding op deze wereld wordt aangevallen op grond van de dagelijkse ervaring: 
het geluk en het loon kan niet in aardse zaken gelegen zijn om de vergankelijkheid ervan. 
Gordis verdeelt het boek in 18 secties, steunend op refreinen; van der Ploeg meent, dat 
het onmogelijk is een indeling of opbouw van het werk aan te geven. Tegenover deze beide 
belangrijke commentaren, is het werkje van Power, dat vertaling met inleiding en aan¬ 
tekeningen geeft zeer onzelfstandig te noemen: aan de lezer wordt overgelaten uit de ver¬ 
schillende meningen te kiezen, wat hem het beste lijkt. In de kwestie, of Qoheleth in Aramees 
of Hebreeuws geschreven was, kiezen Gordis en van der Ploeg beiden voor het Hebreeuws. 
In dit verband moge nog op de studie van Dahood gewezen worden, die een Phoenicische in¬ 
vloed op de taal van Qoh. probeert aan te wijzen. 

XVII. Hooglied (zie blz. 25) 

Commentaren: J. Fischer (Echter-Bibel), 1950; A. Robert (Bible de Jér.), 1951; G. Ch. Aal- 
ders (COT), 1952; P. d’Ambroggi, Alba-Roma, 1952; A. Bea, Roma, 1953; D. Buzy, Paris, 1953; R. Gor¬ 
dis, New York, 1954. 

Litteratuur: H. Schmökel, Zur kultische Deutung des Hohenliedes, ZAW 64 (1952) 148-155; 
H. Ringgren, Hohes Lied und hier os gamos, ZAW 65 (1953) 300 v.; A. Feuillet, Le Cantique des Can- 
tiques (Lectio Divina), Paris, 1953; M. van den Oudenrijn, Vom Sinn des Hohen Liedes. DThFr 31 
(1953) 257-280; A. Dubarle, L’amour humain dans le cantique des cantiques, RB 61 (1954) 67-87; J. P. 
Audet, Le sens du cantique des cantiques, RB 62 (1955) 197-221. 

Gordis beschouwt het Hooglied als een bloemlezing van 29 verschillende lyrische stuk¬ 
ken, die ieder op zich zelf en van de menselijke liefde verklaard dienen te worden. Deze 
liederen moeten ook afzonderlijk gedateerd worden; zo zou bv. III 6-11 op het huwelijk van 
Salomon betrekking hebben. Van katholieke zijde hebben Buzy en Bea gepleit voor een 
figuratieve, maar niet allegorische uitleg, waarnaast Robert en Feuillet staan, die, steunend 
op de methode der parallellismen, een geheel allegorische uitleg verdedigen. De laatste, wiens 
boek eer een studie over het Hooglied is dan een commentaar, wijst hierin op de aanwezig¬ 
heid van verschillende profetische themata: bruidegom, bruid, slapen en wekken, zoeken en 


13 ) De Comment. van H. Lamparter (Die Bot- door elkaar om de spreuken onder de respectievelijke 
schafts des ATs), Stuttgart, 1955 gooit het hele boek geboden van de Dekaloog te rangschikken. 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


57 


vunden, licht en duisternis, nieuwe exodus, enz. Het Hooglied beschrijft, volgens deze uitleg, 
de louteringen, die de bruid (= Israël in ballingschap) moet doormaken, alvorens weer met 
haar bruidegom (= Jahweh) verenigd te kunnen worden. Het boek van Feuillet heeft, ook 
aan katholieke zijde, enkele levendige reacties opgeroepen, die men in de studies van van den 
Oudenrijn, Dubarle en Audet kan lezen. Al deze auteurs interpreteren het Hooglied als een 
verheerlijking van de menselijke liefde. Bea gaat dan ook zeker te ver, als hij beweert, dat 
het de katholieken niet geoorloofd zou zijn deze interpretatie te volgen. Van deze menselijke 
liefde wordt het Hooglied ook verstaan door Aalders, die het boek als een eenheid beschouwt, 
dat de liefde van Salomon voor een jonge Sulamietische beschrijft. Salomon moet echter als 
voorafbeelding van de Messias gezien worden, zodat het boek een typologisch-messiaanse zin 
zou hebben. Ondertussen wordt ook nog gesproken over de cultische interpretatie van het 
Hooglied (Schmökel, Ringgren), die echter in geen der in deze jaren verschenen commen¬ 
taren ingang gevonden heeft. 

XVIII. Ecclesiasticus (Jesus Sirach) 

Commentaren: V. Hamp (Echter-Bibel), 1952; M. H. Segal, Jerusalem, 1953 (Hebr.); H. Dues- 
berg-P. Auvray (Bible de Jér.), 1953; O. Schilling (HBK), 1955. 

Litteratuur: J. Trinquet.L^t Hens „sadocites }i de l’êcrit de Damas, des mss. de la mer morte 
et de VEcclêsiastique, VT 1 (1951) 287-292. 

De zeer zelfstandige commentaar van Segal is geheel gebaseerd op de Hebreeuwse tekst 
of, voorzover deze niet bekend is, op de reconstructie daarvan. De vraag, of hiermee de oor¬ 
spronkelijke vorm van Sir. meer benaderd wordt dan met een verklaring van de Griekse tekst, 
wordt door Duesberg-Auvray ontkennend beantwoord. Zij baseren zich, mede vanwege de 
kerkelijke traditie, bijna uitsluitend op de Griekse tekst. Hamp maakt daar tegenover een veel 
ruimer gebruik van verbeteringen naar het Hebreeuws. Wat hiervan zij, de commentaar van 
Segal heeft zijn bijzondere waarde door de nauwgezette bestudering van de Hebreeuwse tekst. 
In zijn overzicht over de geschiedenis van het boek brengt hij bovendien veel citaten van Sir. 
in Talmoed en Midrasj bijeen, die men elders tevergeefs zal zoeken. Voor eventuele relaties 
van Sir. met de Qumranteksten zie men de studie van Trinquet 14 ). 

XIX. Wijsheid 

Commentaren: E. Osty (Bible de Jér.), 1950; J. Fischer (Echter-Bibel), 1950. 

Litteratuur: A. Dubarle, Une source du livre de la Sagesse, RScPhilT 37 (1953) 425 - 443 - 

Slechts twee katholieke vertalingen met inleiding en aantekeningen zijn hier te vermelden. 
Beiden nemen aan, dat het gehele werk van één auteur is; alleen zou x i-xi 1, volgens Osty, 
een latere compositie zijn, of beter, de meditatie over de geschiedenis van Israël was reeds 
vroeger geschreven. Ook over de Egyptische oorsprong en de datering zijn beiden het vrijwel 
eens: laatste helft van tweede eeuw, of, volgens Fischer, misschien nog begin eerste eeuw. 
De wijsheid wordt door Osty niet als hypostase, maar als poëtische personificatie opgevat. 
Ook voor dit geschrift is door Dubarle een verband met de Qumran-teksten gepostuleerd. 

XX. Isaias (zie blz. 19) 

Commentaren: V. Herntrich (ATD), 1950, 2 e dr. 1954 (tot nu toe alleen i-xii) ; J. Steinmann 
(Lectio divina), Paris, 1950; P. Auvray-J. Steinmann (Bible de Jér.), 1951. Voor Deutero-Isaias: C. R. 
North (Torch Bible Commentaries), London, 1952; U. E. Simon, A Theology of Salvation. A Commentary 
on Is. 40-55, London, 1953. Zie nu ook P. A. H. de Boer, Second IsaiaKs Message, OTS xi, Leiden, 1956. 

Litteratuur: S. Mowinckel, Oslo, 1949; P. Bèguerie, La vocation d’Isaïe, in: Études sur les 
prophètes dTsraël (Lectio divina), Paris, 1954, 11-51; E. Hammershaimb, The Immanuel Sign, ST 4 (1951) 
124-142; J. Coppens, La prophétie de la Almah, ETL 28 (1952) 648-678; J. Coppens, Nieuw licht over de 
Ebed-Jahweh liederen, Brugge, 1950; H. Smith, The Servant of the Lord in Deutero-Isaiah, Edinburgh, 
!95o; J. LindbLom, The Servant-Songs in Deutero-Isaiah, Lund, 1951; R- Tournay, Les Chants du Servi- 


14 ) Het werk van Schilling heb ik niet meer ingezien. 






58 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 




teur dans la seconde partie dTsale, RB 59 (1952), 355-384 ,481-512; H. Cazelles, Les Poèmes du Serviteur. 
Leur place, leur structure, leur théologie, RSR 43 (1955) 5-55. 

Een eigenlijke commentaar geeft alleen Herntrich, die tot nu toe onvolledig is. Van 
het behandelde deel beschouwt hij niet II 2-5, maar wel xi, io-xii 6 als post-exilische toevoe¬ 
ging. De Emmanuel-profetie en Hfdst. ix en xi worden in zuiver eschatologische zin ge¬ 
ïnterpreteerd en iedere historische basis wordt verworpen. De direct messiaanse zin wordt 
ook verdedigd door Coppens, terwijl Hammershaimb, steunend op teksten van Ras Sjamra- 
Oegarit, er een garantie voor het voortbestaan van het Davidisch koningshuis in ziet. Dit 
zelfde houdt nu ook Mowinckel en Steinmann, die daarmee echter de Messiaanse zin niet 
uitgesloten acht. De kleine studie van Mowinckel, van belang voor de duidelijke positie van 
de auteur, beschouwt de rest-gedachte als authentiek, echter niet de heilsprofetieën van 
Hfdst. ix en xi. Steinmann behandelt de authentieke gedeelten van Isaias in chronologische 
orde, die hij met de nodige omzichtigheid tracht vast te stellen. Zijn werk is zeer aantrek¬ 
kelijk geschreven, maar is niet erg oorspronkelijk. Evenals Herntrich volgt hij bij het 
roepingsvisioen de traditionele verklaring zonder op de theorie van Engnell in te gaan. Een 
expliciete stellingname vindt men bij Bèguerie, die zeer ver meegaat in de liturgische inter¬ 
pretatie van deze passage, zonder evenwel het bestaan van een troonsbestijgingsfeest aan 
te nemen. 

Belangrijker is hetgeen verscheen over Deutero-Isaias. De commentaar van Simon is 
enigermate opzienbarend en wel niet in alle opzichten houdbaar. Met name maakt hij de 
prediking van Deut.-Is. los uit de historische situatie, waarin ze tot nu werden gedacht. De 
figuur van Cyrus staat voor de Messias en Babel is een symbolische aanduiding voor de 
machten van deze wereld. Ook andere opinies van Simon zullen tegenstand uitlokken. Zeer 
aantrekkelijk en goed is de kleine commentaar van North, wiens meningen echter over het 
algemeen wel bekend zijn. 

Over de Ebed-Jahweh-liederen meent Coppens een groeiende consensus te mogen con¬ 
stateren op drie punten nl. aangaande het profetisch karakter der liederen, over de individuele 
interpretatie en over het koninklijk karakter van de dienaar. De jongste publicaties schijnen 
deze consensus niet te versterken. Coppens zelf houdt, dat het vierde lied, dat het oudste zou 
zijn, geïnspireerd is door het lijden van Ezekias; het eerste beschrijft de roeping van Jojaqin; 
in het tweede en derde spreekt Jojaqin zelf. Later zijn de liederen dan in het grote werk van 
Deut.-Is. opgenomen, waardoor zij een meer profetisch en messiaans karakter kregen. Ko¬ 
ninklijke trekken worden ook door Lindblom aangenomen, met name in het eerste lied, en 
door Cazelles in het vierde lied. Tournay wijst met nadruk iedere koninklijke interpretatie 
van de dienaar van Jahweh af. Volgens Lindblom vallen al de liederen uiteen in twee delen, 
waarvan het eerste (in het vierde lied staat dit deel echter achteraan) een parabolische of 
allegorische beschrijving van Israël in ballingschap geeft, die in het tweede deel dan nader 
verklaard wordt; het tweede en derde lied zijn autobiografische allegorieën van Deut.-Is., 
die op Israël worden toegepast. Cazelles onderscheidt eveneens ieder der liederen in twee 
delen; voor hem zijn er oorspronkelijk maar drie liederen geweest: het derde en vierde zijn 
als één geheel te beschouwen. In het eerste deel van elk der liederen wordt de zending van 
de dienaar ten opzichte van de heidenen beschreven, en deze zending valt samen met die van 
Israël in de overige gedeelten van Deut.-Is. ; in het tweede deel is de dienaar telkens onder¬ 
scheiden van Israël. Cazelles verklaart, evenals Lindblom en Tournay, de liederen vanuit 
de prediking van Deut.-Is., waarmee zij in stijl en inhoud de grootste overeenkomst vertonen. 
Hij wil echter aantonen, tegen Lindblom en Tournay, dat de liederen op de plaats, waar ze 
nu staan, niet oorspronkelijk zijn. Zij onderbreken volgens hem een bepaald thema, dat zowel 
voor als na de liederen behandeld wordt. Hiermee heeft hij tevens een duidelijk criterium 
gevonden om de omvang der liederen te bepalen. Deze is bij hem als volgt: xlii 1-7, xix i~9a, 
l 4-qa en lii 13-Liii 12. Tournay neemt een zekere fluïditeit aan in de individueel-collectieve 
zin der liederen. De dienaar wordt niet in alle liederen op dezelfde wijze getekend, zodat 
zijn persoon en betekenis voor elk der liederen afzonderlijk dient vastgesteld. Hierbij wijst 


de verklaring van het oude testament 


59 


hij op een sterke verwantschap met de voorafgaande profeten en Deut., waardoor hij de 
trekken van de dienaar nader meent te moeten verklaren 15 ). 

Volgens de jongste studie vafl P. A. H. de Boer is in Deut.-Is. geen sprake van een 
universele en missionaire taak van de dienaar, dat enkel een personificatie van Israël is. 
Deut.-Is. spreekt, ook in de zg. liederen, enkel over de zin van Israëls lijden en over het komen¬ 
de wonderbaarlijke herstel, dat alle volken zal verbazen. In het vierde lied wordt evenmin de 
plaatsvervangende kracht van dit lijden voor de gehele wereld geleerd. Degenen, die in liii 1-6 
spreken zijn de aan het lot der ballingen ontkomen Israëlieten (Judaeërs), die toch in het 
komende herstel delen. 


XXL Jeremias (zie blz. 21) 

Commentaren: R. Augé (Bibl. de Montserrat), 1950; A. Penna (Biblia Garofalo), 1952; J. Stein¬ 
mann (Lectio divina), Paris, 1952; A. Weiser (ATD), 1952-1955; A. Leslie, New York, 1954. 

Litteratuur: H. Cazelles, Jérêmie et le Deutéronome, RSR 38 (1951) 5-36. 

De beide werken van Steinmann en Leslie behandelen de prediking van Ier. in chrono¬ 
logische volgorde; beide bevorderen een goed begrip van de profeet, maar men vindt niet 
veel nieuws in deze werken, die voornamelijk gebaseerd zijn op de commentaren van Volz 
en Rudolph. Steinmann behandelt ook de tijdgenoten van Jeremias: Sophonias, Nahum en 
Habakuk. Augé’s commentaar beweegt zich in tamelijk traditionele lijnen; alleen sluit hij 
zich aan bij degenen, die een latere datum voor het begin van Jeremias’ werkzaamheid aan¬ 
nemen; hij houdt hiervoor 614-612. Een zeer degelijke en goed gedocumenteerde verklaring 
biedt de commentaar van Penna, die open staat voor critische inzichten en die met voor¬ 
zichtigheid aanneemt. Alleen mist men in zijn commentaar een meer uitvoerige verhandeling 
over Jeremias’ verhouding tot de hervorming van Josias, waarvan enkel gezegd wordt, dat 
Jeremias deze met sympathie heeft ontvangen, terwijl hij daarna zowel als daarvoor zijn 
eigen zending alleen op Gods roeping bleef baseren, xi 1-14 wordt in hoofdzaak voor authen¬ 
tiek gehouden, maar zou geen verband houden met de terugvinding van Deut., doch over het 
Sinaïverbond handelen. De zeer religieuze commentaar van Weiser vertoont meer nieuwe 
standpunten. Allereerst worden verschillende passages, die vrij algemeen als niet-authentiek 
worden gehouden, in deze commentaar gehandhaafd. Vervolgens wordt een aanzienlijk deel 
van de terminologie en de ideeën van Ier. in verband gebracht met het door Weiser aan¬ 
genomen Verbondsfeest en van daaruit wordt gewezen op de grote invloed van de Psalmen, 
die bij Jeremias merkbaar zou zijn. De deuteronomistische bewerking van een deel der pro¬ 
fetieën van Ier., die Mowinckel en Rudolph aannemen, wordt door Weiser ontkend: ook 
hier zou enkel invloed van de cultus aanwezig zijn, waar de D-stijl reeds vóór Deut. aanwezig 
was. Enigermate in tegenstelling tot deze sterke invloed van de cultus, die Weiser aanneemt, 
staat het feit, dat hij vasthoudt aan de radicale verwerping der offers door Ier . Over de verhou¬ 
ding van Jer. tot de hervorming van Josias is een belangrijke studie van Cazelles verschenen, 
die de doctrinaire overeenkomst tussen beide behandelt, de voorname teksten uitvoerig be¬ 
spreekt en wijst op het contact van Ier. (xxvi 22, xxix 3, xxxvi 25) met personen en 
families, die bij de hervorming van Josias blijkens het boek der Koningen een rol hebben 
gespeeld. Dat Jeremias eerst in Anatoth en daarna in Jerusalem optrad, wordt in verband 
gebracht met de bepaling van Deut., dat priesters van buiten Jerusalem voortaan ook in 
Jerusalem hun functies mochten uitoefenen. Toch heeft Jer. wellicht meer van Deut. verwacht 
dan het uiteindelijke resultaat was: later zag hij in, dat een politiek-religieuze hervorming 
het hart niet verandert, en dat was toch nodig. 

15 ) Voor een goed overzicht van de standpunten in the light of three Decades of Criticism, in: The 
met betrekking tot de Ebed-Jahweh-liederen, leze Servant of the Lord and other essays, London, 
men: H. H. Rowley, The Servant of the Lord 1952, 5-37. 














6o 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


XXII. Klaagliederen, Baruch 

Commentaren: Klaagliederen : A. Gelin, A. Penna (zie bij Jeremias) ; G. Rinaldi, Torino, 1953; 
H, Schneider (HBK), 1954; R. Augé (Bibl. de Montserrat), 1954; H. Wiesmann, Frankfurt, 1954. — 
Baruch : A. Gelin, A. Penna, H. Schneider, R. Augé (zie boven); V. Hamp (Echter-Bibel), 1950. 

Litteratuur: N. K. Gottwald, Studies in the Book of Lamentations, London, 1954. 

Vrucht van jarenlange studie over de Klaagliederen is de commentaar van Wiesmann, 
die na zijn dood (1948) is uitgegeven. Het is de meest uitvoerige commentaar op dit Bijbel¬ 
boek, waarin een schat van waardevolle detailstudies liggen opgesloten. Wiesmann schrijft 
alle vijf de klaagliederen aan Jeremias toe, zij vormen onderling één geheel en zijn waarschijn¬ 
lijk samengesteld voor een officiële rouwplechtigheid over de val van Jerusalem. Volgens 
Penna zijn tweede-vierde klaagzang van Jeremias. Rinaldi, die zich vooral baseert op de 
litteraire bronnen van de zangen, beschouwt geen enkele als authentiek; de derde, die de 
jongste is, zou bv. veel invloed van Job vertonen. Gelin denkt in dezelfde geest, maar hij 
vindt in de derde zang bv. meer invloed van Jer. en Deut.-Is. Gottwald houdt dat i-iv 
van een zelfde auteur zijn. De Klaagliederen behandelen het probleem van de uitverkiezing: 
God, die zijn volk heeft uitverkozen niet om wille van zijn verdiensten (Deut .), zal het ook 
niet verwerpen om wille van zijn slecht gedrag. 

Baruch is, volgens Gelin, ontstaan bij de Joden, die in Babel achterbleven; de inhoud 
steunt vooral op Deut., Jer. en Deut.-Is. ; de verschillende delen stammen uit verschillende 
tijd, tot de Maccabese toe. Ook Hamp wijst op de sterke afhankelijkheid van vroegere ge¬ 
schriften. Penna houdt I i-III 8 als authentiek van Baruch, het overige is uit de Perzische 
tijd, waarvan iv 5-v 9 van een leerling van Deut.-Is. is. 

XXIII. Ezekiël (zie blz. 21) 

Commentaren: P. Auvray (Bible de Jér.), 1949; F. Spadafora (Bibbia Garofalo), 2 e dr. 1951; 
T. Steinmann (Lectio Divina), Paris, 1953; A. van den Born (BOT), 1954; G. Fohrer-K. Galling 
(HAT), 1955. 

Litteratuur: W. Zimmerli, Das Gotteswort des Ezechiel, ZTK 48 (1951) 249-62; M. Noth, 
Noah, Daniël und Hiob in Ezechiel XIV, VT 1 (1951) 251-60; K Elliger^ Die grossen Tempelsakristeien 
im Verfassungsentzvurf des Ezechiel, in: Geschichte und AT, Festschr. f. A. Alt, Tübingen, 1953, 79-103; 
W. Zimmerli, Die Eigenart der prophetischen Rede des Ezechiel, ZAW 66 (1954) 1-26. 

Drie commentaren sluiten zich in het probleem over de werkzaamheid van Ezechiel aan bij 
Bertholet : Auvray, Steinmann en van den Born. Auvray erkent echter, dat de theorie 
van de dubbele werkzaamheid niet alle moeilijkheden oplost en zelfs nieuwe moeilijkheden 
oproept. Hij handhaaft de theorie als voorlopige hypothese. Van den Born ziet eveneens 
vele moeilijkheden blijven, en heeft de these van Bertholet zogoed als los gelaten en neigt 
naar een nieuwe opvatting: Ezekiël zou een pseudepigraaf zijn, geschreven rond 500. De 
uitsluitende werkzaamheid in Babel wordt met nadruk gehandhaafd door Spadafora en 
Fohrer. De laatste houdt het grootste deel van Ez. als authentiek, maar meent daarnaast, 
vooral op grond van Griekse vertaling en strophenbouw, zeer vele passages te moeten ver¬ 
werpen. Veel traditioneler is hierbij Spadafora, die de eenheid van het werk verdedigt, dat 
door Ezekiël zelf geschreven is. Hij acht de MT beter dan de Griekse, en verklaart de her¬ 
halingen en doubletten uit de eigen stijl van Ezekiël en uit het feit, dat hij herhaalde malen 
op dezelfde ideeën is teruggekomen. Beide commentaren zijn zeer goed en kunnen in het 
vervolg niet meer verwaarloosd worden. Ook de sterk persoonlijke commentaar van van den 
Born verdient bijzondere aandacht. Deze neemt verschillende toevoegingen aan, waarvan mis¬ 
schien de profetie over Gog een der laatste is: dat zou ons dan minstens tot de tijd van Alexander 
brengen voor de uiteindelijke afsluiting van het boek. Vanwege de enigermate verwarrende 
opbouw moet de eenheid van stijl eerder met één school, dan met één auteur in verband ge¬ 
bracht worden. De passages over de vergeldingsleer zouden tot de jongste van het boek moeten 
worden gerekend. Het troonwagenvisioen van Hfdst. I is litteraire fictie evenals alle sym¬ 
bolische handelingen van Ezekiël. Het tempelvisioen bestaat feitelijk uit twee afzonderlijke 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


6l 


gedeelten: vin-x en xi. Van xl-xlviii zijn hoofdzakelijk de visioenen als oorspronkelijk 
te beschouwen. Over problemen van de reconstructie van de tempel bij Ez. zie men de ver¬ 
schillende pogingen van Galling, Auvray, Spadafora en Elliger. Gewezen zij hier nog 
op Steinmann, die de symbolische handelingen van iv-v in verband probeert te brengen met 
een gevangenschap van de profeet. In tegenstelling tot van den Born houdt Fohrer, dat 
alle symbolische handelingen van Ez. als werkelijk uitgevoerd moeten worden beschouwd. 
Noë, Daniël en Job in xiv zijn alle drie figuren uit het verre verleden, en wel, zo zegt Noth, 
van niet-israëlietische oorsprong, die door Ezekiël met opzet als voorbeelden voor de goddelijke 
vergelding worden aangehaald. Een uitvoerige studie over de profetie van Gog schreef 
Aalders, die de authenticiteit zonder meer veronderstelt en tot de conclusie komt, dat Gog 
is afgeleid van Magog {Gen. x 2), dat de profetie een historische achtergrond heeft en 
bedoeld is van Antiochus Epiphanes, maar daarnaast eschatologische trekken vertoont, die 
niet op een historisch gebeuren van toepassing zijn. Van belang zijn ook de studies van Zimmer- 
li, waarin de bijzondere karaktertrekken van Ezekiël tegenover zijn voorgangers worden nage¬ 
gaan en met name wordt aangetoond, hoe de priesterlijke stijl en mentaliteit zeer sterk in 
de profetische stijl en verkondiging van Ezekiël zijn doorgedrongen. Zijn aangekondigde 
commentaar (BK) wordt daarom met veel belangstelling tegemoet gezien. 


XXIV. Daniël (zie blz. 25) 

Commentaren: A. Bentzen (HAT), dr., 1952; H. Schneider (HBK), 1954; J. T. Nelis 
(BOT), 1954; P. J. de Menasce (Bibel de Jér.), 1954; R. Augé (Bibl. de Montserrat), 1954. 

Litteratuur: J. Steinmann (Témoins de Dieu), Paris, 1950; H. L. Ginsburg, The Oldest Inter- 
pretation of the Suffering Servant, VT 3 (1953) 400-404; W. H. Brownlee, The Scrvant of the Lord in 
the Qumran Scrolls, BASOR 132 (Dec. 1953) 8-14; 135 (Oct. 1954) 33-38; A. Feuillet, Le Fils de l’homme 
de Daniël et la tradition biblique, RB 60 (1953) 170-202, 321-346. 

Een zeer verheugende overeenstemming in de verklaring van Daniël is te vinden in de 
werken van Bentzen, Nelis, Menasce en Steinmann. De tegenwoordige verhalen van I-vi 
danken hun sterke eenheid aan de bewerking door één auteur, die evenwel gebruik heeft ge¬ 
maakt van oorspronkelijk zelfstandige vertellingen, waaraan hij hfdst. I (Hebr) als inleiding 
is toegevoegd. Zij worden door Steinmann as Haggada gekarakteriseerd. Hiermee zijn Nelis 
en de Menasce het eens, hoewel zij beide met nadruk wijzen op de grote overeenkomst met 
het tweede gedeelte van het boek, dat apokalyptisch van aard is. Zij staan dan ook niet zo heel 
ver van Bentzen, die het gehele boek als apokalyptisch en chokmatisch beschouwt. Nelis 
wijst er met name op, dat II in vu nader wordt uitgewerkt, terwijl in het apokalyptische deel 
de algemene aandacht van vu in vin op één bepaalde periode gericht wordt, die in ix de uit¬ 
sluitende aandacht heeft en in x-xu tot in details wordt uitgewerkt. Er is dus een innig ver¬ 
band tussen de verschillende capita: de vroegere vinden in de latere een nadere verklaring. 
Het ontstaan van het boek wordt door alle vier de auters rond 165 geplaatst; alleen de deutero- 
canonieke gedeelten zijn later toegevoegd. Bentzen en Nelis behandelen de visioenen van 
Dan. als litteraire vorm, die in de apokalyptiek gebruikelijk is. Het vonnis over de wereldrijken 
in vu stamt voor Bentzen uit het troonsbestijgingsfeest, dat hier in eschatologische zin is 
omgebogen. De figuur van de Mensenzoon wordt in verband gebracht met de Oermens-op- 
vatting. De Menasce en Nelis ontkennen deze relatie en nemen de collectieve èn individuele 
interpretatie van de Mensenzoon aan. Feuillet heeft getracht aan te tonen, dat de Bijbelse 
bronnen voor de mensenzoongestalte in het troonwagen-visioen van Ez. en in de Wijsheids- 
litteratuur moeten gezocht worden. Nelis meent dit niet te kunnen aannemen. De commen¬ 
taren van Bentzen en Nelis zijn het beste, wat nu over Daniël bestaat. Schneider is half¬ 
slachtig, doordat hij een eindredactie aanneemt met het perspectief van de Maccabese tijd, ter¬ 
wijl hij meent dat de meeste elementen uit de zesde eeuw zijn en van Daniël stammen. Ten¬ 
slotte zij nog gewezen op de studies van Ginsburg en Brownlee, die in Dan. xu een eerste 
en collectieve interpretatie van de deutero-Isaiaanse Dienaar van Jahweh menen te vinden. 









Ó2 


DE VERKLARING VAN HET OUDE TESTAMENT 


XXV. De kleine Profeten (zie blz. 23 vlg) 

Commentaren: A. Weiser-K. Elliger (ATD), 1949-1950; M. Schumpp (HBK), 1950; T. H. 
Robinson-F. Horst (HAT), 2e dr., 1952; D. Deden (BOT), 1953 (eerste helft). — Op afzonderlijke 
profeten’. A. Feuillet, Jonas (Bible de Jér.), 1951; E. Osty, Amos-Osée (Bible de Jér.), 1952; A. George, 
Michée, Sophonie, Nahum (Bible de Jér.), 1952; J. Trinquet, Habaquk, Abdias, Joel (Bible de Jér.), 1953; 
C. v. Gelderen-W. H. Gispen, Hosea (COT), 1953. 

Litteratuur: E. C. Rignell, Die Nachtgesichte des Sacharja, Lund, 1950; A. Neher, Amos. Con- 
tribution d 1 ’étude du prophétisme, Paris, 1950; V. Maag, Text, Wortschatz und Begriffswelt des Buches 
Amos, Leiden, 1951; N. H. Snaith, Mercy and Sacrifice: a Study on the Book of Hosea, London, 1953; 
E. Würthwein, Amos-studien, ZAW 62 (1949) 10-52; J. Coppens, L J kist oir e matrimoniale d’Osée, in: 
Festschr. f. Fr. Nötscher, Bonn, 1950, 38-45; M. Delcor, Les sources du Deutéro-Zacharie et ses procédés 
d'emprunt, RB 59 (1952) 385-411; K. Galling, Die Exilsivende in der Sicht des Pr opheten Sacharja, VT 2 
(1952) 18-36; A. Douglas Tushingham, A Reconsideration of Hosea Chapters I-III, JNES 12 (1953) 

150-159. 

Het is niet mogelijk hier in het bijzonder op ieder der profeten in te gaan. Wij wijzen 
eerst op de belangrijke commentaren van van Robinson-Horst, die in de tweede druk slechts 
weinig wijzigingen vertoont, Weiser-Elliger, die sommige nieuwe standpunten vertoont, 
en Deden, die misschien niet altijd even persoonlijk is, maar toch steeds goed op de hoogte en 
voorzichtig afgewogen. Zeer uitvoerig is de commentaar van van Gelderen, die na diens 
dood vanaf x 3 is voltooid door Gispen. Bijzonder aandacht verdient het werk van Rignell, 
die de moeilijkheden van de visioenen van Zack. tracht te verklaren door aan te nemen, dat 
de profeet in zijn visioenen enkele van zijn vroegere uitspraken heeft ingevoegd (I 16, II 
12-13, II 14-15, III 8-10, iv 6b-ioa en vi 9-12). Enkele verbindende verklaringen zijn daarbij 
ingevoegd voor het verband. De ingevoegde profetenwoorden zijn van voor de tempelbouw, 
de visioenen stammen uit de tijd van deze bouw zelf. Ook philologisch is deze commentaar 
zeer goed. Vermelding dient het sterke vasthouden aan de MT, waarin geen enkele tekstver¬ 
betering wordt aangebracht. Zach. heeft volgens Rignell zelf zijn visioenen neergeschreven. 
De studie van Maag over Amos geeft een commentaar met daaropvolgende studie over het 
vocabulaire en de ideeën van de profeet. Hij gaat van het standpunt uit, dat alle echte woorden 
van Amos een duidelijk vast te stellen metrum vertonen; dit metrum wordt dan criterium voor 
authenticiteit; hij wijst op een zekere Prosaisierung van de poëzie van Amos. De profeet was 
een absolute tegenstander van cultus en hield een opferlose Mosezeit. Dit zelfde houdt Snaith 
met betrekking tot Osee. De finale van het boek Amos is voor Maag authentiek, zoals ook 
Deden, Osty en Rinaldi beweren, die echter allen een latere onstaanstijd, in vergelijking met 
de rest van het boek, aannemen. Weiser beschouwt deze verzen als latere na-exilische toe¬ 
voeging. Volgens Snaith is Osee ouder dan Amos. Hfdst. III van Osee is niet authentiek en 
kan voor de beroemde kwestie over het huwelijk van Osee buiten beschouwing blijven. Volgens 
Weiser, van Gelderen, Deden, Osty en Coppens handelen I en III over dezelfde vrouw. 
Coppens meent echter, dat deze vrouw slechts een personificatie van het Noordrijk is. 
Douglas Tushingham meent, dat over twee verschillende vrouwen sprake is, De vrouw van 
hfdst. III zou een hierodoule zijn. Het bijzonder karakter van het Boek Jonas wordt op 
uitstekende wijze aangegeven door Feuillet, die hierin door Deden gevolgd wordt. 


Oudenbosch, October 1955 


Chr. H. W. Brekelmans. 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON 
THE STORY OF JOSEPH IN GENESIS 1 ) 


SLAVERY ; DREAMS; FOREIGNERS AND EGYPTIAN OFFICIALS ; EGYPTIAN NAMES J EGYPTIAN 

words; famine; assessment in the nile valley; the lifetime of joseph; mummifi- 

CATION ; FINAL OBlSERVATIONS. 

Fifty years ago an outstanding study was published on Abraham and his descendants 
in Egypt 2 ). The author, the German Priest, Father Heyes, discussed about thirty chapters 
of Genesis versicle by versicle from the point of view of Egyptology and presented all the 
evidence available at that time. It would be a very welcome contribution to biblical studies 
to do Heyes’ work again for in half a century, the Egyptological material has increased and 
our knowledge of the language has been much improved. We may hope that the study on 
“Joseph in Egypt”, prepared by J. Vergote, will fulfill this wish. 

The aim of this communieation, however, will not be to treat a great number of particu- 
larities contained in the more than twenty chapters which inform us concerning Joseph, son 
of Rachel. I would like today to take some special topics and to consider them in the light 
of Egyptological researches made during the last few years. 

First I must mention an important problem, the solution of which does not belong to 
Egyptology. I mean the century or period in which the story of Joseph must be placed or, 
rather, in which the writer of these stories has to be placed. Notwithstanding the f act that both 
problems have not yet found a definitive solution nor even a gene rally accepted opinion, one 
can say that the chronicler describing these episodes lived centuries later than the facts he 
described. It goes without saying that he has depicted the past with the colours of his own time. 
So it was for him evident that the Ishmaelites, respectively Midianites of Gen. 37, 25, used 
camels for transport. As a matter of fact, the dromedary or camel (being one) occurs, at 
least as a domestic animal, in Western Asia only among nomads, and these nomads possess the 
monopoly of the caravan trade. Although research is still going on 3 ), we may state the actual 
state of research as follows: about 1100 b.c., or somewhat later, man began to use the drome¬ 
dary. The bearing on the Bible text in question would then be that we have to assume the 
writing of this passage as having been done centuries later than the events described. 

Even in everlasting Egypt it is not without importance in which century an event hap- 
pened. So e.g. the place of residence of the Pharoah: during most of the xviuth Dynasty, The- 
bes in Upper Egypt was the dwelling place of the kings: then under Amenophis iv or Akhen- 
aton, Amarna was built as a residence, and under the xixth Dynasty, the kings resided in 
the North, mostly in the Eastern Delta. As the chronological problem, and especially the 
problem of synchronism, is rather complicated it seems to me to be preferable to avoid it 
and to focus our attention on questions where chronology is not of primary importance. In 
what follows I will try to show in how far Egyptian sources can be help f ui in elucidating the 
Bible text and to see better the background and the circumstances of several topics dealt with 
by the narrator of Joseph’s story. 


1 ) If a note refers only to a number, reference 
is made to Annual Egyptological Bïbliography 1947- 
1954, Leiden, 1948-1955; abbreviation: AEB. 

ANET z= J. B. Pritchard, Ancient Near Eastern 
Texts Relating to the Old Testament, Princeton, 
New Jersey, 1950, 2 1955. 

I am much indebted to Dows Dunham (Museum 
of Fine Arts, Egyptian Department, Boston) for 
kindly correcting my English. 

2 ) H. J. Heyes, Bib el und Agypten , Abraham und 
seine Nachkommen in Agypten. I. Teil. Gen. Kapi- 
tel 12-41 inkl., Münster i. W., 1904. He studied nine 

points of interest in his tract Joseph in Agypten , 


Münster in Westfalen, 1921 = Biblische Zeitfragen, 
Vierte Folge. Heft 9. Al. Mallon acted in the same 
way in Les Hébreux en Êgypte, Roma, [1921], 67- 
90 = Orientalia, Num. 3. 

3 ) R. Walz, AEB N° 2086; compare also his 
Neue Untersuchungen zum Domestikationsproblem 
der altweltlichen Cameliden. Beitrage zur altesten Ge- 
schichte des zweihöckrigen Kamels, Zeitschrift der 
Deutschen Morgenlandischen Gesellschaft, Wiesba- 
den 104, N.F. 29 (1954), 45-87, and M. W. Mikesell, 
Notes on the Dispersal of the Dromedary, South- 
western Journal of Anthropology, Albuquerque 11 
(1955), 236-238. 













64 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 


Slavery 4 ) 

We read that Joseph was sold as a slave to a courtier. Now we must note first that 
slavery was not so common in ancient Egypt as is generally supposed. So the communis 
opinio, already formulated by Aristotle, that the pyramids were built by large numbers of 
slaves is absolutely wrong. Before the year 2000 b.c. there is practically 110 evidence about 
slaves, i.e. res in the sense of Roman law. During the New Kingdom, which begins in 1580 
b.c., we hear more about slaves in private and public possession. Recently our information has 
been greatly increased by the publication of a papyrus now in the Brooklyn Museum 5 ). 
This papyrus gives us astonishing evidence concerning the household of an official living in 
Upper Egypt during the xmth Dynasty, thus a few decades before the invasion of the Hyksos. 
This official had a large number of servants, in this case undoubtedly slaves, and the pre- 
served list contains the names of nearly eighty persons. Thirty-three of them were Egyptian, 
forty-five were Asiatics, probably all Semites from Syria or Palestine as is suggested by 
their personal names. But only six of these Asiatics were men, the rest were women and 
children. It is very interesting that we are informed about their occupations: two of the men 
were c house men 3 ( hry-pr ) or domestic servants, most df the female servants had to deal with 
weaving of clothes. Even more important than this information is the fact that a single Egypt¬ 
ian official had so many Asiatics attached to his household. If we are allowed to suppose that 
similar groups of these foreigners were to be found in well-to-do households throughout the 
whole of Egypt, then the Asiatic inhabitants of the Nile Valley at this time must have been 
very numerous, far more so than has hitherto been supposed. The most surprising circumstance 
is that these slaves probably were not prisoners of war, and this seems to postulate already at 
this time the existence of a lively slave-trade operated by the Asiatics themselves. It is an 
illustration of the sale of Joseph, brought by merchantmen to Egypt and sold to a private 
owner. We dispose of a few other documents mentioning Syrian slaves but we do not know 
if a contract of sale was made between the slave-dealer and the purchaser. If the latter sold 
the slave to another Egyptian then a contract was necessary. A letter dating from the end 
of the xixth Dynasty is preserved showing how accurately all information was noted con¬ 
cerning slaves. “I have made inquiry in (the case of) the Syrian of the temple of Thoth about 
whom you have written me ... For your information: his Syrian name is Neqdi, son of 
Sereretj; his mother is Qedi from the land Arwad; slave from the ship-transport for this 
temple in the boat of captain Kener” (Papyrus Bologna 1086). 

It accords fully with our sources that Joseph was bought by a courtier. In the New 
Kingdom we see mentioned as owners of slaves persons such as a simple priest, a maker of 
horns, the son of a soldier, a scribe, merchant, sandalmaker or shepherd. But the number of 
slaves these men had at their disposal was very modest and, as a rule, they had but a few of 
them. 

Dreams 6 ) 

Dreams and especially their explanations play a prominent part in the life of Joseph. 
Twenty years ago we knew practically nothing from Egyptian sources on dreams and on- 
eiroscopy. Now, we have at our disposal the lists of several dream books in excellent editions. 

A Leiden papyrus dating from the Late Period tells us the purpose of dreams: “He 


4 ) Abd el-Mohsen Bakir, E. Seidl, and M. Ma- 
linine, AEB Nos 2188, 2569 and 2964. 

5 ) W. C. Hayes, A Papyrus of the Late Middle 
Kingdom In the Brooklyn Museum [Papyrus Brook¬ 
lyn 35.1146], Brooklyn, [1955]; W. F. Albright, 
Northwest-Semitic Names in a List of Egyptian 
Slaves from the Eighteenth Century B.C., Journal 
of the American Oriental Society, Baltimore 74 
(1954), 222-233. 

6 ) A. H. Gardiner, Hieratic Papyri in the British 
Museum. Third Series. Chester Beatty Gift, Vol. I. 
Text, London, 1935, 9-23; compare A. de Buck, 
Jaarbericht Ex Oriente Lux, Leiden I, N° 3 (1935), 
69-70. A. Volten, Demotische Traumdeutung (Pap. 


Carlsberg xni und xiv verso), Kopenhagen, 1942 = 
Analecta Aegyptiaca. Vol. III. E. L. Ehrlich, Der 
Traum im Alten Testament, Berlin, 1953, 65-85 — 
Beiheft zur Zeitschrift für die Alttestamentliche 
Wissenschaft 73. For Gen. 40, 20, one may compare 
the amnesty mentioned in a fifth or fourth century 
(b.c.) papyrus: “After this there occurred the (an- 
niversary of the) accession of Pharaoh. Pharaoh 
freed every one who was (in) the prisons (called?) 
Na c ampnehs, except c Onchsheshonqy son of Tjai- 
nufi” (S. R. K. Glanville, The Instructions of 
Q Onchsheshonqy (British Museum Papyrus 10508), 
Part I, London, 1955, p. 13 = Catalogue of Demo- 
tic Papyri in the British Museum Volume II. 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPPI 65 

(the god) has created the dreams in order to indicate the way to his owner (i.e. the dreamer) 
when he is blind” (i.e., ignorant of the future; Insinger 32, 13). 

There are several kinds of dreams: an expert like Artemidorus (2nd century a.d.) distin- 
guishes theorematic and allegorie sleeping visions. Theorematic dreams are those which must 
be understood as they present themselves and which are obvious and need no interpretation. 
So, e.g., when the god appears to Pharoah and orders him to clear the great sphinx of the 
sand 7 ), and also the following event: “Once the prince of Bekhten was sleeping on his 
bed and he saw this god coming out of his shrine as a falcon of gold and how he flew up in 
the direction of Egypt” 8 ). Thereupon he awoke in fright and said to the priest of Khonsu- 
the-tactful-in-Thebes: “Let this god who is here with us go back to Egypt and let his chariot 
return to Egypt”. And this order was, of course, promptly carried out. Thus dreams wherein 
the deity reveals himself as warning or urging belong to this group. 

The allegorie dreams are obscure, they need an interpretation although there is a common 
element between the vision and the event alluded to. For the dream contains some element 
which is the key to its understanding, but the problem is to indicate this element and conse- 
quently to make the right connection. Therefore one appeals to the expert, the interpreter of 
dreams. But let us see first an example of such an allegorie dream: “If a man sees himself 
in a dream, and sees a great he-cat. Good. It means that great harvest will occur to (him)” 9 ). 
Or another item: “If a man sees himself in a dream wearing Asiatic clothes. Bad. He will 
be deprived of his office.” In the last case we have an instance of association of ideas: an 
Egyptian official is always clad in an impeccable white dress and as a good son of his people 
he holds in contempt the Asiatics in their multicolored dress. If he sees himself in a dream 
dressed up like an Asiatic something proves to be wrong and he must fly like another Sinuhe. 
Hence the explanation that he will be dismissed from his office. In the other case, where 
the dreamer saw a great he-cat, we have an instance of association of words, practically a 
pun; for the word “great he-cat” (miw c s) nearly coincides with “great harvest” (smw c ^). 

The dreams of the courtiers in Gen. 40 are theorematic with an allegorie element. They 
are theorematic not because both courtiers see themselves again functioning at the royal court, 
but because pressing the grapes by the butler hardly can have a bad meaning, and the swooping 
birds which loot the baskets of the baker are, of course, ill-omened. But allegorie and thus 
obscure is the use of the number three in enumerating the branches of the vine and the baskets 
of bread. Joseph was able to explain this essential point. 

The dreams of Pharaoh are merely allegorie and need thus an interpretation. Therefore 
the are brought in (Gen. 41,8 & 24). This word is of Egyptian origin 10 ) and we may 

call it properly a loan-word. It is a compound word, hry- tp which is used since the xxth 
Dynasty to indicate the lector-priest or magician in Egyptian texts; in Assyrian it is trans- 
cribed as hartibi, in Greek as cppiTtop or <p£pfT[o]( 3 ; the Hebrew thus stands alone in rendering 
the p by m. The function of the lector-priest was first of all to protect the Pharaoh with magic- 
al means and formulae as we see in the instruction for King Merikare ( 1 . 136-137) 1;t ) : “He 
(the god) made for them (men) magie as a weapon in order to ward off the blow of (bad) 
events and dreams by night as well as by day”. 

In several instances the translation C enchanter° or C magician° is to be preferred, in other 
cases C medicine-man 3 'fits better. He belonged to the personel of the c House of Life 3 ; and 
this was the place where the texts of the papyri were composed and copied. The aforemen- 
tioned dream books are among these texts. The oldest we know dates from the beginning of 
the reign of Ramesses 11 and both quoted examples are taken from this earliest known papyrus. 
It distinguished two groups of dreams: good ones and bad ones; but there is also another 
division namely according to the dreamers themselves; these can be followers of Horus, the 
good god, or of Seth, the god of evil. This last division proves that the Egyptian interpreter 
of dreams was convinced that the same dream which meant something good for one person, 

could have a bad meaning to another man. It is clear that this principle can be of utmost im- 

7 ) ANET 448-449. 10 ) Th. O. Lambdin, AEB N° 2927 sub voce. 

8 ) ANET 29-31. 1X ) ANET, 414-418. 

9 ) ANET 495 - 
Jaarbericht n°. 14 


5 













66 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 


portance for the interpreten For, if his interpretation conflicts with subsequent events, he 
can always declare that this was not his fault but that he reason lay in the person of the 
dreamer. Still another grouping of dreams is possible, according to the content of the dreams, 
and so we find this division in a later demotic papyrus where the superscriptions indicate the 
various groups, e.g. “The kinds of beer of which a man dreams.” 

Now I would like to make a few remarks on the dreams the Pharaoh of the Bible had. It 
is very well known that in the Nile Valley as well as elsewhere the number seven was holy; 
moreover, we know that in scenes of temple reliefs, in tomb-paintings, and in the Book of 
the Dead (Spell 148) seven holy cows with their buil are found. We see also the god of grain, 
Neper, represented with ears on his body or on his head, sometimes seven in number; he 
can also be represented seven times and bearing a big ear of grain in his hand. Would it be 
unreasonable to assume that the writer of the story of Joseph, by this reference to animals 
held sacred by the Egyptians, meant to make malevolent allusion to their ideas and conceptions ? 

One would be inclined to explain the statement in Gen. 41,6 and 23, that the ears are 
shrivelled by the DHj? or East wind, as a proof of the Palestinian standpoint of the narrator. In 

Palestine, you know, the sirocco comes from the eastern desert, but Egypt has deserts on 
both sides. Moreover in the Nile Valley, it is the south wind espicially that dries up plants; it 
can rage for several days and like the north wind, causes terrible sand storms. A few texts 
are known, dating from the Ptolemaic Period, in which c the hot wind 3 is a name for the 
Southern and eastern wind, and whose determinative is the flame 12 ). But notwithstanding that 
fact, anyone who reads the Bible text, will probably have the impression that the writer 
described a wind from a particular direction according to the Palestinian point of view. 

Fordgners as Egyptian Officials 13 ). 

Af ter his successful interpretation of the dreams, Joseph is appointed as an Egyptian 
official. The Bible does not mention whether a special decree of enfranchisement had been 
necessary and as the Egyptian sources are very scanty on this point, it seems preferable not to 
insist upon it. Anyhow, there cannot have been any practical difficulty as the divine Pharaoh 
was almighty and his will was law. A very famous text may illustrate this: “The Pharaoh is 
life (&*?), his utterance means abundance; the man whom he creates, he shall be something” 
(Sehetep-ibre, Cairo 20538, II, 14). 

We know, in fact, of a rather small number of foreigners especially of Semites, who attain- 
ed, during the New Kingdom, the rank of Egyptian offical. We may therefore conclude that 
the exaltation of Joseph is probable. Generally speaking, there are no dif ficulties nor objections 
against his investure by the king. But as soon as we try to define his office there are several 
dif ficulties and problems. The idea that he had been appointed a vizier of Pharaoh has been 
widely held and I must concede that, in my opinion, the narrator had this office in mind 
and ever bef ore his eyes. But let us suppose, for a moment, that Joseph was in fact a vizier. 
Then there are immediate difficulties: Egypt had, as a rule, at least from 1500 till the be- 
ginning of the first millenium b.c., two viziers at the same time, one appointed for the South¬ 
ern part of the land and one for the Delta. Since about 1000 b.c. the political situation in 
the Nile Valley had developed as follows: the Pharaoh whether residing in Tanis or in Bubas- 
tis, remained theoretically king of the entire country, but in fact his authority included only 
the Delta and a part of Middle Egypt with the Fayum. If we suppose that the Bible reflects 
this situation, then this difficulty no longer remains but another arises: it describes a situation 
which hardly concords with that of Joseph’s time. Moreover, the description of the situation 
is not that Joseph had authority over only a part of the Nile Valley. It is possible for us to 
assume that the writer who was, of course, not an Egyptologist, supposed this to be known to 

12 ) Heyes, opcre citato, 218 and Wörterbuch der 1956, 15-16 = Mededelingen en Verhandelingen No 
aegyptischen Sprache iv, 529, 9 . Compare also B. H. 11 van ... „Ex Oriente Lux”. 

Stricker, De overstroming van de Nijl , Leiden, 13 ) J. M. A. Janssen, AEB N° 1849. 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 67 

his readers, and he did not feel it necessary to state whether or not the encumbent vizier had 
been put aside. 

Although the responsibility for agriculture was, we believe, among the duties of the 
vizier 14 ), the emergency measure of laying up surplus stores of grain had necessarily brought 
with it so many obligations that no time was left for his many other duties. It is also hard 
to believe that Joseph as a housemaster of Putiphar can have acquired the necessary administra- 
tive knowledge to fulfill well the office of vizier. One can not in fact see how he, who was 
not trained in childhood as an Egyptian scribe, could act suddenly as a housemaster in Egypt, 
for even if writing was not necessary for this job, reading must have been a necessity for 
the control of the household. The difficulty of not being trained in the administration remains 
if one supposes that Joseph had been appointed as rs-hry or C principal mouth of the entire 
country 3 , that is, not a vizier, and it also remains if we assume that the position was a new one, 
created ad hoe. But one has the impression that the writer was suggesting that Joseph had been 
appointed a vizier, although his lack of more detailed information prevented him from seeing 
the consequences of it for the hero of his story. 

Egyptian Nam es 

Joseph receives a new name which sounds mttD D 3 DS. If the traditional form is good 
(and notwithstanding the difference of the Septuagint this seems to be the case), it fits ex- 
cellently with the personal names known to us from the texts 15 ). In all periods of the Egypt¬ 
ian language many names consisted of whole sentences and this practice remained alive till 
the Late Period (1080-663 b.c.). This last period is rather poor in the usual c patterns 3 and we 
can reduce them to three groups. The most frequently found is the group which says that the 
divinity has given the child: p* dy(.w)N .N “he whom N.N. (the god) has given” feminine 
is dy(-t) N.N. Very common also is the group which States, that the child belongs to a certain 
divinity: ny-sw N.N. fem. ny-sj N.N. ; the first part of both can be shortened to ns. Common 
too is the expression mentioning that the god has said (probably through an Oracle) that the 
child will be alive: dd N.N. iw.f (fem. iw.s) c nh. We find examples of all three groups in our 
stories. 

The Egyptian name of Joseph himself can with difficulty be interpreted otherwise than 
as the transliteration of dd p* ntr iw.f c nh; “the god said: he will live”. As this type of name 
had gone out of use in Hellenistic times it can be understood that there seems to be but one 
name of this type known in Greek transcription: TeerTsepoYX^ dd Sw Tfn.t iw.f c nh, “The 
(gods) Shu (and) Tefnut say: he will live”. More preferable than to investigate the vocali- 
zation of this name or the surname of Joseph in its Hebrew form, seems to be a remark on the 
form T‘ov0o(Ji9av7]X of the Septuagint version. These translators have evidently sought, in 
the home country of the story itself, af ter the prototype of 1TOD and hit upon 

a then usual type composed with “the son of”, ps sri ( n ), T*ov . 

The other personal names of this cyclus fit too in the same period. First the names Puti¬ 
phar and Putipherah; it is practically certain that both go back to the same prototype, namely 
pa dy(-w) ps R c “He whom the Sun-god has given”; the form Putipherah, with y at the 
end, is better than the other one. The Greeks have rendered such forms as Uztz-; ÜSTseppY)*; 
andrisTscppy) of the Septuagint are in conformity with this practice. But in cuneiform texts we 
see them rendered by put(u) or puti ; the Hebrew forms follow closely the cuneiform use. 
Another, interesting particularity: many years ago Egyptologists agreed upon the etymology of 
the name Putipherah, but until twenty years ago no such a name could be found in the Egypt¬ 
ian monuments; the nearest equivalent was ps dy R c that, as a matter of fact, had already 

14 ) ANET 212-214. op ere citato , pp. 99-103. For a remark on names of 

15 ) H. Ranke, AEB N° 2534, pp. 243-247. Note the type ny -sw compare The Journal of Egyptian 
that in the Brooklyn Papyrus the Asiatics were Archaeology 41 (i 955 )> 84, note 1. 

provided, in addition, with good Egyptian names, 






68 


KGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 


been tound occurring in the xvmth Dynasty. Today we know a stela dating from the Late 
Period (earliest possible date is the xxist Dynasty) showing the name p* dy p* R c . The wife 
of Joseph has a name which belongs to the wi-group, namely Asenath, thus ns N.t, “Shei 
belongs to (the goddess) Neith”. The first part of such names is rendered in Greek with Eer-, 
later even with 2-; e.g. 2 (juvt£ and Eajxivt^. The form AcrsvvsO of the Septuagint 
reproduces also the older form. 


Egyptian Words 16 ) 

Apart from the mentioned proper names, the stories of Joseph contain several words 
which are Egyptian words or loan-words borrowed from this language. It is rather natural 
that a title such as Pharaoh, pr c s, c the greatest house 3 or as an indication of the Nile, 

from i(t)rw, c river 3 , have been taken over in Hebrew. But it is not easy to decide whether 
the expression lirn nptsrVy must be considered as a literal reproduction of Egyptian hr 

sp-t-itrw ( e.g . Anastasi I, 3, 8) ; for the transition of meaning from lip to border is a normal 
and natural one. This example gives me the opportunity to make another remark, starting 
from the identity of Hebrew sft and Egyptian sp-t. As a matter of fact, Egyptian and Hebrew 
are related tongues, though it may be difficult to formulate the exact grade of their relation- 
ship. This uncontested relationship between the two languages makes it very difficult and 
complicated to decide whether we have to do with a loan word or very old, common property. 
In the case of the word for lip the last possibility seems to be the exact one. But how must 
we judge on the word for pasture in Gen. 41,2? According to the opinion of the Semitists 

this work is an Egyptian loan-word (D/&). This seems to have been also the idea of the 
Septuagint translators as they did not translate the word but transcribed it as a yz'i* Now we 
can say that the verb w*hi y c become green, be green 3 already occurs in the oldest Egyptian 
texts, but a noun shi occurs only as late as the Demotic period. May we conclude from this 
fact that the noun came vary late into existence in the Egyptian language? It could be paral- 
leled by the already mentioned which, however, antedates the Demotic. Caution is 

here necessary for repeatedly words lcnown only from later and very later texts, suddenly 
appear by the finding of a new text to be thousands of years old. However, for *pQK a good 

solution is stil lacking. Also the oath “by the life of Pharaoh” nsns *»n (Gen. 42,15 and 16) 

occurs, at least in this wording, rarely in Egyptian texts, as we know through the analysis of 
130 examples of the oath-formula 17 ). The narrator evidently liked to give by using the word 
c Pharaoh 3 an Egyptian coloring to the oath of Joseph. A final remark: This cyclus does 
not contain more Egyptian loan-words than the average Hebrew Bible. 


Famine 18 ) 


It seems to be a contradiction in terms to connect Egypt and famine. The yearly inun- 
dation of the Nile, a fundamental event in the calendar, is supposed to be so regular and even 
nonnal, that the lack of it is unthinkable. Nevertheless we know that the flood varied from 
one year to another and also how important a sufficiently high level of the Nile was. I may 
remind you with what loving confidence the topmost putto of the famous group in the 
Vatican looks down upon Nilus. For much depended upon the height of the inundation: if 
it was too low, then insufficiënt land was flooded and the canals and reservoirs were not 
abundantly filled, and if the water was too high, the results were broken dilces and all kinds 
of disasters. But generally speaking, it was nearly always possible to control the inundation 


' 16 ) Th. O. Lambdin, AEB N° 2927. For spt sft 
see P. Lacau, Êgyptien et sémitique , Syria, Paris 
31 (1954), 292-294. 

17 ) J. A. WiLSON, AEB N° 697. For see 


Sir Alan Gardiner, Minuscula Lexica, Agyptologi- 
Studien, Berlin, 1955, 1-2. 

1S ) J- Vandier, AEB N° 2065a. For the text of 
ANET 251 d, see now a much improved translation 
by Sir Alan Gardiner, AEB n° 2833. 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 


69 


and its level was important for fixing the taxes and rarely caused famine. The taxes, as we 
know, were fixed according to the erop of grain and were based on the area which was 
inundated or irrigated. Hence the importance of the well-known Nilometers. 

It is evident that in periods of disturbance, civil war, or when the central government 
was weak, the complicated System of canals and dikes was not cared for as was necessary. 
Especially at these times the danger of famine became imminent. Further we may fairly 
assume that in such circumstances the eventual grain surplus was jeopardized. The long his- 
tory of Egypt teaches us that famine prevailed especially in times of political disturbance, so 
that it becomes pretty obvious that this was the real cause of famine, however curious this 
may seem at first sight. A very old text refers to the real cause of famine when it says “Why 
really, the inundation comes, (but) no one ploughs for himself (because) every man says: We 
do not known what may happen to the country” (Admonitions: 2,3). 

In the story of Joseph there is no indication of internal troubles, for the years of famine 
are preceded by the same number of years of abundance 19 ). Among the impressive number of 
Egyptian texts relating to famine there is one mentioning a seven year one. This text was dis- 
covered by an American Egyptologist sixty-five years ago, but it has been recently published 
in a better copy and carefully studied 20 ). Everybody agrees that it was incised in rock during 
the reigns of the Ptolemies for the orthography of the text is typically Ptolemaic; its language 
is also related to the Egyptian as found in the decrees of the priest-synods of the same period. 
In its introduction the famous text starts with the following description: I, Pharaoh, “was 
in distress on my throne, and those who were in the palace were in sadness; my heart was 
very anxious because the inundation had not come on time during a period of seven years. 
Grain was scant, corn was dried up”. The king then orders, as in Genesis, to bring in the Dü^n 
in this case Imhotep, who départs in order to consult the archives and the holy writings. This 
event gives occasion to deal with the god of the cataract, Khnum, and his holy territory, the 
island of Elephantine. The god appears in a dream to the king and says. “I am Khnum, thy 
creator. My arms are behind thee in order to enclose thy body... I will do swell the Nile for 
thee. There shall be no year wherein the inundation will be insufficiënt for any land.” Then 
the Pharoah awoke and made a decree giving a great territory to the temple of the god Khnum. 
The essential problem of this text is the fixing of the period in which the original was com- 
posed. The text itself calls the Pharaoh Neterkhet-Djeser, and this name was borne by the 
king of the Illrd Dynasty who built the step-pyramid at Saqqara. But if we must identify the 
maker of the original decree with this pyramid-builder, then there is a lapse of about twenty- 
five centuries between its first proclamation and the inscribing of the text on the rocks. No- 
body will be surprised that the expression pia fraus was used over and over again; other 
authors who disliked this strong expression spoke of an attempt to legitimise a situation 
existing since time immemorial and therefore put in the mouth of a king of olden times. This 
explanation has been reflected by the newest editor of the text who proposes the following 
explanation: Ptolemy v Epiphanes, builder of a temple for the deified Imhotep, edited the 
decree in 187 b.c. It was, in practical form, the expression of the fact that the region south of 
the first cataract had come again under Egyptian sovereignity and, at the same time the sym- 
bolical expression of the fact that the peace, rest, and prosperity of former times had arrived 
again and were assured for the whole of Egypt because it possessed anew the region where 
the inundation took its mythological origin. 

This hypothesis is indeed attractive and dissipates several difficulties. It urges us, how¬ 
ever, to envisage a new difficulty: why was Ptolemy not named explicitely and why was he 
hidden under two names or, if one prefers, two titles, so far unknown for this king? 

Until recently we did not possess representations of foreigners who had come to the Nile 
Valley in time of famine in their own country. During the last world war (remarkable coinci- 
dence!) reliefs were discovered in Sakkara dating from the end of the Old Kingdom, about 

19 ) C. H. Gordon, Sabbatical Cycle or Seasonal 20 ) P. Barguet, AEB N° 2724. Compare eventually 
Pattern ?, Orientalia 22 (1953), 79-81. ANET 31-32. 










70 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 


2600 b.c., representing starving desert people, possible some of a Bedja tribe 21 ). We see them 
sitting on the ground, broken and reduced to skin and bones. The representation is of a 
touching reality. Apparently Pharaoh Unas had preserved these men from starvation and he 
considered this fact so important that he immortalized it in the corridor leading to his pyr- 
amid. 


Assessment in the Nile Volley 


Gen. 47, 13-26 tells us how Joseph provided the Egyptians with grain and seed, and 
how they gave him their cattle and land in exchange for it. One has the impression that 
the writer, using the expression of “a law over the land of Egypt unto this day”, wished to 
explain an Egyptian situation to his readers or audience. We see it as follows: the whole land is 
the property of the king, except the possessions of the temples. The subjects retain the usu- 
fruct of their fields, but are obliged to cede one fifth of the erop to the Pharaoh. The temples 
are tax free and, moreover, the clergy receive supplies from the sovereign. 

As we do not possess a real economie history of Pharaonic Egypt it is not so simple to test 
these statements against our actual knowledge in these matters. But we are lucky enough to 
possess two papyri, dating from the xiith century b.c. and containing a mine of information 
in the economie field. One is the great Harris papyrus which enumerates the donations given 
to temples by Ramesses III, the other is the Wilbour papyrus dating from the reign of Rames- 
ses v 22 ). Both papyri are very long: the Harris is more than forty meters and is the largest 
of all preserved papyri, the Wilbour measures ten meters but contains more than five thou- 
sand lines of text, for both recto and verso are inscribed with rather small and very cursive 
writing. It was written for fiscal purpose and was based on the reports of officials whose 
duty was the measuring of the fields and the fixation of the taxes. A compilation was extract- 
ed from these reports and our papyrus represents such an abstract. It inventories a great num- 
ber of fields located in Middle Egypt. The norms of the assessment are twofold: the area of 
the plot and the quality of the soil. A number of fields are measured but are tax exempt, so 
e.g., the domains of the royal hareems. Nothwitstanding the fact that this papyrus gives us a 
series of problems to solve, even fundamental ones, it is clear from its text that the temples 
of the xxth Dynasty were tributary. Even if they were not obliged to deliver their payments 
in grain to the Pharaoh himself they had to do it to the high priest of Amon in Karnak, the 
representative of the king or the equivalent of royal power. The Wilbour papyrus mentions the 
state of the crops on a number of fields during the months of July and August; these fields 
are not inundated by the Nile flood but irrigated. They thus form a fraction of the cultivated 
area of Middle Egypt and therefore we have no exact idea concerning the assessment of the 
majority of the fields. We can state also that there were (apart from the quality or location 
of the land) various kinds of fields; fields of the Pharaoh, donated land, domains, temple-land, 
land of private owners, etc. On the other hand it is now clear that nearly the whole of their 
administration had been taken over by the Ptolemies. This fact is not only of historical and 
economie importance but still more because there is a great probability that also the other ad- 
ministrative customs of the Hellenistic period date back to Pharaonic times. We may expect 
that further research will bring more light for the Egyptian administration because we are, 
thanks to papyrology, so much better informed for the time of the Diadochs. 

But let us now return to the passage of Genesis and compare it with the data of 
Egyptology. It is probable that all land was the property of the divine king, at least in theory, 
and that all private possessions must be conceived as a transfer of royal rights. The assessment 
of the temples to the state becomes probable and at all events, this situation existed under the 


21 ) Bulletin de lTnstitut d’Égypte, Le Caire 25 
(1942-1943), 49 = Jaarbericht Ex Oriente Lux, 
Leiden, III, N° 10 (1945-1948), PI. xxn = Revue 
Archéologique, Paris, 6 e série, xxvii (1947), Fig. 1, 
p. 100 = J. Spiegel, Das Werden der altagyptischen 


Hochkultur, Heidelberg, [1953], Tafel 64 and J. B. 
Pritchard, The Ancient Near East in Pictures, 
Princeton, N.J., 1954, fig. 102. 

22 ) A. H. Gairdiner, AEB N° 466, especially pp. 
202-203. 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 


71 


xxth Dynasty. It depended upon several circumstances how much of the erop had to be given 
as taxes. It is very uncertain whether we may say, in general that the clergy, who benefited by 
the yield of the temple fields, received in addition a supply from the Pharaoh. 

I would invite you to consult the commentary of Sir Alan Gardiner, the editor of the 
Wilbour papyrus, in order to see how complicated the above mentioned problems are. He 
observes the greatest circumspection in formulating his conclusions and in several cases he 
leaves the question open after a consideration of the various possibilities and points of view. 
He discusses also the information given by Genesis that the priests are free of taxes: and he 
points at Herodotus who makes the same statement. And Sir Alan finally gives as his opinion 
that all these sources describe more an ideal than a real situation. 

The Lifetime of Joseph 

Chapter 50 of Genesis relates twice that Joseph reached the age of 110 years. Even it 
we suppose that a later hand has anticipated in verse 22 the information given in verse 26, the 
fact remains that the age of Joseph coincides with the ideal lifetime of the Egyptians which 
was 110 years 23 ). It is possible that this agreement is a matter of coincidence. For we read 
in Gen. 41, 46 that Joseph was 30 years old at the date of his exaltation. And if we deduct this 
number from 110, we have 80 or the time of two generations. So the Holy Scripture tells us 
that Moses was 120 years old because he reached the lifetime of three generations. In opposition 
to Moses who could be termed almost an Egyptian, his successor Joshua dies at the age of 
110 years. It seems very improbable to interpret this last case as an allusion to the ideal 
Egyptian lifetime. But as a matter of fact, the explicite formulation of this lifetime occurs es¬ 
pecially in texts from the xixth and xxth Dynasty, i.e. the period between 1300 and 1100 b.c. 
The lifetime of Joseph would thus fit excellently in this period or could be a reminiscence of 
Egyptian conceptions. 

Mummification 24 ) 

The Bible mentions mummification twice, namely at the death of both Jacob and Joseph. 
In the second case, only the fact of mummification is mentioned, in the first case we hear 
several details: the physicians do the embalming; it took forty days; the mourning lasted for 
seventy days. 

Notwithstanding the fact that Egypt is the classical land of mummies, our information 
concerning several points of the mummification is rather poor or even completely lacking. The 
scenes in paintings and reliefs representing the embalming are few and texts which could help 

23 ) J. M. A. Janssen, AEB N° 1375. 

24 ) G. Elliot-Smith and W. R. Dawson, Egyp¬ 
tian Mummies, London, [1924], esp. p. 62; Annales 
du Service des Antiquités de 1 ’Égypte, Le Caire 
41 (1942), 239 and (for the period of embalming) 

47 (1947), 280. The seventy days of embalming 
are also mentioned in papyrus Berlin 13588, col. III, 

7, published by W. Erichsen, Eine neue demotische 
Erzdhlung , Mainz, [1956], p. 15 = Akademie der 
Wissenschaften und der Literatur. Abhandlungen 
der geistes- und sozialwissenschaftlichen Klasse, 

Jahrgang 1956. Nr. 2, p. 61. My opinion differs 
from W. Spiegelberg, Die Beisetzung des Patriar¬ 
chen Jaköb (Gen. 50, 22 ff.) im Lichte der dgypt. 

Quellen, Orientalistische Literaturzeitung 26 (1923), 

421-424. Joseph Slab^, Genesis 50, 2-10 im Lichte 
der altagyptischen Denkmaler und Urkunden , Theo¬ 
logische Quartalschrift, Tübingen 100 (1919), 225- 
251 gives a lot of interesting information concerning 
funeral customs and mummification in Egypt, but 


he does not touch upon the question in how far the 
Oldtestament writer was informed about all this 
material. The same author published Zur Geschichte 
des dgyptischen Joseph (Gen. 41, 2-7, 14, 42 und 
44, 2), in Theologie und Glaube, Paderborn 17 
(1925), 402-418; he treats of the following topics: 
the number seven, the ring and the necklace, linen 
vestments and the silver beaker; although his pre- 
sentation of Egyptian material is right he seems 
to give too many irrelevant particularities in order 
to prove “wie sehr der heilige Erzahler mit den 
Sitten und den Gebrauchen der alten Agypter ver- 
traut war’\ For a parallel of the audience in Gea 
47, 7-10, B. H. Stricker kindly refers to F. LI. 
Griffith, Catalogue of the Demotic Papyri in the 
John Rylands Library, Manchester, Vol. III, 1909, 
78-79; one may compare also the French adaptation 
given by J. Capart, Un roman veen il y a vingt-cinq 
siècles, Bruxelles 1914, 12. 








72 


EGYPTOLOGICAL REMARKS ON THE STORY OF JOSEPH 


to satisfy our curiosity on this point are also very scarce. So, e.g., we know but little on the 
personality of the embalmer. We must distinguish the man who did the actual embalming and 
the man who swathed the mummy. The texts, however, make no clear distinction between them. 
Therefore it is very difficult to assert in how far physicians had to deal with mummification. 
All we know certainly is that during the Ptolemaic period Tapi^eUTY)^ was used as the Greek 
equivalent of the Egyptian word for physician and we may suppose that this was also the 
case about a thousand years before this period. 

A late text mentions the seventy days of mourning but in general we read about the 
seventy days of mummification. Now it is rather certain that but half of this time was devoted 
to the treatment of the body with salts in order to preserve the corpse. The Hebrew narrator 
seems to be well informed on this point. But when we consider the important role of the num- 
ber forty in the Semitic world, it could be that this number has come in from the standpoint 
of the Hebrew author. 

Final Observations 

We have already cited the opinion given by Sir Alan Gardiner, that in its description of 
the assessment in the Nile Valley the Bible sketches more an ideal than a real situation. We 
could make the same statement at several other points we have discussed: the dreams show 
an Egyptian color but they do not coincide with statements contained in the Egyptian dream- 
books; Joseph swears an oath by the Pharaoh but his oath does not occur in this form in 
hieroglyphic text s although some of them contain a wording which comes very near to it; more- 
over, mostly the name of one or another god is involved in the oath formula and this has been 
avoided in Genesis. The Egyptian personal names also appeared to have been formed according 
to patterns which were in fashion during a certain period but only one of them, Putiphar, has 
been found, until now, in the Egyptian material. Famine has afflicted Egypt repeatedly but it 
remains a problem whether we must accept the seven years of the Biblical famine literally or 
not, and the relation, if there is any, between this famine and the inscription of Seheil remains 
unsolved. Would it be possible or even necessary to see some influence of the Genesis story on 
the Egyptian decree which was inscribed on the rocks about the time that the Septuagint was 
made in Alexandria? 

We must say that the number of questionmarks we have used when explaining the passa¬ 
ges of Genesis under discussion, is not small, and the optimistic expectation that Egyptology 
would be capable of giving here a definite solution, has not been fulfilled. But this fact 
reminds us once more that the Bible possesses a mentality of its own and has a religious pur- 
pose. Apart from this last point, however important it may be in itself we can say that the 
story of Joseph is a fine specimen of narrative technique; it has always gripped the reader and 
it will continue to do that. Apparently the novelist is more powerful than the sober historian 
and no wonder that the latter falls behind the former. But the most astonishing fact is that 
the story of Joseph, not scientific history in our own sense, as inherited from the Greeks, 
has a definite Egyptian atmosphere. It has obviously been written by somebody who himself 
(let us for a moment disregard the tradition) knew and had heard many things about the Nile 
Valley and its inhabitants. We can understand that it was impossible and, in a certain sense, 
unnecessary for him to take the Egyptian point of view and everybody will accept and approve 
his making much of the hero of his story. At the same time, however, the Pharaoh is for him 
a person possessing the greatest might and power as also the highest authority. There is no 
question of sarcasm or even irony on him whose nature is unassailable. For the Egyptian 
every foreigner was a desert-dweller or, in other words, a barbarian. The sons of the desert 
have looked up with respectful admiration and great trepidation at the Pharaoh whose fame 
and wealth were legendary. It must have been a great satisfaction for the author of our stories 
to know that one of his ancestors had become a mighty man in the land of the Son of the Sun, 
the King of Lower and Upper Egypt. 

Leiden/Boston, Lent/Summer, 1955 


Jozef M. A. Janssen 





'qama’~ maö'uw mom i 

VILLE. AIÏTIQUE. 
MARIE» = CAPITA- 
LE. ANTIGLUE. 
(AL-'ABÖ) MOM 
MODE.RME 
SABAROYAU- 
ML ANTIQUE. 
HIMVAB ^TPIPU 

_ AMTIQUE. 

FROMTIÊRE AM- 
(APPROXIMATIVE.) 


Fig. 1 . Zuidelijk Arabië in de tweede eeuw v. Chr. 

Bibliotheca Orientalis X, i953> Plaat XV 

HET OUDE ARABIË EN DE BIJBEL*) 

zie PLATEN III-VI 

Dit onderwerp volledig behandelen zou slechts neerkomen op een herhaling van wat door mij 
en veel van mijn voorgangers reeds gezegd of geschreven werd. De ontdekking van epigrafische 
en archeologische documenten op Arabisch grondgebied heeft de aandacht van biblici en semi- 
tisanten op de betrekkingen tussen Arabië en de bijbel gevestigd. De publicaties die de vrucht 
waren van deze opzoekingen, zijn ongetwijfeld onvolledig en verouderd: toch hebben ze onze 
kennis van het bijbels milieu verrijkt, en velen van hen hebben onze kijk op de bijbel verruimd. 

Reeds in 1897 heeft Fritz Hommel getracht af te wegen welke de invloed van Arabië 
was op het oude Israël 1 ). D. S. Margoliouth, de vermaarde arabisant van Oxford, 
behandelde in zijn Schweich Lectures van 1921 de betrekkingen tussen Arabieren en Israëlieten 
voor de Islam 2 ). Het was ook in die jaren dat de geleerde monografieën van N. Rhodo- 
kanakis, de oriëntalist van Graz, een beslissende stuwkracht gaven aan de epigrafische studies 
over Zuid-Arabië. J. A. Montgomery, de aramaïsant aan de universiteit van Pennsylvanië, 
publiceerde in 1934 de lezingen gehouden aan het Cherland College, onder de titel: Arabia and 
the Bible 3 ). Zij waren in hoofdzaak een epigrafisch en archeologisch commentaar op de toe¬ 
spelingen betreffende Arabië in de Bijbel en in de extra-bijbelse oude literaire documenten. 
Tevens bevatten ze een beschrijving van Arabië en een geschiedenis van zijn prospectie. Onder 

*) Lezing gehouden op de Bijbelstudiedagen te 
Leuven, op 7 September 1954, en aan de Universiteit 
te Leiden, op 1 Mei 1956. De franse tekst wordt 
gepubliceerd in La Bible et VAncien Oriënt (Biblio- 
thèque du Muséon ), te Leuven. Ik dank Profes¬ 
sor J. Coppens en Professor R. De Langhe, die de 
publicatie van de Vlaamse tekst welwillend hebben 
toegestaan. 


*) F. Hommel, Die altisraelitische Überlieferung 
in inschriftlicher Beleuchtung J München, 1897. Zie 
ook van dezelfde auteur: Ethnologie und Geographie 
des alten Orients, München, 1926. 

2 ) D. S. Margoliouth, The Relations between 
Arabs and Isruelites Prior to the Rise of Islam 
(Schweich Lectures 1921), Londen, 1924. 

3 ) Philadelphia, 1934. 



















































74 


HET OUDE ARABIË EN DE BIJBEL 


deze verschillende opzichten bevat dit werk talrijke nog nuttige gegevens. Montgomery 
maakte in een korte bijdrage in The Haverford Symposium on Archaelogy and the Bible 4 ) 
het bestek op van de studies over Oud-Arabië. De Deen Ditlef Ni elsen, vermaard om zijn 
studies in verband met de oude Semitische godsdiensten, belichtte in verschillende van zijn 
werken de raakpunten tussen de Hebreeuwse en de Oudarabische godsdiensten 5 ). Nielsen 
was een van de laatste vertegenwoordigers van de evolutionistische school van Wellhausen. 
Hij beschouwt Arabië als de bakermat van de Semitische godsdiensten. De Arabische astrale 
triade is gemeengoed van de Semitische volkeren, geërfd van de zwervende bedoeïenen uit de 
woestijn. Nielsen volgt deze triade doorheen haar menigvuldige varianten tot bij de christe¬ 
lijke Drieëenheid. Het is nutteloos aan te stippen dat de methode die hem inspireerde verouderd 
is: noch de geschiedenis van de instellingen van Israël, noch die van om het even welk ander 
volk, kan verklaard worden door beroep te doen op een proces van interne ontwikkeling, dat 
zou verlopen volgens vooropgezette regels. Het gegeven is heel wat ingewikkelder dan Niel¬ 
sen laat vermoeden, en de Arabische godenwereld is niet te herleiden tot deze astrale triade. 
Toch wijst de auteur in zijn werken op menigvuldige en suggestieve punten van overeenkomst 
tussen de Arabische godsdiensten en de godsdienst van Israël. We mogen echter niet uit het oog 
verliezen dat het gebied waarop we ons bewegen nog helemaal braak ligt. Duizenden opschrif¬ 
ten hebben sinds het begin van deze eeuw onze documentatie verrijkt. Opgravingen hebben 
de bodem blootgelegd en menigvuldige prospecties hadden plaats op het Arabisch schiereiland. 
Het materiaal door de documentatie in de laatste decenniums aangebracht, heeft vanzelf¬ 
sprekend het historische en chronologische kader van het oude Arabië heel wat gewijzigd. 

Eduard Glaser, de pionier van de prospectie in Yemen, en na hem Fritz Hommel en 
Hubert Grimme, laten de oudste Zuidarabische inscripties opklimmen tot de xn e eeuw voor 
onze tijdrekening. Deze theorie, de c lange chronologie 3 genoemd, komt in 't kort hierop neer: 
de oude staten van Zuid-Arabië hebben, dank zij de irrigatie van uitgestrekte, bebouwbare ge¬ 
bieden en dank zij de handel in reukwerken, een economische en culturele voorspoed gekend 
die gelijke tred hield met deze van Egypte en Mesopotamië. Vier grote staten betwistten elkaar 
de heerschappij: Ma c in, Saba Qataban en Hadramüt. Daarrond bewogen zich satellietstaten 
van minder belang. De opschriften van Ma c in, Saba en Hadramüt vermelden vorsten die niet 
de titel van „koning” voeren maar die van Mukarrib. Het koningdom was in deze staten door 
een zogenaamd theocratisch stelsel voorafgegaan. Men zou deze twee staatsvormen in zekere 
zin kunnen vergelijken met deze van de Rechters en Koningen in Israël, of nog met die van 
de Patesi en de Koningen bij de Sumeriërs 6 ). 

Enkele synchronismen lieten toe een chronologie af te bakenen: de annalen van Sen- 
nacherib vermelden een „koning van Saba” en Sargon citeert tussen de „koningen van de 
kust en van de woestijn”, een Sabeër 7 ). De namen van deze koningen zijn: IPiamra bij 
Sargon en Karibi-ilu bij Sennacherib. Deze namen zijn juist deze van twee Mukarribs van 
Saba, Yata c 3 amar en Kariba 3 il, die in de rij van de Mukarribs de zesde en zevende plaats 
zouden bekleed hebben volgens K. Mlaker, wiens chronologie voor deze periode in haar 
grote lijnen overgenomen wordt door J. Ryckmans 8 ). Kennen we aan een regering een 
gemiddelde duur van 20 jaar toe, dan zou het begin van het tijdperk der Mukarribs van Saba 
ongeveer rond het jaar 800 vallen. Dit gegeven, gecombineerd met de hypothese dat de over¬ 
winning van de eerste koning van Saba op Ma c ïn een einde zou gesteld hebben aan dit 
koninkrijk, is het argument waarop de aanhangers van de c lange chronologie 3 zich baseren 
om het begin van het koninkrijk Ma c in te doen opklimmen tot rond de xn e eeuw. 


4 ) J. A. Montgomery, The Present State of Ara- 
hian Studies, in The Haverford Symposium on 
Archaeology and the Bible, ed. E. Grant, (Biblical 
and Kindred Studies, n° 6, Haverford College), 
New Haven, 1938, blz. 188-201. 

5 ) Zie onder meer: D. Nielsen, Die altarabische 
Mondreligion und die mosais che Überlieferung, 
Straatsburg, 1904; Der dreieinige Gott in religions- 
historischer Beleuchtung, t. I: Die drei göttlichen 


Personen, Kopenhagen, 1922; t. II, 1: Die drei Na- 
iurgottheiten, Kopenhagen, 1942; Handbuch der alt- 
arabischen Altertumskunde, I, 5: Zur altarabischen 
Religion, Kopenhagen, 1927, blz. 177-250. 

c ) J. A. Montgomery, The Relations, blz. 60. 

7 ) Cfr F. Hommel, in D. Nielsen, Handbuch, I, 
1927, blz. 75-76. 

R ) L’institution monarchique en Arabië méridio¬ 
nale avant VIslam, Leuven, 1951, blz. 271. 


HET OUDE ARABIË EN DE BIJBEL 


75 


Het is evident, dat volgens deze hypothese de overeenkomsten tussen de Hebreeuwse en 
Oudarabische instellingen toegeschreven kunnen worden aan Arabische invloed. Wanneer 
men vasthoudt aan de korte chronologie, staan de zaken helemaal anders. Deze loochent de 
voorrang van Ma c in en huldigt een langdurig synchronisme der koningsperiodes in Ma c ïn en 
Saba. Indien het Arabische historisch tijdvak niet hoger opklimt dan de vm e eeuw, kan men, 
zich baserende op de epigrafische documenten, niet meer besluiten tot een rechtstreekse 
invloed van Arabië op Israël. 

Maar er is meer. De vooruitgang van onze studies in de laatste jaren heeft diepergaande 
historische en chronologische opzoekingen mogelijk gemaakt. F. V. Winnett, H.StJ. B. 
Philby, W. F. Albright, A. F. L. Beeston en Jacques Ryckmans hebben zich hierbij 
meer bijzonder verdienstelijk gemaakt. Deze auteurs, Philby uitgezonderd, die in zijn boek 
The Background of Islam 9 ) vasthield aan de grote lijnen van de c lange chronologie 3 , zijn 
geneigd het chronologisch kader in te korten 10 ). Deze tendens komt bijzonder tot uiting bij 
Beeston die de duur van de periode van de Mukarribs merkelijk verkort. Albright van zijn 
kant dateert uit de perioden van de Achemenieden belangrijke documenten van de Arabische 
klassieke kunst aangetroffen te Timna c , hoofdstad van Qataban, en te Marib, hoofdstad van 
Saba, twee steden waar een Amerikaanse zending opgravingen deed van 1950 tot 1952 1:L ). 

Bovendien komt de paleografie nu voor het eerst de geschiedenis en de archeologie ter 
hulp. De paleografie van de voorislamitische Arabische opschriften was tot nog toe niet het 
voorwerp geweest .van een systematische studie. Inderdaad, we mogen niet vergeten dat de 
meeste van deze teksten ons slechts bekend gemaakt werden door kopieën, veelal uitgevoerd 
in ongunstige omstandigheden. Dit is het geval met de opschriften door Arnaud aan het licht 
gebracht, de eersten die ons in een betrekkelijk groot aantal bekend werden. De 700 opschrif¬ 
ten, in 1870 door Halévy verzameld, zijn alle gekopieerd, en dit meestal door de geslepen 
Habshüsh uit San c a, die hem als gids diende. Glaser bracht van zijn reizen honderden 
afdrukken mee. Deze verzameling is, tot nog toe, niet volledig uitgegeven. Wat het reeds 
gepubliceerd materiaal betreft, werden de teksten door Rhodokanakis en zijn school uit¬ 
gegeven zonder fotografische reproductie. 

De vooruitgang der laatste jaren op fotografisch gebied en het samenstellen van belang¬ 
rijke verzamelingen van inscripties in musea, maken het nu mogelijk te werken op repro¬ 
ducties van oorspronkelijke stukken, reproducties die alle vereiste waarborgen bieden. 
Mej. J. Pirenne, van de Leuvense school, oordeelde het ogenblik gekomen om de opzoekingen 
te sturen in de richting van de paleografie. Zij bracht een documentatie samen waarvan de 
omvang tot nog toe ongeëvenaard is. Zij deelde, begin April 1954 aan de Académie des 
Inscriptions et Belles-Lettres, te Parijs de eerste resultaten van haar opzoekingen mede. Ze 
doet de terminus a quo van het Zuidarabisch monumentaal schrift af dalen tot het einde van 
de vi e eeuw voor onze tijdrekening. Hierbij steunt ze op de vergelijkende studie van dit 
schrift met dat van Griekse opschriften, op archeologische synchronismen en de geschie¬ 
denis van Saba zoals zij ons door deze opschriften geopenbaard wordt. Deze studie 12 ) is 
slechts het vertrekpunt van een breed opgevatte Zuidarabische paleografie onder controle 
van de gegevens der teksten en met de bedoeling deze teksten meteen chronologisch te 
situeren op basis van wetenschappelijk vastgestelde criteria. 

Het is duidelijk hoe sterk deze nieuwe inzichten afwijken van de theorieën volgens de- 


9 ) Alexandrië, 1947. 

10 ) Cfr. A. F. L. Beeston, Problems of Sdbaean 
Chronology, in Bulletin of the School of Or. and 
Afr. Studies, xvi (1954), blz. 37-56. H. StJ. B. 
Philby heeft onlangs de korte chronologie aange¬ 
kleefd zoals ze werd uiteengezet door Mej. J. 
Pirenne. Cf. La Grèce et Saba (zie infra, n. 12), 
blz. 7, n. 3. 

xl ) Cfr W. F. Albright, Notes on the Temple 
Awwdm..., in BASOR, nr 128, December 1952, blz. 


38. De stratificaties die te Timna c voor de dag ge¬ 
komen zijn, zouden van de vijfde eeuw na Kristus 
tot aan de derde eeuw voor onze tijdrekening date¬ 
ren. De 35 voet die nog weggeruimd moeten worden 
zouden ons echter in het tweede millenium brengen. 

12 ) Jacqueline Pirenne, La Grèce et Saba. Une 
nouvelle base pour la chronologie sud-arabe. (Mé¬ 
moires présentés par divers savants a V Académie 
des Inscriptions et Belles-Lettres, t. xv), Parijs, 
1955, blz. 89-108. 









;6 


HET OUDE ARABIE EN DE BIJBEL 


welke de godsdienst en de instellingen van Israël afhankelijk zouden zijn van het Arabië dat 
ons door de monumentale inscripties bekend is. De oudste van soortgelijke inscripties die we 
bezitten zouden dateren van de terugkeer uit de ballingschap, dit wil zeggen het tijdstip 
waarop het laatste hoofdstuk van de geschiedenis van Israël aanvangt. 

Moeten we daarom wanhopen aan de mogelijkheid van een vergelijkende studie tussen 
het Arabisch en het bijbels milieu? 

Helemaal niet. We moeten ons alleen maar aanpassen aan de veranderingen die inge¬ 
treden zijn in het perspectief. In plaats van te spreken over een erfgoed door Arabië aan 
Israël nagelaten, moeten we op zoek gaan naar raakpunten in de godsdienstige instellingen 
van beide volkeren die van een gemeenschappelijk patrimonium getuigen. 

Ik heb over enkele jaren getracht de epigrafische en literaire gegevens over de voorisla- 
mitische Arabische godsdiensten in een kleine publicatie samen te brengen 13 ). Dit werk, waar¬ 
van de eerste uitgave dateert van 1947, zou reeds verder bijgewerkt moeten worden. De resul¬ 
taten van de Amerikaanse opgravingen te Timna c en te Ma c in werden gepubliceerd in in¬ 
leidende rapporten 14 ). Een expeditie werd ondernomen op initiatief van H. StJ. B. Philby 
en met medewerking van een Belgische zending onder de bescherming van Koning Ibn Sa c oed 
en de Koninklijke regering van Saoedie-Arabië en met de steun van het Belgisch nationaal 
Fonds voor wetenschappelijk onderzoek en van de Universiteit te Leuven. Deze expeditie 
maakte in de winter van 1951-1952 een rondreis van meer dan 5.000 km in de zuidelijke 
provincies van Arabië 15 ). De grote opschriften gedurende deze reis ontdekt werden ge¬ 
publiceerd 16 ). Jacques Ryckmans bracht er een historisch commentaar op uit en toont aan 
dat ze een nieuw licht werpen op de judaïserende periode van Saba en de geschiedenis van het 
conflict tussen de vervolger der kristenen in Nedjran, Dü-Nuwas, koning van Saba, en het 
Etiopisch expeditiecorps dat de kristenen ter hulp werd gezonden 17 ). 

De godsdiensten van Noord-Arabië kennen we door safaïtische opschriften, afkomstig 
van de nomaden en de half-nomaden van de Syrische woestijn, en door de thamoedische en 
lihyanitische inscripties verzameld in het noorden van Hedjaz. Deze graffiti ontlenen hun 
naam aan die der volken Thamüd en Lihyan, welke we vermeld vinden in deze teksten en 
die in de Koran doorgaan als wederspannig aan de prediking van de profeet. Sinds het ver¬ 
schijnen van mijn Religions, heeft de safaïtische epigrafie zich met 2.500 onuitgegeven teksten 
verrijkt. Deze zijn opgenomen in het eerste fascicule der safaïtische inscripties van het Corpus 
inscriptionum semiticarum , verschenen in 1951 en dat 5.380 inscripties bevat 18 ). Lankester 
G. Harding van zijn kant publiceerde de resultaten van een epigrafische prospectie in Zuid- 
Jordanië die verschillende honderden safaïtische en thamoedische graffiti 19 ) opleverde en 


13 ) G. Ryckmans, Les religions arabes préislami- 
ques, 2e uitg., Leuven, 1951. 

14 ) Zie hoger, nota 11, en de artikels van Wen- 
dell Phillips in Collier*s (New York), 7 en 14 
April 1951; 2 Februari 1952, die de verdienste hebben 
met aantrekkelijke foto’s versierd te zijn. Men raad¬ 
plege nog Kh. I. Nami, Mission égyptienne pour la 
reproduction des manuscrits arabes dans le Yemen. 
Een inleidend rapport, december 1951 (Ministerie 
van Openbaar Onderwijs, Algemene Directie van 
Wetenschappen). [In het Arabisch]. Caïro, 1952. In 
dit rapport vindt men op blz. 9, 10, 12 en vv. de resul¬ 
taten van het onderzoek, door de Yemenitische Re¬ 
gering aan professor Nami toevertrouwd, nopens de 
aktiviteit van de Wendell Phillips zending te Marib. 
Zie ook F. P. Albright, The Excavation of the 
Temple of the Mo on at Marib, in BASOR, 128, 
December 1952, blz. 25-38, en M. Höfner, in Archiv. 
fnr Orientforschung, xvi (1952-1953), blz. 126-129; 
357-364. Zie nog Wendell Phillips, Qataban and 
Sheba, Exploring Ancient Kingdoms on the Biblical 
Spice Routes of Sheba, London, 1955, Dit prachtig 


geïllustreerd werk werd in het Duits onder de vol¬ 
gende titel omgezet: Kataba und Saba. Entdeckung 
der verschollenen Königreiche an den biblischen Ge- 
zmirzstrassen Arabiens. Duits van Peter de Men- 
delssohn. Berlijn en Frankfurt, 1955. 

ls ) Cfr. G. Ryckmans, in Reflets du Monde, 
ï95 2 /5> blz. 1-15; id., in Bibliotheca orientalis, ix 
(1952), blz. 224-225; id., in The Geographical Ma¬ 
gazine, xxvii (1954), blz. 129-137. 

1€ ) G. Ryckmans, in Le Muséon, lxvi (1953), 
blz. 267-317. 

17 ) J. Ryckmans, Inscriptions historiques sabéen- 
nes de 1 ’Arabië centrale, in Le Muséon, lxvi (1953), 
blz. 319-342. 

18 ) Corpus inscriptionum semiticarum, Pars quin- 
ta, Inscriptiones saracenicas continens. Tomus I, 
Fase. 1: Inscriptiones safaiticae (1-5380). Parijs, 
1950. — Tabulae (i-cin), Parijs, 1951. 

19 ) G. Lankester Harding, Some Thamudic In¬ 
scriptions from the Hashemite Kingdom of the Jor- 
dan, with the collaboration of Enno Littmann, Lei¬ 
den, 1952. 


HET OUDE ARABIE EN DE BIJBEL 


77 


ook de resten blootlegde van een Cairn (cylindrisch grafmonument uit opeengestapelde platte 
stenen) met daarrond tal van graffiti die de bestemming van het monument duidelijk maken 20 ). 
(zie Plaat ivb). 

Op thamoedisch terrein, heeft Dr. A. van den Branden in zijn werk Les Inscriptions 
thamoudéennes 21 ), een Corpus verzameld van al de tot nog toe gekende teksten. De expeditie 
in Saoedie-Arabië, waarvan ik melding maakte, heeft ongeveer 9.000 dergelijke graffiti op¬ 
genomen in de provincies van Zuid-Hedjaz, c Asïr, Zuid-Nedjd en in mindere mate in Nedjran. 
Deze thamoedische teksten worden ingestudeerd door Jacques Ryckmans, in samenwerking 
met degene die het materiaal van Saba ontleedt. De eerste resultaten van beide studies maakten 
het voorwerp uit van een referaat op het Internationaal Orientalistencongres te Cambridge 
in 1954 (zie Plaat III). 

Wat de kennis van de godsdienst der stammen van Centraal-Arabië aangaat, daarvoor zijn 
we aangewezen op de traditie waarvan we de weerklank vinden in de islamitisch-arabische lit¬ 
teratuur. Het Kitdb al-Asndm (Het boek der afgoden) van Ibn al-Kalbi, (+ H. 204 = 819- 
820), voor de eerste maal gepubliceerd door Ahmed Zeki Pasha 22 ), is in dit verband een bron 
van eerste rang. 


Contactpunten tussen het Arabische milieu en dat van Israël doen zich voor op taalkundig, 
onomastisch, godsdienstig, familiaal en sociaal gebied. We beperken er ons toe enkel de hoofd¬ 
elementen aan te geven. 

De Arabische opschriften zijn gesteld in verschillende dialekten, verwant met het klassiek 
Arabisch 23 ). Men onderscheidt de dialekten van het noorden (Safaïtisch, Lihyanïtisch, Tha¬ 
moedisch) en de dialekten van het zuiden (Sabees, Minees, Qatabanitisch, Hadramoetisch). 
Het Noordarabisch vertoont verwantschap met het Kananees: ze hebben namelijk het lidwoord 
h gemeen. Het Zuidarabisch bezit, buiten de medeklinkers van het Noordarabisch een sisklank, 
in schrift voorgesteld door twee samengebrachte sin, de een naar rechts, de andere naar links 
wijzend, % t en die overeenkomt met de Hebreeuwse sin. We doen opmerken dat de Zuid- 
arabische woordenschat veelvuldige overeenkomsten vertoont met de Noordsemitische talen 
(Kananees, Aramees, Akkadisch). Deze twee taalkundige zones hebben sommige woorden ge¬ 
meen die in Noord-Arabië onbekend zijn. Hiervan enkele voorbeelden: °bn, c steen°, Hebreeuws 
°ébén, Noordarabisch hagar; C d, c hout°, Kananees c ês, Akkadisch isu , het Aramees cco > Dc: >, 
Noordarabisch c üd, (met dal en niet ddd) en hatab; wyn, c wijn D , Kananees yyn, Akkadisch inu ; 
in het Noordarabisch wordt wyn enkel nog gezegd van de zwarte druif ( c nb ) ; c wijn° wordt ver¬ 
taald door hamr et nbid ; wrh, c maan° een der namen van de maangod, Hebreeuws jdrêah 24 ). 
In het modern Arabisch treft men deze term niet meer aan om de maan te noemen, ze heet er 
qamar ; het denominatief werkwoord waraha is nog in gebruik in de zin van c dateren D volgens 
de lunaire tijdrekening. Zo ook beduidt het Zuidarabisch wrh c maand D , terwijl in het Arabisch 
c maand° weergegeven wordt door sahr , een term die eveneens betrekking heeft op de maan 25 ). 
Een jonge Zuidarabisant uit Leiden, A. J. Drewes, die thans, in verbinding met het pas in¬ 
gerichte Service des Antiquités in Ethiopië prachtig werk oplevert, heeft een studie aangevat 
over de betrekkingen tussen het Zuidarabisch en de Noordarabische talen 26 ). 

J. A. Montgomery maakte een volledige lijst op van alle Arabische volksnamen die in 


20 ) G. Lankester Harding, The Cairn of Hani, 
in Annual of the Department of Antiquities of Jor- 
dan, II, 1953, blz. 1-56. 

21 ) Leuven, 1950. 

22 ) Caïro, 1914; 2e uitg., 1924. Vertalingen: Rosa 
Klinke-Rosenberger, Das Götzenbuch Kitdb al-As¬ 
ndm des Ibn al-Kalbi, Leipzig, 1941; N. A. Faris, 
The Book of Idols, being a translation from the 
Arabic of the Kitdb al-Asndm by Hishdm Ibn al- 
Kalbi, Princeton, 1952. 

23 ) Cfr G. Ryckmans, Langues et écritures sêmi- 


tiques, II, Groupe du sud, in L. Pirot en A. Robert, 
Dict. de la Bible, Suppl, xxv, 1952, col. 3 * 7 - 334 - 

24 ) Cfr G. Ryckmans, Les noms propres..., I, 
blz. 11-12. 

25 ) Op. cit. [zie nota 3], blz. 40, nota 10. 

26 ) In een onderzoek betreffend de bijdrage van 
het Zuid-Semitisch tot de Hebreeuwse lexicografie 
(Vetus Testamentum, vi, 1956, blz. 190-198), deelt 
Edw. Ullendorff aan zijn lezers mede dat hij in 
Journal of Semitic Studies de bijdrage van het He- 
breeuws-Joods tot het Zuid-Semitisch zal onderzoe¬ 
ken. 









78 


HET OUDE ARABIË EN DE BIJBEL 


de Bijbel voorkomen. Hij trachtte namelijk deze te identificeren die voorkomen in de volken¬ 
lij st, Gen. x 27 ). In de genealogie van Kus, zoon van Cham, komen voor Seba 3 , Hawilah, 
Ra c mah; de zonen van deze laatste heten Seba en Dedan. Tussen de zonen van Sem tellen we 
Yoqtan, van wie Hasarmawét en Yéréh de zonen zijn, alsook Seba, 3 Ophir, Hawilah. Sommige 
van deze namen, zoals Seba en zijn Arabische parallel Seba, Hawilah, worden in verband 
gebracht met v. 6 van de geschlachtslijst van Cham. Hierin meende men een toespeling te vinden 
op de Sabese bezetting in Ethiopië, waarvan sprake is in de Sabese inscripties en de archeolo¬ 
gische resten uit de streek van Aksoem en Adua 28 ). Hawilah is de Arabische stam Hawlan; 
Ra c mah is de Hebreeuwse tegenhanger van het Arabische Ragmat, gelocaliseerd in Zuid-Nedj- 
ran 29 ). Dedan wordt door Glaser en PP. Jaussen en Savignac gelocaliseerd te El- c Ela, 
in Noord-Hedjaz; dit volgens de verzamelde Minese inschriften 30 ). Yoqtan wordt in de Ara¬ 
bische islamitische traditie samengebracht met Qahtan, een machtige stam van Midden-Arabië. 
Hasarmawét ( c het voorhof van de dood 3 ) is een kunstmatige vocalisatie waarmee de Maso- 
reten de Arabische plaatsnaam Hadramaut weergeven. Hadramaut is de kuststreek langsheen 
de Indische Oceaan waar de wierook gewonnen wordt. Hetzelfde procédé gaf de vocalisatie van 
salmawét (umbra mortis, C schaduw van de dood?) voor salmüt schaduw. De naam Hadramüt is 
waarschijnlijk een samenstelling van hadr gevolgd van de dubbele af formante dm, zoals in sulldm, 
c leider 3 (van sll) en üt (ook awt uitgesproken 31 ). Yérah, de c maan 3 , komt overeen met het ara- 
bisch warah, de naam van de bovenvermelde maangod. Wat 3 Ophir betreft, deze streek werd op 
de meest verschillende plaatsen van het Indisch-Oceaan-bekken gesitueerd. Deze zone had de 
naam rijk te zijn aan goud (cfr. I Reg. ix, 28). Goudaders werden in de oudheid in Arabië ont¬ 
gonnen: de ertslagen van Mahab-Dhahab c de bakermat van het goud 3 , op ongeveer 170 km ten 
Z.O. van Medina werden met nieuwe exploitatiewerktuigen heruitgerust tijdens de regering van 
Ibn Sa c oed 32 ). Wij hebben te Ma c mala, op ongeveer 40 km ten Z.O. van Turaba, een ver¬ 
laten goudontginning bezocht. Het gold een kwartslaag die uit de basalt te voorschijn komt. 
De woningen van basalt vormden een kleine nederzetting in de buurt van de wadi waar tal¬ 
rijke basalten mortieren lagen, bestemd om het kwarts te behandelen en er de goudkorrels uit 
te halen. Arabië is echter arm aan goud. Het is nochtans goed mogelijk dat 3 Ophir, voor de 
Hebreën een der meest naburige en dus ook de best gekende ontginning, in het alledaags 
spraakgebruik diende om de goudleverende streken aan te duiden, zoals Tarsis de verre kusten 
van de Middellandse Zee aanduidde. Philby 33 ) zou graag in c Uwaifira (in verband te brengen 
met Wabar) de naam erkennen van 3 Ophir. Dit gaat echter niet zonder voorbehoud door: de 
begin-medeklinker van c Uwaifira is een c ayn. Wat Ubar of Wabar betreft, deze legendarische 
stad wordt door de Arabieren verschillend gelocaliseerd 34 ). We zijn in Rub c al-Khalï door¬ 
gedrongen tot op 200 km ten zuiden van het zuidelijk uiteinde van Tuwaiq bergketen en onze 
gids, een Bedoeïen, bracht ons tot op een twintigtal kilometers van de plaats waar hij Ubar 


27 ) Op. cit. [zie nota 3], hoofdstuk III. 

28 ) Cfr. C. Conti Rossini, Storia d’Etiopia, I, 
Rome, 1928, blz. 91-106. Naar aanleiding van het 
keizerlijke jubilee, heeft de archeologische afde¬ 
ling van het Institut Ethiopien d } Etudes et de 
Recherches een tentoonstelling georganiseerd waarop 
de eerste resultaten van de archeologische prospec¬ 
tie te Aksoem, te Yeha en in de streek van Maqallé, 
geëxposeerd waren. De archeologische en epigra- 
fische monumenten, bijeenverzameld te Maqallé, 
vormen een merkwaardige aanwinst bij de documen¬ 
ten over de Zuidarabische cultuur van Ethiopië. De 
archeologische afdeling heeft een folder uitgegeven 
waarin reproducties en een korte beschrijving van 
enkele dezer monumenten voorkomen. De Annales 
d’Ethiopië, die binnenkort verschijnen, zullen het 
orgaan van deze afdeling uitmaken. 

29 ) Cfr G. Ryckmans Les noms propres..., I, 
blz. 368. 


30 ) A. Jaussen en R. Savignac, in Revue bi- 
blique, N.S., vu (1910), blz. 521-531, en Mission 
achéologique en Arabië, t. II, 1920, blz. 75-77. De 
verwijzingen naar de inscripties zijn bij G. Ryck¬ 
mans voorhanden; cfr. Les noms propres, t. I blz. 
328-329. Voor wat Dedan en de Dedanitische chro¬ 
nologie betreft, cfr W. F. Albright, Dedan, in 
Geschichte und Alt es Testament Albrecht Alt... 
dar gebracht (Beitr. z. hist. Theologie, 16), Tübingen, 
1953, blz. 1-12. 

31 ) Cfr Montgomery, op. cit., blz. 38, n. 5. 

32 ) Cfr K. S. Twitchell, Saudi Arabia, Prince- 
ton, 1947, blz. 146-147. 

33 ) Sheba’s Daughters, Londen, 1939, blz. 430. 

34 ) Cfr Bertram Thomas, Arabia Felix, Lon¬ 
den, 1932, blz. 161 en nota 1. Zie ook R. H. San- 
gers, The Arabian Peninsula, Ithaca, 1954, blz. 126- 
127 en 131-132. 


HET OUDE ARABIË EN DE BIJBEL 


79 


localiseerde. Onze jeep was ten einde krachten: elke honderd meter liep ze in het zand vast en 
we bevonden ons op 50 km van de meest nabije standplaats van onze escorte. We moesten terug; 
het was ons duidelijk dat in de huidige climatologische voorwaarden het ondenkbaar is een 
nederzetting in deze streek te vestigen. We bemerkten enkele bewerkte silexstenen en pijl¬ 
punten in de door duinen af gezoomde vlakte waar onze tocht doodliep. De emir van Nedjran 
had ook onze aandacht getrokken op de puinen van een oude stad te Mankhali, in dezelfde 
streek. We vonden er slechts enkele natuurlijke waterreservoirs in de naburige rotsen — ze 
stonden droog —, de sporen van graven en silexstenen. 

Deze voorbeelden volstaan om aan te tonen dat oude Arabische inscripties ons toelaten 
verscheidene plaats- en volksnamen uit de Bijbel te identificeren. De verwantschap tussen per¬ 
soonsnamen in het Hebreeuws en het Oudarabisch is opvallend van zo haast men een lijst van 
eigennamen afkomstig uit inscripties doorloopt. Ik trachtte er in 1934 een lijst van op te 
maken, maar deze moet noodzakelijkerwijze aangevuld worden door de talrijke nieuwe namen 
vermeld in de teksten na deze datum gepubliceerd. Overlopen we tussen de Zuidsemitische 
eigennamen alleen maar de lijst van de theophore namen samengesteld met 3 I1 ( 3 Ê1 in het 
Hebreeuws), dan bemerken we dadelijk de Arabische en Hebreeuwse equivalenten: Dan 3 êl, 
Dani 3 êl, Zabdi 3 êl, Hi°êl, Hammü 3 êl, Hanan 3 êl, Yedïa^êl, Yisma C3 êl, Yiftah 3 êl, Malki 3 êl, 
Selümi 3 êl, Semü 3 êl, 3 Abd 3 êl, c Uzzï 3 êl, c Azar 3 êl, Palti 3 êl, Qadmi 3 êl, Refa 3 êl, 3 Elhanan, 3 Eli 3 ab, 
3 Elyada c , 3 Elimélék, 3 Elï c ézér, 3 Elyaqim, 3 El c üzay, 3 El c aléh. 

In verband met deze nomenclatuur zal men opmerken dat van alle namen van góden, de 
naam °Il, godheid aan de hele Semitische godenwereld gemeen, het meest voorkomende element 
is bij het vormen van theophore namen. °Il als substantief, kan om het even welke god be¬ 
tekenen; 3 // kan ook als eigennaam, een bepaalde godheid aanduiden. Een inscriptie van Saba 
maakt melding van een priester (rszv) van °Il ; in het Qatabanitisch staat °Il in verband met 
de epitetha fahr, Akkadisch puhru, C macht 3 , en ta c dlay, c hij zij verheerlijkt!, zeer verheven 3 , 
epitheton van Allah in de Koran 35 ). 

De structuur van de godsdienst in Zuid-Arabië kenmerkt zich door haar astraal karakter. 
De drie grote godheden zijn: de god-vader maan, de godin-moeder zon en de god-zoon ster. 
Het is overbodig er aan te herinneren dat de Zuidarabische godenwereld de horizon van deze 
triade ver te buiten gaat: de inscripties vermelden onder de meest verscheidene benamingen 
talrijke plaatselijke en familiale godheden. 

Maar de hemel was bij voorkeur de verblijfplaats van de góden. Deze opvatting doet zich 
gelden tijdens de monotheïstische periode die denkelijk begint met de eerste ethiopische bezet¬ 
ting, voor de iv e eeuw na Chr. De laatste phase van deze monotheïstische periode was voor¬ 
afgegaan door een heropleving van het heidendom en een korte periode van judaïzantische 
overheersing; na de nederlaag van koning Dü Nuwds (= Yüsuf As’ar), toegebracht door de 
Ethiopiër ’Abraha in 525, is die phase kennelijk christelijk. God wordt in de monotheïstische 
inscripties genoemd „Rahmanem die in de hemelen is” (Rahmandn, c de Barmhartige 3 , werd in 
de Koran overgenomen als epitheton van Allah: ar-rcthmdn). Hij heet nog: „Tlahanof Tlan, 
Heer van hemel en aarde”. Voor de Hebreën was de hemel eveneens de verblijfplaats van 
God: Yósêbh bassdmayim c hij die zetelt in de hemelen 3 (Ps. II, 4); Yahweh bassdmayim kis’d 
‘Y'ahwe’s troon is in de hemelen 3 (Ps., xi, 4). 

De sporen van een astrale cultus zijn gemakkelijk in de Israëlitische godsdienst te ont¬ 
dekken. Het zou een vergissing zijn ze toe te schrijven aan een rechtstreekse invloed van de 
Arabische godsdienst op de godsdienst van Israël. Het is juister te beweren dat Arabieren en 
Hebreën de erfgenamen zijn van een gemeenschappelijk Semitisch erf waardoor de overeen¬ 
komsten tussen hun godsdienstige opvattingen worden verklaard. De naam van de maan, 
jdrêah is mannelijk in het Hebreeuws; die van de zon, sémés is vrouwelijk en mannelijk. Dit 
is een aanduiding van de prioriteit van de maangod bij de nomaden-herders; welke prioriteit 

35 ) Cfr G. Ryckmans, Les religions..., p. 47. Zie dans Vépigraphie sud-sémitique, in Le Muséon, 
ook Y. Moubarac, Les noms, titres et attributs de lxviii, 1955, blz. 122-123. 

Dieu dans le Coran et leurs titres correspondants 











8o 


HET OUDE ARABlË EN DE BIJBEL 


duidelijk door Nielsen werd aangetoond. Het geslacht van het woord c zon° in het Hebreeuws 
is het resultaat van een compromis dat de overgang verraadt van de nomadische levenswijze 
naar de sedentaire der landbouwers, waarbij de zon een hoofdrol speelt. De Akkadiërs streef¬ 
den dit compromis voorbij : bij hun aankomst in Mesopotamië kwamen ze in contact met een 
sedentaire maatschappij en pasten zich daarbij aan. In het Akkadisch is samsu, c de zon 0 manne¬ 
lijk, en ook de zonnegod Samas is een mannelijke godheid. 

In zijn orakel tegen de dochters van Sion bedreigt Isaias (III, 18) hen met het verlies 
van hun juwelen, waartussen hij sebisim en saharömm vermeldt. De Israëlitische graven hebben 
menig juweel aan het licht gebracht, waaronder dikwijls gouden oorhangers in de vorm van 
een zon of van maansikkels voorkomen. De sdbis is niets anders dan een c kleine zon 0 . P. de 
Vaux heeft dit woord in verband gebracht met het oegaritische sps, naam van de zonneparedre 
van de maangod 36 ). Waarschijnlijk hebben we hier te doen met een hypokotoristische vorm die 
in het Arabisch is blijven voortbestaan onder de vorm qutayl. Saharömm zijn juwelen in de 
vorm van de maansikkel 37 ). Sahr is in het Arabisch de gebruikelijke term ter aanduiding van 
de c maand°. De eigennaam Sahr, met het epitheton HUI al, c de nieuwe maan in sikkelvorm 0 , werd 
door koningen van Qataban gedragen. 

De maansikkel wordt door verschillende dieren op monumenten en inscripties voorgesteld. 
De steenbok met zijn lange gekromde horens kwam bijzonder in aanmerking om als symbool 
van de maangod te dienen. Hele rijen koppen van steenbokken staan gebeiteld als fries bij 
de poorten van steden en tempels. De gekromde ossenhorens symboliseren eveneens de maan¬ 
god. Deze draagt het epitheton twr c stier°, in talrijke inscripties. De oude Arabieren hadden de 
c maand van de stier 0 , dtwr ; een inscriptie (RES 3104) vermeldt dat de koning op de negende 
dag van deze maand een stier moest slachtofferen. De cultus van de Israëlieten heeft sommige 
overblijfselen van dit symbolisme behouden: het offeraltaar moet aan de vier hoeken voorzien 
zijn van horens {Ex., xxvii, 2); de man die door zijn vijand op de hielen gezeten werd, 
greep de horens van het altaar om aan mishandelingen te ontsnappen (I Reg. I, 50-51; II, 28). 
Ook nog op onze dagen worden in Zuid-Arabië de dodenmonumenten 38 ) en huizen 39 ) met 
hoorns van steenbokken versierd (zie Plaat vi). 

Opgravingen werden ondernomen in de tempels van Dat Ba c dan, de zongodin te Huqqa, 
in de streek van San c a, en van Sin, de maangod te Hureida in Hadramaut, de eerste door 
C. Rathjens en H. von Wissmann, de tweede door miss G. Caton Thompson. De tempel 
’Awwam van de maangod ’Almaqah te Marib, heden Haram Bilqis genoemd, is het voorwerp 
van opgravingen geweest door de Amerikaanse expeditie Wendell Phillips in 1952. Enkel het 
propyleum werd bloot gelegd 40 ). Deze tempel vertoont een elliptische vorm en is van hetzelfde 
type als die van Sirwah, terwijl de kleine tempels van Huqqa en van Hureida, met een recht¬ 
hoekig propyleum, uit een naos van dezelfde vorm bestaan 41 ). 

De tempel als woonhuis van de god, kan ook dienen als toevluchtsoord. De eredienst en 
het beheer van de goederen werd waargenomen door priesters. Waarschijnlijk verkondigden 
zij de orakels in naam van de godheid. Men kent het procédé niet volgens welk het orakel in 
de tempel werd verkondigd. Het gebruik van de term ms’l, van s’l, Hebreeuws $1, c ondervra- 


3(i ) Cfr R. de Vaux, in Revue bïblique; xlvi 
(1937), blz. 533; D. Nielsen, Der dreieinige Gott, 
II, 1, blz. 201, n. 1. 

37 ) Zie het juweel afkomstig uit de necropolis 
van Timna c , bij Wendell Phillips, Qataban and 
Sheba, blz. 114, afbeelding bij blz. 116; id., Kataba 
und Saba, blz. 103-104; de afbeelding bij blz. 96. 

38 ) H. Helfritz, Le pays sans ombre, Parijs, 
1936, foto bij blz. 160. 

39) C. Rathjens, Sabaeica, I, Hamburg, 1953, 
blz. 118; Freya Stark, Seen in Hadhramaut, 
Londen, 1938, blz. 39. 

40 ) Zie hoger, nota 11 en 14. 


41 ) Zie F. P. Albright, The Excavation [supra 
n. 14], blz. 26: “The temple is an ovoid, or rather 
a somewhat kidney-shaped structure”; het plan vindt 
men bij blz. 27, fig. 1. De twee regels in himyariti- 
sche karakters stellen geen oude inscriptie voor. Zij 
zijn een verzonnen compositie en dienen als c ver- 
taling 3 in het Sabees bij de verklarende legende van 
de figuur. Mej. M. Höfner heeft hierop reeds de 
aandacht van de lezer gevestigd in AOF, xvi (1953), 
blz. 360, n. 10. Het plan van de hand van F. P. 
Albright in BASOR, 128, 1952, fig. 1, blz. 27, 
wordt over genomen door Wendell Phillips in Qa¬ 
taban and Sheba, blz. 253, en in Kataba und Saba, 
blz. 234. 


HET OUDE ARABIE EN DE BIJBEL 


8l 


gen 0 , toont aan dat de godheid ondervraagd werd; en de benaming van mqsm voor het orakel 
van de god Halfan, bewijst dat men soms zijn toevlucht nam tot het lot, zoals dit het gebruik 
was in Centraal Arabië. A. F. L. Beeston beproefde aan de hand van enkele Sabese inscripties 
het ceremoniale vast te stellen dat het raadplegen van het lot regelde volgens de inscripties ge¬ 
grift op twee steles gevonden in de ruïnen van een tempel van de sterregod c Athtar te Gar 
al-Labba in de Gauf 42 ). Koning Saul verwijt de priester ’Ahimelekh, dat hij God geraad- 
pleegd had voor David (I Sam, xxii 10, 13, 15). God raadplegen wordt genoemd: sa 0 dl 
bêlohim (I Sam., xxii, 13). 

In de Minese nederzettingen van Noord-Hedjaz, te El- c Ela, het oude Dedan, vermelden de 
inscripties een klasse van mannen en vrouwen in pand gegeven aan de tempel en toegewijd 
aan de dienst van de godheid. Men noemde ze lw’, Ivft. Hubert Grimme heeft de Minese Ivf 
in verband gebracht met de Hebreeuwse levieten 43 ). 

In dezelfde streek van El- c Ela en van Medarin Saleh worden sommige zoenoffers met de 
benaming ryt in de inscripties aangeduid. Grimme brengt dit woord in verband met het Ara¬ 
bische ravhyya en het betekent dus Verplichting 0 44 ). Dezelfde term komt voor op de stele van 
Mesa c , 12: w’hrg ’t kl h c m...ryt Ikms wlm’b. Deze passus wordt gewoonlijk als volgt ver¬ 
taald: „En ik doodde gans de bevolking ... een schouwspel voor Kamos en voor Moab’\ De 
vertaling van ryt door c schouwspel° (van ry, c kijken°) was een vertaling op goed geluk af 
die geen bevredigende zin gaf. De Minese inscripties (cfr RES 3282, 4; 3346, 2, enz.) geven 
de sleutel van het raadsel: ryt k c ttr en ryt kwd wordt gezegd van offeranden die helemaal niet 
spektakulair zijn. Het betekent eenvoudig „een offer brengen aan c Attar” ( k c ttr ; de prepositie 
/ wordt in het Minees door k weergegeven) en aan Wadd {kwd), om zich van een verplichting 
te kwijten, en voornamelijk van een boeteverplichting. 

De oude Arabieren kenden onbloedige offers; zij bestonden in plengoffers uitgegoten 
over stenen tafels, mshn genoemd, in verband te brengen met het Hebreeuwse sélém, pacifi- 
cum, en in de verbranding van reukwerken op reukwerkaltaartjes, ook pyreën genaamd. In 
de kleine heiligdommen die bij de tempel van Sin te Hureyda behoren, berustten vele van deze 
reukwerkbranders. Men kent er een groot aantal van in kubieke vorm, die rusten op een af¬ 
geknotte obelisk. Men noemde ze mqtr, zoals in het Hebreeuws. Yahweh zegt aan Mozes op 
de berg Sinai: „Gij zult een altaar bouwen om er wierook te branden {mizbêah miqtar 
qetoréth >> ) {Ex., xxx, 1). Enkel het gebruik van wierook was op dit altaar toegelaten om 
hulde te brengen aan Yahweh. Het gebruik van profane reukwerken was verboden. De kubieke 
reukwerkaltaartjes in Zuid-Arabië droegen op hun vier zijden de namen van een serie reuk¬ 
werken. Men vond er nl. de vermelding van Ibny, in het Hebreeuws lebdndh, c wierook°. 
Men weet dat dit woord afgeleid is van labdn, c wit°. Het is de witte wierook die vergaard 
wordt in de herfst, zoals Plinius het verklaart 45 ) ; deze wierook wordt ook carfiathum 
genoemd, dit wil zeggen c van de herfst 0 van het woord harf, in het Hebreeuws horêph, de tijd 
van het maaien, van de oogst. Deze soort is de zuiverste. De andere soort wierook is rood; men 
oogst hem in de lente en hij is van een mindere kwaliteit. Men noemt hem dathiathum van df. 
c lente°, en het Hebreeuws désé, c het lentegroen 0 . 

Men leest ook ondermeer op de reukwerkvaten namen als: qst, c qostos °, qlm, c kalumos °, 
mrt, c myrrhe° en dhb. Deze laatste term wordt gebruikt voor het goud, in het Hebreeuws 
zdhdb c goud°. In Zuid-Arabië is het de naam van een reukstof. Ik heb me eertijds reeds af¬ 
gevraagd of het „goud, de wierook en de myrrhe” door de wijzen uit het oosten aan het Kind 
van Bethelehem aangeboden {Mt. II, 11) niet moeten verstaan worden drie reukwerken 46 ); 
ook mijn collega Professor R. De Langhe heeft de thesis vooruitgezet dat het c altaar van 
het goud 0 een reukaltaar zou zijn 47 ) (zie Plaat iv, c en d). 


42 ) A. F. L. Beeston, The Oracle Sanctuary of 
Jar al-Labba, in Le Muséon, lxii (1949), blz. 207- 
228. 

43 ) H. Grimme, in Le Muséon, xxxvii (1924), blz. 
169-199. 

44 ) Art. cit., blz, 182 ss. 

45 ) Nat. hist., xii, 60. 

Jaarbericht n°. 14 


46 ) G. Ryckmans, in Revue biblique, lviii (1951), 
blz. 372 - 376 . 

47 ) R. De Langhe, Het gouden altaar in de Israë¬ 
litische Eredienst, Brussel, 1952; id., Juddisme ou 
Hellenisme, in Uattente du Messie, Parijs, 1954, 
blz. 153. 


6 









82 


HET OUDE ARABIË EN DE BIJBEL 


Tot het godsdienstig meubilair behoorden ook nog de altaren die dienden voor de bloedige 
offers. Zij werden mdbht, in het Hebreeuws mizbêah genoemd. De geslachtofferde dieren 
waren meestal ossen en schapen. Te Hureyda, was de bodem rond de altaren, opgericht in de 
kleine heiligdommen bij de tempel, bedekt met beenderen van geiten. De inwoners van deze 
kleine plaats hadden zonder twijfel niets beters om aan de god Sin te offeren. 

Tijdens zijn bezoek aan Sirwah heeft de Egyptische archeoloog Dr. Ahmed Faichry op 
elk van de zuilen van de propyleen van de grote tempel van 3 Almaqah een woord aangetroffen 
dat in grote letters gegrift is. Halévy had reeds een kopie bezorgd van een van deze woorden. 
Enkele van deze door Fakhry aan het licht gebrachte woorden zijn gekend als eigennamen 
van gebouwen of onderdelen van gebouwen. Het is verrassend de analogie te constateren 
tussen de naam Ydkïn, c hij is sterk 3 , door Salomon gegeven aan een van de bronzen pilaren 
opgericht in de portiek van de tempel, en de naam knt (= kcmmat, c vastheid, stevigheid 3 , van 
dezelfde wortel kwn ), gegrift op een van de peilers van de tempel te Sirwah 4S ). 

De laatste periode van Saba, zoals reeds werd gezegd, is gekenmerkt door de invloed van 
het Joods en Christelijk monotheïsme (zie Plaat v b ). Deze dateert uit de eeuwen die het 
ontstaan van de Islam voorafgaan. Tijdens onze laatste expeditietocht in Arabië hebben we 
belangrijke rotsinscripties ontdekt van de judaïserende koning, in de Islamische traditie bekend 
met de scheldnaam Dü-Nuwas; die naam zou in de vlaamse volksspraak luiden: ,,de Krullebol”. 
Zijn eigenlijke naam, Yüsuf 3 As 3 ar, is nu bekend door twee inscripties uit het jaar 518 na Chr. 
(Ry 507, 508). Ook ontdekten wij te Mureighan een inscriptie van de christelijke koning 
Abraha, van ethiopische oorsprong, uit het jaar 547 (Ry 506). 

De judaïserende inscriptie van Kaukab (Ry 508) eindigt als volgt : „En dat God (°°lh'n) 
wien de hemel en aarde toebehoort, koning Yüsuf bescherme tegen al zijn vijanden en, door 
de bescherming van de Barmhartige (rhmnn), deze inscriptie tegen elke vernieling en vervalser. 
En moge over de ganse wereld, o Barmhartige, uw barmhartigheid zich uitstrekken. Gij zijt 
Heer”. Wij hebben hier bijbelse en talmudische reminiscenties. God wordt genoemd 33 Ihn, ge¬ 
broken meervoud van °lh, zoals °elohim een meervoud is in het Hebreeuws. „Wien de hemel 
en aarde toebehoort” doet denken aan Ps. lxxxix, 12; lekhd sdmayim °aph-lekhd °drés; c de 
wereld 3 wordt genoemd: c Im, talmudisch c dldm, c öldm. 

De christelijk inscriptie van Abraha (Plaat 5 a) begint met de formule: bhyl rhmnn 
wmsihhw, „door de kracht van de barmhartige en van zijn Messias”. Maar we handelen hier 
over een periode waarin Arabië godsdienstige invloeden van het buitenland onderging. Het 
christendom kende er voor de Perzische inval een tijdperk van opbloei, wat bewezen wordt 
door de lijst van de bisdommen. Een Sabese inscriptie van Marib maakt allusie op de wijding 
van de kerk. De ruïnen van een cirkelvormig gebouw te San c a dragen nog de naam van 
Ghurgat al-Qalïs. C. Rathjens veronderstelt dat het hier gaat over een christelijke doop¬ 
kapel : het Arabische gharaga betekent Mompelen indompelen 3 ; de term qalis heeft betrekking 
op de christelijke heiligdommen; het is een misvorming van èxxXYjcda, en wordt reeds gebruikt 
in het Sabees 49 ). De inscriptie van de judaïserende koning Yüsuf 3 As 3 ar die we aantroffen 
te Kaukab (Ry 508, 3, 4), vermeldt de bestorming van de kerken van Zafar en van Muhwan 
(vroegere benaming voor de haven van El-Mokha) door de troepen van de koning. Voor 
deze laatste periode van de Sabese geschiedenis ben ik zo vrij te verwijzen naar mijn artikel 
Les inscriptions monothéistes sabéennes in Miscellanen Alberti De Meyer, I, 1946, blz. 194- 
205 en naar Jacques Ryckmans, L’institution monarchique en Arabië méridionale avant 
1 ’Islam, Leuven 1951, blz. 317-325 en Inscriptions historiques sabéennes in Le Muséon, lxvi, 
1953, blz. 319-342. Sinds het verschijnen van deze publicaties had ik gelegenheid tot publicatie 
van een nieuw monotheïstische inscriptie, gedateerd van 459 van onze tijdrekening, (Ry 
520). Deze inscriptie herdenkt de restauratie van een heiligdom van Rahmanan in de stad 
Bila 3 of Dali 3 . Dit is het eerste document dat een heiligdom van Rahmanan vermeldt. Wel 
wordt melding gemaakt van de wijding van een kerk te Marib in CIH 541, 66-67. Deze 

48 ) Fakhry 27/1. blz. 40-41. Zie ook Ph. K. Hitti, History of the 

40 ) C. Rathjens, Sahaeica, I, Hamburg, 1953, Arabs, Londen, 1946, blz. 62-63. 


HET OUDE ARABIË EN DE BIJBEL 


83 

inscriptie hebben we reeds vermeld. Zij begint met de aanroeping van Rahmanan, maar de 
naam maakt er deel uit van de trinitarische christelijke formule: rhmnn wmshhw wrh [q]ds, 
c de Barmhartige en zijn Messias en de Heilige Geest 3 . Hier echter is de omgeving niet chris¬ 
telijk: de dedikant vraagt aan Rahmanan, heer van de hemel, hem en zijn vrouwen en kinderen 
een gelukkig leven en goede dood te schenken. De polygamie is er voor de eerste maal uit¬ 
drukkelijk geattesteerd. 

Nu zouden we nog om volledig te zijn de betrekkingen moeten behandelen tussen de oude 
godsdiensten van Noord-Arabië en de Bijbel. Maar dit onderzoek werd pas gedaan, en beter 
dan ik het zou kunnen. De publicatie in het Corpus inscriptionum semiticarum van meer dan 
5.300 safaïtische inscripties — ik heb dit reeds hoger aangetekend — heeft Professor 
Otto Eissfeldt van Halle-Saale, stof gegeven voor een merkwaardig artikel: Das 
alte Testament im Lichte der safatenischen Inschriften 50 ). Het bevat een werkelijke 
commentaar op de verhalen van de aartsvaderlijke periode die zich afspelen in de woestijn¬ 
achtige streken ten oosten van Syrië en van Jordanië. Het leven en de instellingen van de 
zwervende volkstammen van Safa illustreren na een vijftiental eeuwen deze verhalen van de 
aartsvaders. Eissfeldt kon nog de ontdekking van het graf van de safaiet Hani 3 in Over- 
jordanië door G. Lankester Harding 51 ). benutten. 

Deze heeft een van die monumenten in vlakke stenen gefouilleerd. Van hetzelfde type 
hebben wij hondertallen ontmoet in Arabië. Hij vond er het geraamte van een man in, en dicht 
erbij ontdekte hij een vrouwenskelet. Deze monumenten zijn dus als begraafplaatsen ge¬ 
ïdentificeerd. Volgens de opschriften in de nabijheid hebben de naaste bloedverwanten 
van de overledene, Hani genaamd, elk hun steen bijgebracht en zo tot de oprichting 
meegewerkt. Thans nog worden de graven van de Bedoeïenen in de woestijn met een hoop 
stenen bedekt, opdat de wilde dieren de lijken niet zouden wegroven. Wanneer Joab’s schild¬ 
knapen Absalom hadden afgemaakt „wierpen zij hem in een diepe kuil in het woud en sta¬ 
pelden er een geweldige hoop stenen boven op” (II Sam., xviii, 17 i cfr. los., vu, 26; vin, 
29; x, 27). De zoon van David had zich een meer waardig praalgraf laten gereed maken: 
„Absalom had zich een stele laten oprichten ( massébét ) in de koningsvallei te Jerusalem... 
Men noemt ze heden nog: het monument van Absalom” (II Sam., xviii, 18). „Monument” 
is de vertaling van het Hebreeuwse „ydd”, c hand 3 . De Punische votiefsteles, toegewijd aan de 
godin Tanit, vertonen dikwijls een gestrekte hand, gewoonlijk gegrift boven de inscripties. 
Dit symbool versiert verschillende Zuidarabische inscripties 52 ). Het is ook gekend in de 
Akkadische symboliek. „In het Oosten, schrijft F. Cumont, is de opgeheven rechterhand met 
de palm naar voor, een ritueel gebaar van aanbidding of van eerbewijs dat de gelovige maakt 
in tegenwoordigheid van de góden, maar het is ook een gebaar van bescherming door de god 
zelf verleend” 53 ). 


Vermelden we tenslotte nog dat deze safaïtische inscripties grotendeels bestaan uit stam¬ 
bomen die soms meer dan een twaalftal namen bevatten. Deze lijsten zijn niet verzonnen. 
Dit wordt bewezen door stambomen van de verwanten in de zijlinies, dikwijls aangetroffen 
op grote afstand van elkaar. Zij getuigen van een volmaakte overeenstemming in de opsomming 
van de gemeenschappelijke voorvaderen 54 ). Deze epigrafische teksten bevatten heel wat ver¬ 
wantschapsnamen „waarvan de interpretatie in letterlijke zin, aan geen twijfel onderhevig 
is” 55 ). Ze zijn echte documenten van de burgerlijke stand „die ons inlichten over de genealogie 
en de verwantschapsbanden van duizende Bedoeïenen die leefden aan de woestijnrand van 
Syrië in de eeuwen die het begin van onze tijdrekening voorafgingen en volgden” 56 ). In 


50 ) In ZDMG, 104 (1954), blz. 88-118. 

51 ) Zie boven, nota 20. 

52 ) Cfr G. Ryckmans, Les religions..., blz. 35. 
5; ) F. Cumont, in Syria, xiv (1933), blz. 385. 


° 4 ) G. Ryckmans, Langues et écritures sémiti- 
ques, zie nota 23, col. 322. 

55 ) G. Ryckmans, Les noms de parente en safaï- 
tique, in Revue biblique , lviii (1951), blz. 377. 

56 ) Art. cit, zie nota 55, blz. 379. 







8 4 


HET OUDE AKABIË EN DE BIJBEL 


de literaire dokumenten daarentegen is de scheiding tussen de letterlijke eigenlijke zin en 
de metaphorische moeilijk vast te stellen. Het zelfde geldt voor de omvang die men aan de 
letterlijke zin moet geven. Men herinnere zich maar de controversen die gerezen zijn op dit 
gebied door de vermelding van de „broeders van Jezus” in de Evangeliën, in de Handelingen 
van de Apostelen en bij Sint Paulus. Het is niet zonder belang in dit verband de inscriptie te 
citeren die in het Corpus de nummer 657 draagt: Ifdmn bn shl bn °hrb bn msk wwgm c Phwh 
hr bn )n wtm uPs, „Aan Fadman, zoon van Sahl, zoon van °Ahrab, zoon van Masik. En 
hij heeft een teken gesteld voor zijn broeders, Hurr, zoon van 3 Alman, en Taym, en D Aws”. 
De term °hw, c broeders D , kan hier onmogelijk in eigenlijke zin bedoeld zijn, tenminste zo het 
niet gaat om halve broers uit verschillende vaders geboren. Nochtans menen we te mogen 
besluiten uit het onderzoek van de teksten dat de eigenlijke broers niet met hun naam worden 
aangeduid, doch enkel met de melding „zijn broers” zonder meer. De vermelding van de 
eigennaam duidt echter halve broers langs vaders of moeders kant aan, om ze te onderscheiden 
van de eigenlijke broers; b.v. „zijn broeder Hurr”. De aanduiding broeders 3 gegeven aan de 
zonen van twee verschillende vaders schijnt erop te wijzen dat deze naam eenvoudig toepas¬ 
selijk is op kozijns. De safaïtische inscriptie C. 657 zal daarom de aandacht van de exegeten, 
die zich interesseren aan het probleem van Jezus’ broeders, verdienen 57 ). 

Dit zeer onvolledig overzicht zal, zo hoop ik, niet gans nutteloos zijn indien het een 
idee geeft van de talrijke kontaktpunten die men kan vaststellen tussen de religieuze instel¬ 
lingen van de Hebreen en van de oude Arabieren. Nochtans vertonen deze instellingen van 
beide volken een radikaal onderscheid. O. Eissfeldt heeft dit reeds gesignaleerd in ver¬ 
band met de godsdienst van de Aartsvaders in zijn betrekking tot de godsdienst van de no¬ 
maden van Safa: „Worden in de inscripties van de Safaïten verschillende godheden, wel een 
twaalftal, aanroepen, in de verhalen daarentegen uit de periode van de Patriarchen komt 
alleen de vermelding voor van de „enige God”. En dit onder de naam van Yahweh, van 
Elohim, van El of nog andere namen, en zij verraden tenhoogste de sporen van een cultus 
die eertijds in hun milieu aan een veelheid van góden werd gebracht” 58 ). 

Leuven, 15 Juni G. Ryckmans 


57 ) Art . cit.j zie nota 55, blz. 383-384. 


5S ) O. Eissfeldt, in ZDMG, 104 (1954), blz. 113. 


Studiorum biblicorum strenuo promotori in Univer - 
sitate Lovaniensi egregio professori J. Coppens 
diem natalem sexagesimum agenti 12.10.1956. 


LESMANUSCR1TSTROUVÉS DEPUIS 1 947 DANSLE DÉSERT DEJUDA 

III 


I — Publications de textes. VI — Etudes spéciales. 

II — Résultats des fouilles et des explorations. A. Textes Bibliques, B. Commentaires, 

III — Ouvrages de caractère général. C. Regies, D. Hymnes, E. Autres textes. 

IV — Questions de paléographie. VII — La communauté de Qumran et les Esséniens, les 

V — Questions d’orthographe et de morphologie. Karaïtes, le gnosticisme et 1 ’Eglise naissante. 

Le dernier article dans cette série a paru dans le Jaarbericht N° 12, 1951-1952, pp. 221-248 
et il est daté du 5 septembre 1952. Depuis presque quatre ans de nouvelles découvertes ont été 
faites, le désert a été exploré par des bédouins et des hommes savants, des fouilles ont été 
faites sur le Hirbet Qumran et en d’autres endroits; et le flot des publications n’a fait que 
monter. L’étude des Documents du Désert de Juda risque de devenir une nouvelle branche des 
Sciences philologique, historique, théologique. Jusqu’ici les grands textes trouvés par les bé¬ 
douins dans la première grotte ont été publiés a 1 ’exception d’un seul. D’après une communi- 
cation faite a la presse a Jérusalem le 3.2. 1956, ce dernier a enfin été ouvert en Israël, oü 
il avait été transféré après un séjour de plusieurs années en Amérique. Malheureusement la 
plus grande partie avait été tellement endommagée que le texte en doit être considéré comme 
perdu, mais la partie du milieu (quatre colonnes entières de 34 lignes et des parties impor- 
tantes de 5 cinq autres colonnes) a été conservée. Le rouleau parait être une espèce de commen- 
taire midrasique sur quelques chapitres de la Genèse, qui rappelle le style et le contenu du 
livre des Jubilés; il est écrit en araméen, proche de celui de Daniël. La publication des in- 
nombrables fragments qui ont été ramassés dans les différentes grottes, surtout dans la qua- 
trième, a seulement commencé. Certains textes sont encore entre les mains de bédouins ou de 
marchants d’antiquité, et demandent a être rachetés. Des institutions de plusieurs pays (Canada, 
Angleterre, Allemagne, Vatican, Etats-Unis) ont contribué a ce rachat, la Belgique a envoyé 
une mission pour explorer le désert, 1 ’Académie des Inscriptions et Belles Lettres de Paris 
subventionne des fouilles, et le gouvernment de Jordanië a dépensé de grosses sommes de son 
petit budget, déja si lourdement grevé de 1’entretien de centaines de milles de malheureux 
réfugiés palestiniens. 

L’état dTsraël a pu acheter les rouleaux que Tévèque jacobite Syrien du couvent de Mar 
Markos avait exporté clandestinement en Amérique; ils sont maintenant a Jérusalem oü on 
peut les voir, admirer et étudier, ensemble avec ceux que le professeur Sukenik avait pu 
acheter en 1947. Les autres textes, presque tous des fragments, le plus souvent trés petits, 
sont conservés pour la plupart a Jérusalem dans le musée Rockefeller, ou, grace a la générosité 
de J. D. Rockefeller Jr, ils sont étudiés par une équipe internationale de savants la ). Dans les 
pages suivantes on essaiera de faire le relevé des données nouvelles et des publications et 
études parues depuis 1952 !). 


I — PUBLICATIONS DE TEXTES 

Deux événements de grande importance sont a signaler. En Israël les textes achetés en 1947 
par le regretté professeur Sukenik ont enfin été publiés après la mort du dernier en une 


la ) Cf. The Illustrated London News, Sept. 3, 
1955, P- 379 (article de G. L. Harding). 

1 ) Dans cette étude les mêmes abréviations sont 
utilisées que dans Partiele précédent: DSS — Dead 
Sea Scrolls, Rouleaux (Documents) de la Mer 
Morte; DSIa — premier grand rouleau dTsaïe; 
DSIb — deuxième grand rouleau dTsaïe; DSH = 
commentaire d’Habacuc; DSD = Manuel de disci¬ 
pline; DSW = Régie de la guerre; DST = Hym¬ 


nes d’action de grace; CDC = document(s) de Da- 
mas; TM = texte masorétique. Un système ingé- 
nieux pour indiquer tous les documents d'après 1’en- 
droit oü ils ont été trouvés et leur contenu a été 
élaboré par J. T. Milik (cf. RB 1953, pp. 87-88 et 
lëdition des DSS d’Oxford, pp. 46-47), et adopté 
par les savants; pour les grands mss beaucoup d’au- 
teurs sën tiennent aux anciens sigles plus faciles. 








86 


LES MANUSCRITS TROUVÉS DEPUIS I947 DANS LE DÉSERT DE JUDA 


somptueuse publication qui fait honneur a lTnstitut Bialik et 1 ’Université hébraïque de Jéru- 
salem. 2 ) On y trouve une brève introduction (en hebreu ou en anglais, suivant les éditions 
hébraïque ou anglaise, parues Tune après 1 ’autre), des fac-similés de tous les textes, et leur 
transcription en caractères modernes. Le premier texte est ce qui reste d’un rouleau d’Isaïe 
(environ la dixième partie; DSIb) ; il est suivi par les 19 colonnes, ou ce qui en reste, de la 
“Guerre des fils de lumière contre les fils de ténèbres” (a appeler ci-après la “Régie de la 
guerre”) et enfin par le rouleau, ou ce qui en reste, ^es Hödayöt, psaumes d’action de grace, 
en plus de douze colonnes et un grand nombre de fragments, grands et petits. 

Le Department of Antiquities de Jordanië a enfin publié le premier volume de 1 ’édition de 
tous les textes et fragments en possession du gouvernement jordanien, du musée Rockefeller, 
ou achetés sous les auspices du service jordanien des antiquités. C’est encore un volume somp- 
tueux, préparé par six collaborateurs, écrivant chacun dans sa propre langue: anglais ou f ran- 
qais 3 ). En plus des planchés et leur transcription on y trouve des introductions, des traductions 
et des notes. Le volume contient presque exclusivement des fragments, tant de textes bibli- 
ques (Gen., Ex., Lév., Deut., Juges, Sam., Is., Ez., Dan., Pss.; un phylactère) que de textes 
non- bibliques (commentaires de Midi., Soph., Pss.; restes de livres apocryphes: Jub., Livre de 
Noé, Apoc. de Lam., Test. Lév., Dires de Moïse, textes sans nom; textes juridiques et liturgi- 
ques; restes de recueils hymniques; textes de groupes non caractérisés). Un des textes les 
plus importants publiés dans ce receuil est sans doute le „Document des deux colonnes’’, appelé 
ici „Régie de la congrégation”, apparenté au Manuel de discipline (DSD), dont il ne fait 
cependant pas partie, comme certains 1 ’avaient pensé d’abord. C’est une „régie pour toute la 
congrégation dTsraël a la fin des jours” (Ligne 1) ; cette congrégation comprend lTsraël 
réuni, placé sous la conduite des prê'tres et de leur chef, et du Messie dTsraël. Des femmes et 
des jeunes enfants y appartiennent et on n’y pourra se marier qu’a 1’age de 20 ans (col. I, 
10/11). Dans la dernière partie conservée il est question de 1 ’activité des prêtres et des chefs 
aux repas communs: le Prêtre bénira la première bouchée de pain et de vin et mangera le 
premier; ensuite béniront et mangeront le Messie dTsraël — s’il est la — et les autres assis- 
tants, a tout repas oü seront réunis au moins dix hommes. II n’y est donc pas question d’une 
cène sacrée, comme certains 1’ont tout de suite prétendu, mais de repas pris avec les cérémonies 
de la religion 4 ). Dans un appendice la transcription (sans planchés) est publiée de quelques 
fragments de Daniël, dont Dan. II 2-6 (pp. 150-152) ; le texte ne diffère pas beaucoup de celui 
des masorètes, surtout pour ce qui regarde la partie hébraïque. Malheureusement la date de ces 
fragments n’est même pas insinuée ; 1 ’éditeur (D. Barthélemy) se demande si certains indices 
ne permettent pas de penser que Daniël ne fut peut-être pas considéré a Qumran comme ca- 
nonique (p. 150). Les indices (format des colonnes, exemplaire de Daniël sur papyrus trouvé 
dans la 6me grotte) semblent fort légers et sujets a caution. 

A cóté des grandes publications, des fragments divers ont été publiés dans plusieurs revues, 
provenant de différents endroits, surtout des grottes 2-6 (a appeler ci-après iQ, 2Q, etc.) 
de Qumran et du Wadi Muraba c at. La publication officielle et définitive est en cours de 
préparation. Parmi les documents publiés de Muraba c at se trouvent une lettre d’un Bar 
Kosba, un contrat juif de 1 ’an 134 a.d., un phylactère et une lettre des parnasin (chefs de la 
communauté) de Bét Maskö 5 ). La pièce la plus impressionante est certainement la lettre de 


2 ) O sar ha-m e gillot ha-g e nüzot ... E. L. Sukenik, 
Jerusalem 5715 (= 1954/Ó. 

3 ) D. Barthélemy, O.P. and T. J. Milik..., Dis- 
coveries in the Judaean Desert. I. Qumran Cave I. 
Oxford 1955. 

4 ) Comme repas sacré on peut considérer tout 

repas qui fait partie du culte, donc le repas sacri- 

ficiel, la cène eucharistique, etc. Un repas oü le 

culte a seulement une place est per se profane. Cf. 

F. Bammel, Das Heilige Mahl im Glauben der Völ- 

ker, Gütersloh 1950. Jusqu’ici toute preuve que les 

gens de Qumran, ou les Esséniens, aient connu des 


repas vraiments cultuels, manque. Quant aux dires 
de Josèphe, il ne faut pas exagérer leur portée, mais 
les expliquer d’après ce que nous savons des cou- 
tumes des Juifs de leur temps ... et de Qumran 
(cf. note 212 a et ci-après, p. 90. 

5 ) Cf. J. T. Milik RB 1953, pp. 276-294; 1954, 
pp. 182-190; R. de Vaux RB 1953, pp. 260-267; 
268-275. A part les documents mentionnés on a en¬ 
core trouvé dans le Wadi Muraba c at quelques ostraca 
(la plupart en hebreu, dont un a douze lignes in- 
complètes), quelques fragments d’un document latin, 
un papyrus palimpseste dont le premier texte (en 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


87 


Simon Bar Kosba, appelé en d’autres lettres „prince dTsraël” et identifié avec raison avec 
le fameux Bar Kochba, chef de la révolte de 132-135. Son nom Bar Kosba a été transformé 
par ses adversaires en Bar Kozba („menteur”) tandisque ses adeptes en ont fait Bar Kochba 
(„fils de 1’étoile”, désignation messianique). 

Quelques morceaux importants d’une traduction grecque des xn Prophètes ont été pu¬ 
bliés par D. Barthélemy, qui les appelle un „chaïnon manquant de 1 ’histoire de la Septante” 6 ). 
II résulte de cette publication que le témoignage de Justin, qui a dit que les rabbins de son 
temps avaient délibérément changé le texte de leur version grecque de la Bible, a été rejeté 
a tort par les critiques modernes. Le texte retrouvé se trouve être en accord avec celui de 
Justin, et B. en conclut qu’Aquila n’a pas été un innovateur en méthode de traduction, mais 
qu’il a continué et développé le travail de prédécesseurs. Symmachus a connu le même texte 
et Barthélemy voudrait 1 ’identifier avec la Quinta d’Origène. La découverte semble favoriser 
la thèse d’une Proto-Septante originelle; F. M. Cross parle même de „decisive evidence” 7 ). 
P. Kahle a publié un long article sur les mêmes textes 8 ) ; il a demandé 1 ’avis de C. H. 
Roberts d’Oxford qui lui a dit que le ms doit dater de 50 av. j.c.—50 a.d. et qu’il n’est 
donc pas beaucoup plus vieux que les papyrus Chester Beatty. Kahle admet que le texte 
retrouvé est le même que celui que S. Justin a cité; selon lui, ce texte aurait servi de base a 
la recension de Lucien, et plusieurs autres textes ont pu coexister avec lui. Le fac-similé d’un 
fragment grec d’Habacuc a été publié Dans Bi Ar 1954, p. 13. 

Un fragment grec de I Sam. 1-2 de 4 Q été publié par F. M. Cross, qui le date du 
ier siècle av. j.c. 9 ). Cross pense que la découverte des fragments grecs dans le Désert de Juda 
exercera une profonde influence sur la critique textuelle, aussi bien du texte hébreu que de 
celui de la Proto-Septante. Le texte grec retrouvé de Samuel appartient a la même tradition 
textuelle que le texte hébreu qui a servi de base a la version grecque de la familie du vaticanus 
(B). D’autres variantes de Samuel of f rent des variantes plus ou moins proches du texte mass.; 
Cross en conclut que cette divergence de textes nous met pour la première fois en présence 
d’un texte de 1 ’Ancien Testament encore en état de fluidité relative 10 ). II polémise contre 
ceux qui ont dit que les divergences du grec de Samuel peuvent ê'tre expliquées par les idéosyn- 
crasies du traducteur h 1 ) et termine son étude en disant que le fragment publié par lui, et 
d’autres qui doivent encore suivre, démontrent clairement que les auteurs de la Septante ont traité 
le texte hébreu avec le plus grand respect; 1’utilité de la Septante pour 1’établissement d’un 
texte hébreu plus originel serait emphatiquement confirmé. II faut attendre de nouvelles 
publications pour voir si Cross ne va pas trop loin; sa conclusion, en tout cas, ne peut valoir 
que pour les livres bibliques dont des fragments grecs ont été retrouvés. 

P. W. Skehan a publié des restes de Deut. xxxn 41-43 (en hébreu) ; le texte appar¬ 
tient au cantique de Moïse et a été écrit en h'émistiches séparés ( !), placés 1 ’un en dessous 
de 1 ’autre. 12 ). La colonne entière ne compte que onze de ces hémistiches ; parmi les mss. de 
Qumran on a trouvé des fragments des Psaumes, arrangés de la même facon en hémistiches. 
Le texte du fragment présente quelques variantes, retrouvées dans la Septante, ce qui semble 
confirmer de nouveau que les traducteurs grecs suivaient leur texte hébreu de beaucoup plus 
prés qu’on ne 1 ’avait pensé 13 ). Un tout petit fragment, ne contenant que trois mots, présente 
apparemment le texte de la Septante de Deut. xxxn 8: „[Dieu a établi les frontières des 
peuples selon le nombre] des fils d’El” (TM: des fils dTsraël”, texte qui semble moins 

originel). 

I. Muilenburg a publié des fragments d’un texte hébreu de Qohéleth, qu’il date du 


hébreu) est attribué par de Vaux a la fin de la 
période monarchique avant 1’exil, des fragments de 
livres bibliques entièrement conformes au texte ma- 
sorétique (même pour 1’orthographe), des textes 
grecs (e.a. un document incomplet oü on lit le nom 
de 1’empereur Commode, 180-192), etc., cf. RB 1953, 
pp. 260-264. 

D RB 1953, pp. 18-29. Pour le fac-similé d’un 
fragment grec d’Habacuc, cf. aussi BiAr 1954, p. 13. 


7 ) Cf. BiAr xvii 1954, p. 12. 

8 ) ThLZ 1954, pp. 81 ss. 

9 ) BASOR 132, 1953, pp. 15 ss. 

10 ’) Art. cité, p. 24. 

ai ) Ici il vise en particulier la dissertation de 
P. A. H. de Boer, Research into the Text of I Sa¬ 
muel i-xvi, Amsterdam 1938. 

12 ) BASOR 136, 1954, pp. 12-15. 

13 ) Art. cité, p. 14. 









88 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


2me siècle av. j.c. (il s’agit de restes d’Eccles v 13-17; vi 3-8; vu 7-9) 14 ). Si cette data- 
tion, reposant sur des critères paléographiques, est exacte, on aura la preuve définitive et 
concluante que Qohéleth a été composé un certain temps avant 150 av. j.c. Dans le texte la 
scriptio plena est employée moins que dans DSIa et plus que dans TM; il y a encore d’autres 
divergences entre TM et le texte retrouvé, mais elles sont peu importantes. La thèse tradition- 
elle que Qohéleth a écrit en hébreu et non en araméen (comme le voudraient H. L. Ginsberg 
et d’autres) est selon M. corroborée par la nouvelle trouvaille, bien qu’elle ne la prouve évidem- 
ment pas. 

Dans un autre article Muilenburg a publié quelques fragments d’un rouleau d’Isaïe de 
4Q (restes de xu 5-13, 16; xxn 13-xxm 6) 15 ). Parmi les textes bibliques de Qumran, 
nous dit-il, les prophètes occupent une place prominente, surtout le livre dTsaïe, dont on a 
déja retrouvé (outre DSIa,b) les restes de 8 a 10 rouleaux et de 2 commentaires. Seul le 
Deutéronome et les Psaumes peuvent rivaliser en fréquence avec Isaïe. L’orthographe du texte 
des fragments de 4Q en question correspond, a une exception prés, a celle de TM; des 
variantes conformes a la Septante ne s’y trouvent pas. Paléographiquement le texte semble a 
M. appartenir a la dernière partie de la deuxième moitié du ier siècle av. j.c. 

D’après des nouvelles süres, mais publiées seulement dans les journeux, le département des 
antiquités de Jordanië a pu acquérir les restes fort importants d’un rouleau des douze Prophètes, 
dont rien n’a encore été publié. M. Testuz a édité deux petits fragments acquis par lui et 
qui lui semblent provenir de la région de Qumran 16 ) ; il s’agit de quelques débris d’Os. xiu 15- 
xiv 6 et d’un texte apocryphe. Dans le Illustrated London News du 3 sept. 1955, p. 379, se voit 
une petite photocopie d’un grand morceau d’un peser du Ps 37, déja publié et traduit par J. M. 
Allegro 17 ). F. M. Cross a encore publié trois fragments de 4Q Samb, qui lui semblent 
appartenir a la fin du 3me siècle av. j.c. (restes de I Sam. xvi 1-11; xix 10-17; XXI 3 “ IO >' 
xxiii, 9-17) 18 ). 

Une trouvaille fort curieuse a été celle d’un rouleau de cuivre jaune, trouvé en 1952 dans 
3Q. D’après la description du P. de Vaux ce sont „trois feuilles de cuivre de 30 centimètres 
sur 80 centimètres, primitivement rivetées bout a bout pour former une bande de 2,40 m. de 
long. L’une des plaques avait été détachée et roulée sur elle-même, les deux autres avaient été 
roulées ensemble” 19 ). L’état d’oxidation du métal est tel qu’il est fort difficile de dérouler 
les feuilles. Après plusieurs essais vains les deux parties du rouleau ont été envoyées a 1’institut 
technique de 1 ’université de Manchester, oü on 1 ’a coupé en morceaux et oü il a été lu par J. M. 
Allegro. Le 2 juin 1956 une communication a été faite sur le contenu. Puisque le revers du 
texte gravé profondément sur la feuille peu épaisse apparait en relief du cöté extérieur, K. 
G. Kuhn a taché de le lire 20 ). II pensait y avoir découvert des indications de mesures et 
d’autres particularités et a proposé d’y voir une description des lieux ou étaient cachées les 
richesses de la communauté, ses biens immeubles et ses objets de valeur. II parait maintenant 
que Kuhn a été trés proche de la vérité; voir la note a la fin de eet article. 

II est devenu trés clair que les commentaires du genre du peser d’Habacuc ont constitué a 
Qumran un genre littéraire spécial. A part les fragments des pesarim de Michée, Sophonie et 
Psaumes, publiés dans Qumr&n Cave I, de Vaux a publié un tout petit fragment d’un peser 
d’Isaïe 21 ). Des fragments importants d’un peser de Nahum sont étudiés en Angleterre; rien 
n’en est encore connu. 

Tout récemment J. T. Milik a publié deux fragments d’un Testament de Lévi araméen, 
provenant de 4Q 22 ) (pour d’autres fragments, provenant de iQ, cf. Qumran Cave I, pp. 87- 
91) ; il le date d’environ 100 av. J.C. Selon lui cette découverte est a rapprocher de celle de 
fragments araméens du même ouvrage dans la geniza du Caire, et de celle d’une insertion 


14 ) BASOR 135, 1954, pp. 20-28. 

15 ) BASOR 135, 1954, pp. 28-32. 

16 ) Semitica, v 1955, pp. 37-38. 

17 ) PEQ 1954, pp. 69-78. 

18 ) JBL 1955, pp. 147-172. 

19 ) Cf. R. de Vaux, RB 1953, p. 84; 557-558; 


photographies ibid PI. xxiii-xxiv. Cf. aussi F. M. 
Cross dans Bi Ar 1954, p. 1. 

20 ) RB 1954, pp. 193-205. 

21 ) RB 1953, PI. xxiv, entre les pp. 560/561; 
transcription et traduction ibid., p. 555-556. 

22 ) RB 1955, pp. 398-406. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


89 


grecque dans un manuscript des T estaments du Mont Atnos du Xe siècle. Les trois textes 
sont en parties identiques, bien que ce ne soient que des fragments! Milik remarque encore 
que dans les lots de Qumran aucun reste d’un original sémitique des Testaments a été retrouvé. 
Etant donné 1’extrême richesse et variété des fragments retrouvés, ce fait exclut pratiquement, 
selon lui, 1 ’origine préchrétienne et palestinienne de 1 ’ouvrage. Tout porterait a croire que les 
Testaments sont une composition judéo-chrétienne dont 1’auteur a utilise largement des ouvra- 
ges juifs dont les fragments d’un Testament de Lévi retrouves a Qumran seraient un reste 
Milik rejoint ici la conclusion principale de la thèse doctorale de M. de Jonge 23 ), dont il 
a fait ailleurs une recension fort favorable 24 ). 

S. A. Birnbaum a publié deux études sur un texte (fragment) de Muraba c at écrit dans 
une écriture inconnue 25 ) qui ressemble selon lui a la nabatéenne; elle representerait une 
branche de 1’ancienne écriture alphabétique, parallèle aux trois groupes connus: hébraïque, 
palmyrénienne, nabatéenne. 


II — RÉSULTATS DES FOUILLES ET DES EXPLORATIONS 

Après une première fouille de la grotte I et des régions environnantes, on a commencé a 
fouiller systématiquement les ruines du Hirbet Qumran en novembre/décembre I 95 2 - Cette 
première grande campagne a été suivie par trois autres en 1953, 1954, 7 955 on espère d’a- 
chever la fouille en 1956. Des rapports préliminaires des deux premières campagnes ont 
été publiés par R. de Vaux dans la Revue Biblique , ou 1 ’on trouve également quelques mots 
sur deux autres campagnes 26 ). Un compte rendu de la communication donnée le 23 sept. 1955 
a 1’Académie au sujet de la 4 me campagne de Qumran a paru dans le journal Le Monde du 
27 sept. 1955 (p. 7). D’autres données trés sommaires ont été publiées par F. M. Cross 
dans BiAr 1955, pp. 79-80, tandis que G. L. Harding a publié dans la Illustrated London 
News du 3 sept. 1955 un bref aperqu des résultats des fouilles du Hirbet Qumran et deux 
pages de photographies qui en montrent les derniers résultats 26a ). Une vue aerienne de la 
fouille (fig. 4) a permis a E. Vogt de dresser un plan du batiment central entouré de ses 
annexes 27 ). Sous le sol d’une de ces annexes trois pots contenant 563 pièces de monnaie en 
argent ont été trouvés; la monnaie est de deux types seulement: d’Antiochus VII (a partir de 
135 av. J.C.) et de la ville autonome de Tyr (la dernière de 9 av. J.C.). D’autres aperqus 
des fouilles ont été publiés par J. M. Allegro 28 ), F. M. Cross 29 ) et d’autres 30 ). La grosse 
découverte de manuscrits a été celle de la grotte IV (4Q), ou on a trouvé des fragments de 
presque tous les livres bibliques et de beaucoup d’autres (15000 fragments!). 

Nous savons maintenant que 1 ’endroit oü se trouvent les ruines du Hirbet Qumran a été 
habité au 8 me et 7 me siècles av. J.c., donc a 1 ’époque israélite, dont on a trouvé les tracés. D’après 
les archéologues qui ont travaillé sur place, le batiment exploré a été construit sous Jean 
Hyrcan et a certainement été occupé sous Alexandre Jannée. Un tremblement de terre 1 ’a 
détruit, probablement en 31 av. j.c.; pendant un certain temps (sous le règne d’Hérode) il 
semble n’avoir pas été habité 31 ), mais les premiers habitants, oü plutót les membres du même 
groupe, sort revenus et ont réoccupé le batiment qu’ils ont restauré et oü ils sont restés jus- 


23 ) M. de Tonce The Testamen's of the Twelve 
Pntriarchs. A Study of their Text, Composition and 
Origin. Assen 1953. 

24 \ Cf. RB 1955, pp. 297-298. 

25 ) PEQ 1952, pp. 118-120; 1953 , PP- 23-41. 

26 ) RB 1953, pp. 83-106; 540-561; 1954 , PP- 206- 
236; 567-568; 1956. pp. 73 - 74 - 

26a ) Cf. aussi PEQ TQ52, pp. 104-109. 

27 ) Biblica 1955, pp. 562-564. 

28 ) The Exp. Times lxvi, 1955, pp. 259-262. 

29 ) uiAr 1954, PP- 1-21. 

30 ) Cf. R. North, dans CBQ 1954, pp. 426-437; 
W. L. Reed, dans BASOR 135, pp. 8-13; J. L. 
Kelso, JBL 1955, pp. 141-146; A. Parrot, dans 


RHPR 1955, pp. 61-67. Dans the New Yorker du 
ia mai 1955, pp. 45-121, le journaliste E. Wiison a 
décrit longuement et avec talent Thistoire des dé- 
couvertes; Partiele a aussi paru séparément (Londen 
10^5) et F. M. Cross en a écrit un compte-rendu 
dé favorable dans The New York Times Book Review 
16.10.1955, p. i (cf. CBQ 1956, p. 66). 

31 ) C. F. Fritsch a remarque dans JBL 1955, 
pn. 173-181 que la vie ascétique et pieuse des Es- 
séniens de Qumran a bien pu constituer un reproche 
vivant aux yeux d’Hérode, vivant non loin de la 
dans son luxurieux palais d’hiver pres de Téricho; il 
se peut trés bien qu’il n’ait pas supporté leur pré- 
sence. 





go 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


qu’en juin 68 de notre ère. En ce mois des soldats romains de la dixième légion Tont détruit 
mais Tont plus tard occupé pour y établir un poste de désert. La dernière pièce de monnaie 
de cette période est d’Agrippa II et date d’environ 86. Ils semble donc que les Romains sont 
partis vers la fin du siècle. On dirait aussi que les gens de Qumran ont caché leurs manuscrits 
dans les grottes d’alentour avant de livrer bataille contre les Romains. Ceux-ci les auront trouvés 
lors de leurs actions d’épuration de la région et les auront détruits ou déchirés. Seuls les manus¬ 
crits de quelques grottes semblent avoir échappé a leur fureur, dont ceux de la grotte i. 

Pendant la deuxième guerre de libération (132-135) les ruines du batiment ont été occupé 
une dernière fois, sans doute par des Juifs révoltés, qui n’y sont pas restés longtemps. Enfin 
il y a encore quelques tracés d’occupation arabe tardive, qui est sans importance pour Thistoire 
du batiment. On avait d’abord pensé que celui-ci ne comprenait que Tédifice de 30 x 37 
mètres dont les restes étaient visïbles depuis longtemps,mais les fouilles de 1954, 1955, 1956 
ont mis a jour les annexes du batiment central, couvrant une aire aussi grande que celui-ci. 
On y a trouvé e.a. des citernes, Tatelier de poterie le plus complet qu’on connait parmi les 
restes archéologiques du pays, et une pièce oü se trouvait une grande quantité de vaiselle: 
jarres, cruches, terrines, assiettes, bols et gobelets 32 ). Une grande salie longue de 22 mètres 
a bien pu être la grande salie de réunion de la communauté. D’autres grandes salles ont été 
identifiées dont une a peut-être servi de réfectoire tandis qu’une autre a servi de scrip¬ 
torium , dont les tables et les bancs 33 ) (transférés au musée Rockefeller, avec trois encriers 
en bronze et en poterie) ont été partiellement reconstruits. Le P. de Vaux pense que la vaiselle 
était celle de la communauté, mais on pourrait se demander aussi si elle n’était pas destinée 
a la vente 34 ). Une découverte curieuse et fort importante a été celle de pots avec les restes 
d’ossements d’animaux, surtout de chèvres et de brebis; ils avaient été ensevelis en plusieurs 
endroits en dehors de Tédifice. Le P. de Vaux se demande si ces os ne sont pas les restes 
de repas sacrés, mais ceci est encore un supposition, puisque les textes (publiés) n’en parlent 
pas. Est-il possible que ce soient des ossements d’animaux que les Esséniens substituaient peut- 
être aux sacrifices qu’ils n’envoyaient pas (? le texte de Josèphe, Antiq., xvm 1, 5 est 
discuté) au temple? Ou témoignent-ils simplement du soin dont on se débarrassait de choses 
impures ? S’ils sont les restes de repas rituels, il ne s’ensuit pas que les autres repas communs 
dont les textes parlent, et oü Ton consommait du pain et ! du vin, étaient également sacrés. 

On a trouvé a Qumran au moins douze citernes, reliés par un canal et recevant 1 ’eau d’un 
aqueduc venant du plateau supérieur au dessus de la falaise et qui n’était alimenté que par 
les pluies d’hiver. II semble qu’au moins certaines de ces citernes aient été aménagées pour 
qu’on put s’y baigner rituellement. A Test du batiment central s’étend le cimetière, dont on a 
examiné quelques tombeaux; a part trois, ils étaient tous identiques. Les morts y sont ensevelis 
sans dons mortuaires, les corps alignés du nord au sud. Les restes de plusieurs cadavres ont 
été identifiés comme ceux de femmes; si celles-ci n’ont pas appartenu a la communauté, elles 
ont du moins demandé d’être enterrées parmi les saints hommes de la secte. 

A cöté des six grottes de manuscrits identifiées dans les premières campagnes, on en a 
encore trouvé quatre autres dans les environs du Hirbet, toutes effondrées dans Tantiquité. 
Elles n’ont livré que quelques minces fragments de matériel inscrit. 35 ). 

Les fouilles du Wadi Muraba c at (au sud du Wadi en-Nar qui est le prolongement de la 
vallée du Cédron) ont mis au jour des restes chalcolitiques, d’autres du moyen bronze, 
de 1 ’age de fer et des temps romain et arabe. Les objets et textes les plus importants qu’on 
a trouvés datent de la première moitié du deuxième siècle après j.c., en particulier de la 
deuxième guerre juive (132-135) 39 ) ; plusieurs textes sont même datés, tel un contrat de 


32 ) Photographie dans 111. Lond. News 3.10.1955, 
p. 381, p. 381; cf. aussi R. de Vaux dans RB 1954, 
PP- 567-568. 

38 ) Trouvés parmi les restes d’une salie haute ef- 
fondrée; les tables et bancs sont maintenant exposés 
dans le musée palestinien de Jérusalem. 

34 ) W. R. Farmer a écrit sur la base économique 
de la communauté de Qumran dans Theol. Zeitschr. 


1955, PP- 2 95-3o8; il a touché un problème dont il 
faut certainement tenir compte. Cf. F. M. Cross, 
dans BiAr 1955, pp. 79-80. 

3Ö ) La communauté n’a pas seulement vécu dans 
ces grottes, mais en des huttes ou des tentes dont 
on a trouvé les vestiges dans les environs du grand 
batiment. 

36 ) R. de Vaux, RB 1953, pp. 245-267. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


91 


124 a.d. et un certificat de dette de 171 a.d., tous deux en grec. Plusieurs autres (non publiés) 
sont datés de „la délivrance dTsraël par le ministère de Sim c on ben Kosbah, prince dTsraël” 
(donc d’entre 132 et 135) et deux lettres du même, dont une seule a été publiée, portent la 
signature de 1 ’homme fameux 37 ). Quelques débris de textes bibliques (Gen., Ex., Deut., Is.), 
des ostraca, quelques mots d’un texte latin du milieu du 2me siècle, des restes de phylactères 
et même un phylactère complet, font partie des principales trouvailles. Le phylactère complet 
est une mince bande de peau, longue de 17 cm et large de 1 a 2 cm; Técriture est minuscule 
mais trés lisible, le texte est composé d’Ex.xm 1-10. 11.16; Deut.xi 13.21 (dans eet ordre), 
tandis que le sma c (Deut. vi 4-9) a été écrit sur une petite feuille a part. Les deux pièces, 
repliées plusieurs fois sur elles-mêmes, avaient été enveloppées dans un morceau de parchemin 
déchiré d un manuscrit grec. D’importantes nouvelles trouvailles de manuscrits ont été faites 
récemment dans le même Wadi Muraba c at, mais rien n’en a encore été publié officiellement 38 ). 

En 1953 une expédition beige, sous la direction du chanoine R. de Langhe, professeur a 
Louvain et a Nimègue, a exploré un grand nombre de grottes dans le Désert de Juda sans 
autre résultat que la constatation du fait que toutes les grottes explorées étaient vides et qu’on 
n’a donc pas a y revenir 39 ). L’expédition a fait quelques trouvailles dans les ruines d’un 
ancien monastère grec établi jadis par S. Sabas en 492 sur le Hirbet Mird (a 4 km de Mar 
Saba, au nord du Wadi en-Nar), Tanden site de Hyrcania; le monastère a subsisté jusqu’au 
9me siècle. On y a receuilli des fragments grecs en onciale et en cursive et quelques textes 
syro-palestiniens et arabes. On a en outre pu établir qu’un lot de fragments grecs de codices 
de la Sagesse, des évangiles de Mare et de Jean et des Actes des Apötres, ainsi que des frag¬ 
ments syro-palestiniens de Josué, Luc, Jean, Actes et Colossiens que des bédouins avaient 
apportés a Jerusalem en 1952, proviennent tous du même Hirbet Mird. Les textes bibliques 
grecs datent du 5me au 8me siècle. Parmi les fragments non bibliques on a identifié un petit 
fragment de TAndromaque d’ Euripide du óme siècle. L’expédition n’a donc pas obtenu des 
résultats positifs pour augmenter notre connaissance de la communauté des Juifs de Qumran, 
sinon qu’il semble maintenant assez certain qu’elle a vécu dans une aire peu étendue 40 ). 

Quant a la conservation de manuscrits dans les jarres, B. Couroyer a encore fait 
quelques observations en vue d’augmenter la connaissance de eet usage 41 L 


UI — OUVRAGES GÉNÉRAUX 


Depuis septembre 1952 plusieurs grands ouvrages sur les manuscrits du Désert de Juda 
ont paru, ainsi qu’un certain nombre d’études de caractère général. Le plus grand et le plus 
important ouvrage d’ensemble est certainement celui de M. Burrows, The Dead Sea Scrolls 
(New York 1955, xm + 435 pp.), destiné non aux savants, mais au grand public (que Tauteur 
se représente toutefois comme assez savant!). L’auteur a lu et étudié tout ce qui a paru d’im- 
portant; il cite et discute judicieusement les opinions principales, dont il mentionne les auteurs 
mains non pas leurs écrits, si ce n’est que dans la bibliographie a la fin du volume. Burrows 
passé en revue Thistoire des découvertes, qu’il continue jusqu’a la campagne de février-mars 
1:955 sur le Hirbet Qumran. II est convaincu que Tarchéologie et la paléographie ont établi de 
faqon indubitable que les textes de Qumran sont tous antérieurs a 70 a.d., et il lui semble bien 
possible que les plus anciens textes bibliques retrouvés dans les grottes datent du 3me siècle 
av. j.c. (conclusion de F. M. Cross, voir plus bas). Les Kittim du peser d’Habacuc sont pro- 
bablement les Romains et le peser lui-même a probablement été écrit avant 63 av. J.c.., ou en 
tout cas non longtemps après cette date. Quant aux théories proposées pour Tidentification du 
Prêtre impie et du Docteur de justice, Tauteur les trouvé toutes incertaines. II ne veut appeler 
les gens de Qumran des „Esséniens” qu’a condition qu’on prenne ce mot dans un sens trés 


37 ) J. T. Milik, RB 1953, pp. 276-294; R. de 
Vaux, ibid., p. 264. 

38 ) Cf. F. M. Cross, BiAr 1955, p. 80; il ajoute 
que cette découverte, ensemble avec d’autres, „sug- 
gest that the caves of the Wilderness of Judah are 
not yet exhausted” (L.c.). 


39 ) Cf. G. Vermès, Les manuscr. du Dés. de Juda , 
p. 27; cf. aussi R. de Vaux, RB 1953, p. 85. 

40 ) Cf. Vermès, l.c. 

41 ) RB 1955, pp. 76-81; cf. aussi les données pu- 
bliées par R. de Vaux, RB 1949, p. 591, et par J. T. 
Milik, Biblica 1950, p. 504. 









9 2 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


large, a raison de certaines divergences entre les usages et croyances du groupe et ce que 
Josèphe et Philon nous ont dit des Esséniens de leur temps. A la fin de 1 ’ouvrage 1 ’auteur 
donne des traductions complètes de CDC, DSH, DSD, et partielles de DSW, DST. 

L’ouvrage de G. Vermès Les manuscrits du Désert de Juda (Paris 1953) est adressé a 
des lecteurs plus spécialisés. L’auteur traite de 1 ’histoire des découvertes, de la date des manus¬ 
crits (dont il donne un catalogue aussi complet que ce fut possible au moment qu’il écrivait), 
du cadre historique des principaux textes (DSD, CDC, DSH), de 1 ’organisation de la commu- 
nauté de Qumran et de sa doctrine, de 1 ’oeuvre du Docteur de justice. A la fin il donne une 
traduction compléte des principaux documents publiés alors, y compris celui de Damas. Vermès 
pense que la communauté de Qumran s’est formée entre 200 et 170 av. j.c. et que le ministère 
du Docteur de justice tombe en partie sous le règne d’Antiochus Epiphane; le prêtre impie 
de DSH est Jonathan, le „Débiteur de mensonges” son frère et successeur Simon. DSH a 
été composé lorsque les Romains étaient dé ja devant les portes de Judée, donc entre 65 et 63. 

Un autre ouvrage d’ensemble est celui de G. Molin Die Söhne des Lichtes, Zeit und 
Stellung der Handschriften am Toten Meer (Wien-München 1954). L’auteur donne d’abord 
les textes (y compris CDC) en traduction; dans la deuxième partie de son ouvrage il les 
commente, dans la troisième il y ajoute des réflexions sur des questions spéciales, donnant 
ainsi un trés bon apergu de 1 ’ensemble des questions. Parmi les candidats a être identifiés avec 
le Prêtre impie le choix de Molin est tombé sur Alexandre Jannée; les Kittim de DSH 
sont probablement les Romains, le „maison coupable” du même ouvrage est le sénat romain. 

Dans le Supplément au dictionnaire de la Bible, art. Manuscrits hebreu x (fase. xxvn 
1954), C. van Puyvelde traite des textes de Qumran 41a ) ; il accepte la vue de Lehmann 42 ) 
selon laquelle les manuscrits de Qumran porteraient des tracés de ponctuation (col. 813), 
opinion acceptée, que je sache, par aucun autre auteur. Le livre de A. Vincent Les manus¬ 
crits du Désert de Juda (Paris 1955) est un apercu trés général et ne dit que des choses bien 
connues. 

Trés utile comme initiation, mais n’apportant point de nouvelles Solutions importantes 
est 1 ’ouvrage du prof. H. Bardtke Die Handschriftenfunde am Toten Meer (Berlin 1952' 1 , 
1953 2 ). II offre des traductions complètes de DSH et DSD et contient des remarques judicieu- 
ses et utiles pour ceux qui ne sont pas du tout au courant des sujets traités. Le livre de A. H. 
Edelkoort De handschriften van de Dode Zee, mentionné a la fin de 1 ’article du Jaarbericht 
xii (p. 243) a été édité une seconde fois (Baarn 1954 2 ) dans une édition revisée et augmentée. 

A. Dupont-Sommer a continué sa série de publications sur les problèmes soulevés par les 
textes du Désert de Juda. Dans de Nouveaux Apergus sur les manuscrits de la Mer Morte 
(Paris 1953) il parle e.a. des fouilles faites sur les ruines „du couvent essénien” (= Hirbet 
Qumran), et il traite assez longuement du peser d’Habacuc, du Manuel de Discipline , du 
Testament de Lévi, du Maitre de justice, des rites et usages de la communauté de Qumran et 
de leurs relations avec les origines chrétiennes. L’auteur ne sacrifie aucune position qu’il avait 
prise auparavant, mais il tache cependant a dissiper certaines impressions que des articles 
précédents, même de presse, et d’interviews, avaient créées chez d’aucuns. II utilise les chap. 
xvii-xviii du Testament de Lévi pour jeter de la lumière sur la personnalité du Maitre de 
justice. Tout en reconnaissant (dans une note, p. 65) la possibilité d’interpolations chrétiennes 
il se sert du texte comme s’il n’y en avait pas, en attendant qu’un nouvel examen minutieux du 
problème littéraire du livre des Douze Testaments soit fait 43 ). Cet examen a été fait récem- 
ment dans la thèse doctorale de M. de Jonge, qui est parvenu a la conclusion que les Testa¬ 
ments sont 1 ’oeuvre d’un judéo-chrétien qui a utilisé des sources juives 44 ) ; J. T. Milik a 
accepté cette fagon de voir 45 ). Les Apergus préliminair es... (cf Jmrbericht EOL xn, pp. 


41a ) O.c., col. 801-809. 

42) Cf. JEOL xii, 1951-1952, p. 227. 

43 ) Dupont-Sommer pense que les textes de Qum¬ 
ran permettent de réduire considérablement 1’impor- 
tance de 1’apport chrétien dans les Testaments ( Nou- 
veaux Apergus, p. 65). Voir aussi son article sur le 


Testament de Lévi xvii-xviii dans Semitica iv, 
PP- 33 - 53 - 

44 ) Cf. ci-devant, note 23. 

45 ) Cf. RB 1955, pp. 398-406; recension de de 
Jonge, ibid., pp. 297-298. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


93 


237 245) et les Nouveaux Apergus... de Dupont-Sommer ont été traduits en anglais, les 
premiers par E. M. Rowley 46 ), les derniers par R. D. Barnett 47 ). 

H. H. Rowley, se jetant dans le débat, a publié quelques conférences données par lui a 
Louvain, sous le titre The Zadokite Fragments and the Dead Sea Scrolls (Oxford 1952), 
suivies de la bibliographie la plus large publiée jusqu’alors (pp. 99-125). Le livre-même, 
selon la méthode bien connue de 1’auteur, est une mine de citations, non seulement d’études 
parues sur les questions des manuscrits de la Mer Morte, mais aussi sur les questions connexes 
avec le document de Damas (CDC). Rowley avait jadis soutenu que le temps des Maccabées 
forme le cadre historique de CDC 48 ) ; fidéle a cette thèse et étant donné que la grande parenté 
de CDC avec les DSS ne peut être niée, il soutient que le cadre historique du peser d’Habacuc 
est le temps des persécutions d’Antiochus Epiphane, qui est lui-même FHomme de mensonge, 
tandis que le Docteur de justice, souffrant et persécuté, est Onias III, dernier grand-prêtre 
aaronide légitime, assassiné prés d’Antioche vers 171 av. j.c. La même thèse a été défendue 
indépendamment par 1 ’abbé A. Michel dans son ouvrage Le Maitre de justice d’après les 
documents de la Mer Morte, la littérature apocryphe et rabbinique, (Avignon 1954). L’auteur 
a entrepris de déterminer méthodiquement par voie d’éliminations successives 1’identité du 
Docteur. En laissant la thèse pour ce qu’elle vaut, les arguments que Michel apporte ne me 
semblent pas décisifs, et sa méthode, en pareille matière, trop matérielle et schématique. 

Aux lecteurs de langue italienne le jeune prof. S. Moscati a rendu service en leur 
offrant en italien un sommaire aussi utile que judicieux des découvertes dans le Désert de 
Juda: I manoscritti del Deserto di Giuda (= Pubblicazioni dellTstituto per 1 ’Oriente, Nr. 
51; Roma 1955). Mentionnons enfin la plaquette de Rowley, The Dead Sea Scrolls and their 
Significance (London 1955), texte avec illustrations de deux conférences radiodiffusées 


IV _ QUESTIONS PALÊOGRAPHIQUES 

La paléographie des rouTeaux a été 1 ’objet de plusieurs études de S. A. Birnbaum, F. M. 
Cross et J. C. Trever. Dans son grand ouvrage The Hebrew Scripts, en cours de publication 
(Londres 1954 ss.), Birnbaum distingue entre ce qu’il appelle 1 ’écriture „hébraïque” (e.a. 
DSIa, 175-150; DSD, 150-125; DSH, 75-50; DSIb 1-50; DSW, 1-50; DST, 1-50; DSL, 
1-50; DST, Hand A, (5o)-68; Exodus Muraba c at 100-125), 1 ’écriture cursive palestinienne” 
(e.a. Muraba c at tefillin 126-135; lettre de Bar Kochba, 126-135; document de Bêt Masku 
126-135), 1 ’écriture „mashait” palestinienne (e.a. Qumran Qoheleth, 175-150), 1 ’écriture „du 
Negeb” (e.a. document de Kfar Bebayu, 134 A.D.) 49 ). 

Dans un monographie spéciale Birnbaum a répondu aux attaques de ceux qui considèrent 
sa méthode paléographique comme erronée, ou qui doutent du caractère bien fondé de ses 
conclusions. Dans une préface d’éditeur W. F. Albright a appelé ces attaques „un chapitre 
d’obscurantisme savant parfaitement phantastique” 50 ) et il trouve que les réponses de Birn¬ 
baum sont trés effectives. Des recenseurs comme J. C. Trever, G. S. Glanzman, A. Kapel- 
rud 51 ) ont donné leur pleine adhésion aux réponses de Birnbaum et aussi M. Burrows y 
adhère 52 ), en citant Birnbaum explicitement et exprès. Le dernier est d’avis que le matériel 
paléographique qui est maintenant a notre disposition suf fit largement pour déterminer 1’age 
des manuscrits de Qumran dans les limites de la moitié ou d’un quart de siècle. Birnbaum 
a encore consacré quelques articles a des questions spéciales de paléographie, cités tous dans 
la bibliographie a la fin de cet article. 

F. M. Cross, connu par son Early Hebrew Orthography (New Haven 1952), s’est 


46 ) Titre de la traduction: The Dead Sea Scrolls... 
Oxford 1952. 

47 ) Titre de la traduction: The Jewish Sect of 
Qumran and the Essenes: New Studies on the Dead 
Sea Scrolls..., London 1954. 

48 ) H. H. Rowley, The Relevance of Apocalyptic, 
London 1944, pp. 71 ss. 

49 ) Ces dates ne sont indiquées que sur deux 


feuilles polycopiées qui accompagnent les deux pre¬ 
miers fascicules parus de Touvrage, qui ne contien- 
nent que des fac-similés. 

50 ) „... perfectly fantastic chapter of scholarly 
obscurantism”, dans S. A. Birnbaum, The Qumran 
(Dead Sea) Scrolls and Palaeography, 1952, p. 2. 

51 ) Voir les citations dans BiOr 1954, p. 149. 

52 ) The Dead Sea Scrolls, 1955, p. 85 ss. 












94 


LES MANUSCRITS TROUVÉS DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


appliqué a 1 ’étude paléographique des DSS dans un article récent, dans lequel il avance de 
nouvelles idees 52a ). II pense que déja au 5 me siècle av. j.c. une distinction entre une écriture 
plus ou moins officielle („bookhand”) et une écriture cursive commence a se manifester, pour 
devenir claire aux yne et 2me siècles av. j.c. Dans les deux siècles qui précédent notre ère les 
deux écritures sont devenues tellement divergentes qu’on voit naïtre une main de chancellerie 
intermédiaire. L’écriture araméenne officielle est selon lui originaire de la chancellerie aché- 
ménide, la cursive se voit d’abord dans les textes araméens vulgaires. Parmi les fragments de 
4Q on en trouve qui datent de la fin du 3me siècle av. j.c., tandis que la majorité date de la 
fin des périodes asmonéenne (150-30) et hérodienne (30 av. J.C.-70 a.d.). 

La dernière étude paléographique de J. C. Trever, ne présente qu’un résumé de ses 
idéés sur les méthodes a employer dans 1 ’étude paléographique des DSS, dont il promet de 
publier bientót les résultats finals 52b ). 

La découverte de textes datés dans le Wadi Murabba c at a apporté une confirmation 
brilliante au résultat général auquel 1’étude paléographique des textes était parvenu, a savoir 
que la majorité des textes de Qumran date des deux (trois) derniers siècles du temps du 
second temple. Un coup d’oeil, en effet, suf fit pour voir que les textes de Muraba c at, datant 
certainement du deuxième siècle de notre ère, sont bien postérieurs aux textes de Qumran. 
Etant donné que 1 ’archéologie de Qumran confirme pleinement cette conclusion, il n’est 
plus raisonnable de douter, ni des possibilités de 1 ’étude paléographique des DSS, ni de 1’age 
général des documents. C’est donc en vain que S. Zeitlin continue de protester dans sa revue 
(JOR), et on ne sera pas incliné a accepter ce que G. R. Driver a encore en 1953 écrit 
dans la même revue, ou il a invoqué des critères purement philologiques (de nature incertaine) : 
la langue des écrivains, les idéés et les pratiques de leur milieu social et des allusions histori- 
ques possibles, pour prouver que les DSS dateraient d’après 330 a.d., peut-être de longtemps 
après. 

V _ QUESTIONS D’ORTHOGRAPHE ET DE MORPHOLOGIE 


En la matière de 1 ’étude de 1 ’orthographe et de la morphologie des textes de Qumran on 
n’est pas arrivé a de nouveaux résultats spectaculaires, puisque 1’essentiel est déja connu, 
bienque non encore étudié suffisamment 53 ). Dans une recension de H. Bardtke, Hebrdische 
Konsonantentexte (Leipzig 1954), R. Meyer a observé que la désinence -wn, trouvée entre 
autres dans DSD I 21; v 21; ix 14, parfois dans DSIa et sporadiquement dans DST et 
dans TM, est une forme dialectale du suffixe -dm 54 ). H. Birkeland a fait quelques remar- 
ques linguistiques sur les DSS dans la Festschrift dédiée a Mowinckel 55 ) ; il lui semble 
que certaines formes grammaticales confirment pleinement ce qu’il avait écrit naguère dans 
son Akzent und Vokalismus im Altkebrdischen (Oslo 1940), en particulier qu’il y a en 
h'breu une doublé tradition linguistique. 

Dans la 2 me édition de la Hebrdische Grammatik de G. Beer, faite par R. Meyer (2 vol., 
Sammlung Göschen 7631763a; 7Ó4/7Ó4a; Berlin 1952, 1955) 1 ’auteur renvoie souvent aux for¬ 
mes grammaticales des DSS. II tache de les vocaliser selon sa prop re reconstruction, en tenant 
compte du développement historique de la langue. C’est ainsi qu’il pense p. ex. que le suffixe 
-kh a été prononcé a Qumran comme -aka, devenu ak dans les transcriptions d’Origène et 
d’autres auteurs anciens, et redevenu -ka dans la vocalisation de Tibériade (vol. I, pp. 86, 122). 
Le suffixe -kmh, prononcé a Qumran - kimmd, est devenu -kem a Tibériade. Selon Meyer ces 
formes, et d’autres du mëme genre, appartiennent a un stade historique authentique du 
développement de 1 ’hébreu, antérieur a la prononciation des massorètes. H. Gottstein a 
encore publié quelques remarques sur la langue des DSS 56 ). Dans deux articles A. Rubin- 
stein a attiré 1 ’attention sur 1 ’emploi des temps du verbe dans DSIa; il note que la construc- 
tion avec waw-consécutif était en état de dissolution au moment ou DSIa fut copié 57 ). Dans 


52a ) The oldest manuscript s frorn Qumran, JBL 
1955 , PP- 147-172. 

52 b ) Studies in the Problem of Dating the Dead 
Sea Scrolls, Proc. Am. Phil. Soc. 1953 pp. 184-193. 
58 ) Voir JEOL 12, 1951-1952, pp. 230-233. 

54 ) ThLZ 1955, col. 419-421. 


55 ) Ibid., pp. 24-35. 

56 ) JJSt. 1953, pp. 104-107. 

57 ) VT 1953, pp. 92 - 95 ; 1955 , PP- 180-188; dans 
le premier article 1’auteur renvoie a une étude pré- 
cédente de M. Burrows sur le même sujet, JBL 
1949, pp. 209-210. 


LES MANUSCRITS TROUVÉS DEPUIS I947 DANS LE DÉSERT DE JUDA 95 

un autre il a remarqué que les constructions conditionnelles ne sont pas toutes identiques 
dans DSIa et le texte masorétique d’Isaïe 58 ). P. Wernberg-Moller, qui a publié quelques 
articles philologiques trés judicieux sur des questions de détail du texte des DSS 59 ), a donné 
des exemples, pris de DSD, oü S? et n ont été confondus. II propose de lire DSD vi 7 mD’’ Vs? 
comme niD'Vs? = niD^Vn = relève; DSD VI 12 172 X 722 = innfcn. 

Dans son grand ouvrage sur les rouleaux Burrows est revenu sur la question de la 
langue des DSS, a laquelle il avait déja en 1949 consacré un article 60 ). II ne s’exprime pas 
trés résolument, car ayant dit d’abord que par rapport aux di ff érences d’orthographe et de 
morphologie le texte masorétique d’Isaïe a conservé une forme d’hébreu plus proche du 
dialecte de Jérusalem du temps du grand prophéte (o.c., p. 109), il dit enfin que les formes 
grammaticales de DSIa qui sont écrites d’une fa^on particulière, selon un orthographe dif¬ 
férent de celui des masorètes, sont plus anciennes que celles que TM a conservées (p. 115). 
Quant a 1 ’usage des matres lectionis Burrows renvoie a 1 ’étude de F. M. Cross et D. N. 
Freedman, Early Hebrew Orthography (New Haven 1952), bien reque par la critique 60 ). 
Selon ces deux auteurs, 1 ’usage des matres lectionis, encore restreint avant 1 ’exil, s’est gra- 
duellement développé durant !es siècles suivants, pour atteindre son maximum pendant la 
période asmonéenne (=h 100 av. J.c.). Plus tard les rabbins, fixant 1 orthographe du texte 
biblique, ont diminué considérablement la scriptio plena a 1’aide de manuscrits prémaccabéens. 
Dans 1’orthographe des DSS se perQoivent clairement deux traditions: une qui emploie les 
matres lectionis plutöt rarement, et une autre qui s’en sert largement. La forme -kd du suf¬ 
fixe de la 2ine personne provient de 1’hébreu ancien, mais elle a successivement céde sa place 
a la forme brève en -k, qu’on trouve dans les transcriptions d’Origène et de S. Jéröme. La 
forme longue a probablement été réservée au langage solennel et littéraire, la forme breve 
a été utilisée dans 1’usage courant; la première forme a été conservée dans la vocalisation 
masorétique, la deuxième dans 1 ’orthographe consonantique. Burrows cite encore Sukenik 
qui avait dit que pour fixer le texte consonantique de la Bible, les rabbins ont consciemment 
repris 1’orthographe le plus ancien, datant d’avant le temps de 1’usage général de la scriptio 
plena; dans la dernière période de 1’existence du deuxième temple la prononciation des formes 
brèves et longues aurait été la même. Des suffixes comme -kemmah et des pronoms comme 
attemmah sont considérés par Burrows comme archaïques, en usage dans la communauté. 

Une contribution intéressante au problème des variantes textuelles des DSS et MT, ou 
même d’un texte biblique cité et son peser, est donnée par C. Rabin dans un article récent 61 ). 
II suppose que le texte biblique a été transmis a Qumran d’après le principe d’une variabilité 
limitée de celui-ci, tout comme le texte du Qur’an aux premiers temps de 1’Islam. Selon ce 
principe, des légères variantes pouvaient avoir la même autorité que le texte déclaré „canoni- 
que”, et dans les commentaires on s’en servait aussi bien que de celui-ci 62 ). Ceci expliquerait 
un certain nombre de variantes dans le(s) texte(s) biblique(s) des DSS, et également le fait 
curieux que le peser d’Habacuc présuppose parfois un autre texte que celui qui vient d’être 
cité (cf. DSH xi 9ss.). Rabin a également attiré 1 ’attention sur le fait que les citations bibli- 
ques, trouvées dans les écrits non-bibliques de Qumran et qui souvent ne sont pas textuelles, 
peuvent être utilisées pour connaitre le texte biblique de Qumran lorsque la même citation 
revient plusieurs fois sous la même forme (divergente), ou lorsque des conclusions sont tirées 
de la forme exacte d’un texte. 


VI — ÉTUDES SPÉCIALES 
A — Textes bibliques 

Le grand rouleau d’Isaïe, acquis en 1954 par le gouvernement israélien, a été 1 ’objet d’un 
nombre d’études speciales, dont plusieurs ne concernent que certains détails du texte. 

58 ) VT 1956, pp. 69-79. 61 ) JTSt 1955, pp. 174-182. 

59 ) VT 1953, pp. 104-107; 195-202; 310-315. 62 ) Rabin pense que le système des k’tib-q’rê est 

60 ) Cf. ci-dessus, note 57; il renvoie (p. 114) aussi peut-être un dernier reste du principe de la „variabi- 

a 1 ’article de W. Beegle BASOR 123, 1951, pp. 26-30, lité” du texte biblique, art. cit. p. 181. 

cf. JEOL 12, p. 231. 



















96 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


Dans un article publié dans la Festschrift Dornseiff H. Bardtke a examiné longuement la 
division de DSIa en parasiöt, sections 63 ). II est arrivé a la conclusion que le texte de DSIa 
comprend 210 sections „ouvertes” (majeures), contre 41 dans la troisième édition de Kittel, 
et 310 sections „fermées” (mineures), contre 168 dans Kittel. Un certain nombre de cou¬ 
pures se trouvent ê'tre conformes a la tradition des masorètes, un moins grand nombre d’autres 
se retrouve dans la tradition grecque. II s’ensuit que la division du texte en sections est fort an- 
cienne et que les masorètes, ou les rabbins qui les ont précédés, se sont opposés au morcelle- 
ment du texte en trop petites sections. 

De son cöté C. Kuhl a examiné la division de DSIa en sections 64 ) ; il pense qu’elle 
s’approche plus du système de la Septante que de celui de TM, ce qui ne concorde pas avec le 
résultat de la longue et méticuleuse étude de Bardtke mentionnée ci-dessus. DSIa ne connait 
pas encore la division du texte en p e süqim (versets); Kuhl pense que le manuscrit a été copié 
par deux mains différentes. 

W. H. Brownlee a constaté qu’il y a un rythme assez régulier dans les omissions qu’on 
observe dans la seconde partie de DSIa (chap. xxxiv ss.) ; pour 1 ’expliquer il suppose que le 
copiste s’est servi de deux manuscrits différents dont le deuxième (unpapyrus?) était lacuneux 
dans la marge inférieure (cf. DSH, DSW, etc.) 65 ). En copiant, le scribe aurait d’abord laissé 
des ouvertures dans son texte a la place des lacunes, que lui, ou un autre, aurait plus tard 
comblé d’après un manuscrit complet. Le premier manuscrit dont il s’est servi était peut-être un 
exemplaire d’une fort ancienne édition dTsaïe en 33 chapitres (i-xxxin). 

Plusieurs auteurs ont comparé le texte de DSIa au texte masorétique et aux autres 
textes de Qumran. De cette comparaison M. H. Gottstein a conclu que TM a été précédé 
d’une variété de fonnes textuelles 66 ). P. W. Skehan appelle DSIa „l’extréme exemple” d’un 
texte „plus plein” que les autres 67 ). M. H. Segal a dit que nombre de livres saints furent 
brülés sous Antiochus Epiphane; a partir de 164 av. j.c. on a donc commencé, ou recommencé, 
a établir un texte biblique officiel, cf. II Macc. II 15 68 ). B. J. Roberts a remarqué que, 
malgré les variantes curieuses de DSIa, les textes bibliques trouvés parmi les DSS prouvent 
1’existence d’un texte prémasorétique qui concorde pratiquement avec celui des masorètes 69 ). 

Quelques auteurs ont publié des articles de détails sur telle ou telle expression spéciale de 
DSIa, sur 1 ’hébreu du texte, etc. M. D. Beegle a remarqué que même la oü maw et yod 
sont Hés, leur forme est généralement différente 70 ). Les articles de A. Rubinstein sur des 
questions grammiticales ont été notés ci-dessus. A. M. Habermann a fait toute une série de 
remarques philologiques sur des terms spéciaux de DSIa 71 ). A Rubinstein s’est encore 
demandé si la graphie TfcörttO de DSIa lvii 17 ne réunit pas deux traditions a la fois: 
löon et TfcÖKI 72 ). H. M. Orlinsky a ajouté trois nouveaux articles a la série déja 
mentionnée dans le Jaarbericht xn (pp. 235, 246) 73 ) ; il y discute des textes particuliers. 
J. V. Chamberlain a attiré 1’attention sur le fait que certains titres ou qualifications de 
Jahvé (justice, libération, etc.) ont été considérés par le copiste de DSIa comme des désig- 
nations du Messie (cf. li 5: „ma justice est proche...et ses bras gouverneront”; en hébreu 
„ses” ne peut se rapporter a justice) 74 ) ; dans un autre article il a examiné des constructions 
conditionelles dans DSIa 75 ). I Sonne polémise contre J. L. Teicher qui avait prétendu que 
le signe x dans DSIa est d’origine chrétienne (= xpu7TÓ<; !) et marquerait des passages 
messianiques qui se rapportent a Jésus de Nazareth; il suggère que le x est plutöt un taw 7Q ). 
Teicher, ne se rendant pas, lui a répondu dans le même revue 77 ). 

W. H. Brownlee a publié un article sur le Serviteur de Jahvé dans les écrits de Qumran, 


63 ) Festschrift Dornseiff, pp. 33-75. 

64 ) VT 1952, pp. 307-333. 

65 ) BASOR 129, pp. n-14. 
e6 ) Biblica 1954, pp. 51-71. 

67 ) CBQ 1955, pp. 158-163. 

68 ) JBL 1953, pp. 35-48. 

G9 ) Buil. J. Ryl. Libr., 1953, pp. 75-96. 

70 ) BASOR 129, pp. 11-14. 

71 ) Sinai xxxn 1953, pp. 151-157. 


72 ) VT 1954, pp. 200-201. 

73 ) Cf. JEOL 12, pp. 234-235; 246; pour les trois 
derniers articles, cf. JQR 1953, pp. 329-340; Isr. 
Expl. Journ. 1954, pp. 5-8; HUCA 1954, pp. 85-92. 

74 ) VT 1955, pp. 366-372. 

75 ) VT 1956, pp. 69-79. 

76 ) Teicher: JJSt 1952, pp. 128 ss.; Sonne: VT 
1954, PP- 90 - 94 . 

77 ) VT 1955, pp. 189-198. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


97 


surtout dans DSIa 78 ), ou il revient sur une observation faite déja par D. Barthélemy 79 ). 
Dans Is. lii 14, en effet, on lit •’DWfc („j’ai oint”) au lieu de rmwtt (TM; „défiguré”). 
D’après B. cette lecture, probablement vieille, explique Dan. ix 24. Dan. xii 3 serait aussi a 
rapprocher d’Is. liii 11b. L’article a été suivi par un brève et vive discussion avec J. Reider; 
on peut la lire dans BASOR 134, Apr. 1954, pp. 27-28. W. J. Martin a encore publié une 
brochure populaire sur DSIa (London 1954, 21 pp.), sans valeur spéciale et avec quelques 
méprises. Mentionnons encore qu’a 1 ’apparat critique de la Biblia Hebraica de Kittel a été 
ajoutée, a partir de la 7 me édition, la liste des variantes de DSIa, dressée par O. Eissfeldt. 
M. Gottstein a publié une liste additionnelle dans Biblica 80 ), tandis qu’une nouvelle collation 
a été faite par S. Loewinger, dont les résultats ont été publiés dans VT, bientöt suivis par 
une comparation de TM avec les fragments, connus en ce moment, de DSIb 81 ). 

II a déja été dit que les parties conservées de DSIb ont été publiées dans le Osar („The¬ 
saurus”) de Sukenik. On y trouve quinze planches de fac-similés, dont PI. 12 et 13 con- 
tiennent le texte de deux colonnes presque entières (Is. lvii 12- lxi 2), PI. 11 le texte un 
peu mutilé mais encore bien conservé d’une autre colonne (Is. lv 2- lvii 4), tandis que la 
colonne représentée sur PI. 10 est mutilée davantage (Is. lii 7 - liv 6). Pour le reste, il n’y a 
que des fragments plus ou moins petits ou grands. L’ensemble constitue a peu prés la dixième 
partie du texte originel. 

L’orthographe de DSIb est a peu prés celle de TM, mais le texte est un peu différent, 
bien que les différences ne soient pas si grandes que celles de DSIa. Dans le chap. lviii, a 
titre d’exemple, il y a plus de trente diff érences légères par rapport a TM, sans importance 
pour le sens du texte. II est donc clair que celui-ci n’avait pas encore été fixé avec la précision 
de TM ; quant au dernier, il est intéressant a noter que de Rossi ne note que huit variantes 
dans le même chap. lviii, dont plusieurs se retrouvent dans DSIb. Quelques petits fragments 
du rouleau ont été publiés par D. Barthélemy dans Qumran Cave I, PI. xii, pp. 66-68. 

J. Muilenburg a publié des fragments d’un rouleau dTsaïe de 4Q (restes d’Is. xii 5- 
xiii 16; xxii 13 - xxiii 6), dont le texte est plus proche de TM que DSIa et n’a pas d’affinité 
avec la Septante 82 ). II évalue le nombre de rouleaux dTsaïe dont on a retrouvé les restes a 
8-10, DSIab non compris. J. M. Allegro a révélé que dans la seule grotte 4 on a retrouvé 
les restes de plus de 14 rouleaux dTsaïe, sans y compter les commentaires 8S ). P. W. Skehan 
a fait savoir que dans 1 ’un de ces textes, 4Q Isc, les noms divins JITWH, Adonaj, Elohim, 
avec leur préfixes et suffixes, sont écrits en caractères paléohébraïques 84 ). II a ajouté que la 
oü les textes dTsaïe de Qumran différent de TM, ils sont rarement tous d’accord pour té- 
moigner d’une lecture non-massorétique. Parmi tous les textes retrouvés, DSIa est selon S. 
le plus ancien en même temps que „1’extrême exemple d’un texte plus plein” 85 ). 

Quant aux études publiées au sujet de fragments d’autres textes, cf. ci-devant pp. 87-88. 
On sait maintenant qu’on a trouvé les restes de tous les livres de la Bible hébraïque, a 1 ’ex- 
ception d’Esther, dont plusieurs en écriture paléo-hébraïque 86 ). Parmi les fragments d’intérêt 
particulier sont a noter les restes d’un rouleau d’Exode, dans la recension samaritaine en 
caractères paléo-hébraïques 87 ). Le texte „samaritain” semble donc avoir existé en dehors du 
milieu samaritain; les mots y sont séparés par des points, selon 1’usage samaritain. 


78 ) BASOR 132, pp. 33-38; 27-28. 

79 ) Cf. RB 1950, pp. 546 ss. 

80 ) Biblica 1953, pp. 212-221; 1954, pp. 51 ss. 

S1 ) VT 1954, pp. 80-87; PP- 155-163. 

82 ) BASOR 135, pp. 28-32. 

83 ) Exp. Times lxvi 1955, p. 261. 

S4 ) CBQ 1955, pp. 158-163. 

85 ) „...the extreme example ... of ... a fuller type 
(of text)”, cf. CBQ 1955, pp. 158-163. 

86 ) G. L. Harding, 111 . Lond. News, 3.10.1955, 
P- 379- 

87 ) P. Skehan, JBL 1955, pp. 182-187; 1 ’écriture 
peut aussi être appelée paléosamaritaine. D’après 
Jaarbericht n°. 14 


W. H. Morton la découverte de ces fragments 
„proved to be one of the most intriguing develop- 
ments of the year’s study of the scrcHs’’ (BASOR 
140, Dec. 1955, p. 7). Dans le même BASOR 140, 
W. F. Albright avance de nouveau l’hypothèse que 
DSIa serait une recension babylonienne du livre 
dTsaïe, ce qui expliquerait sa vocalisation plus cor¬ 
recte de certains noms et mots babyloniens. Les gens 
de Qumran auraient été des Juifs venus de Baby- 
lonie au deuxième siècle av. j.c. oü ils avaient subi 
Tinfluence du mazdéïsme. (Cf. BASOR 140, pp. 
29-30). 


7 













9 8 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 
B — Commentaires 


Le peser était un genre littéraire trés en vogue dans la communauté de Qumran et la 
publication de nouveaux fragments n’a fait que croitre. Toutefois, le peser d’Habacuc est 
toujours resté le plus important et il a été 1 ’objet de plusieurs études. De nouvelles traductions 
en ont été publiées par Vermès, Burrows, ’t Lant & van der Woude, (Molin), Michel. 
Pour caractériser ces commentaires on emploie de plus en plus le mot peser, pour éviter toute 
discussion sur le sens du mot midras, et pour indiquer le caractère tout a fait spécial de ce 
genre de midras. Le sens de peser reste, évidemment, un peu dans le vague et ne peut être 
compris que par ceux qui connaissent le genre des p e sarim. 

L’ouvrage le plus important écrit jusqu’ici sur DSH est sans conteste le grand commen- 
taire de K. Elliger, Studiën zum Habakuk-Kommentar vom Toten Meer (Tübingen 1953) 88 ). 
A le lire attentivement, on voit vite que 1 ’auteur a commencé de 1 ’écrire a un moment oü la 
publication et 1 ’étude des DSS n’avaient que commencé. Pour E. les Kittim sont les Romains 
et le peser a été écrit entre 65 av. j.c. et 70 a.d., plus probablement dans les dizaines d’années 
qui ont précédé Tére chrétienne, ou, peut-être, au commencement du règne d’Hérode le Grand 
(notons que Birnbaum date le ms paléographiquement entre 75-50 av. j.c.). Elliger s’est 
abstenu a dessein d’étudier DSH en relation avec d’autres textes de Qumran, ou même CDC, 
ce qui est sans doute le point le plus faible de son excellent commentaire, dont on se servira 
encore longtemps. 

De moins grande envergure est 1 ’opuscule de deux jeunes auteurs F. A. W. van ’t Land 
et A. S. van der Woude, qui ont réédité le texte hébreu de DSH, en ont comblé les lacunes 
dans la mesure du possible et y ont ajouté une traduction accompagnée de brèves notes (Assen 
1954). Ils ont corrigé la editio princeps en dix endroits, mais ils n’ont pas marqué comme telles 
les lettres douteuses, comme Elliger Ta fait dans son édition. 

L’ouvrage de 1 ’abbé A. Michel Le Maitre de justice (Avignon 1954) est basé sur une 
étude trés poussée, mais non toujours süre, a ce qu’il me semble, de DSH; il en a été question 
ci-devant, p. 93. Le prof. St. Segert de Prague a publié une série de six articles de notes sur 
le texte de DSH dans l’Archiv Orientdlm 1953, 1954, de caractère philolologique, critique, 
exégétique 89 ). 

E. Sjöberg a taché de combler les lacunes de DSH col. II 90 ), ayant remarqué que les 
reconstructions du texte par Brownlee sont trop longues, 1 ’auteur n’ayant pas suffisamment 
tenu cornpte du fait que dans 1’ editio princeps 1’espace entre les deux restes de la colonne est 
trop large. Les restaurations de Sjöberg sont en grande partie les mê'mes, ou presque les 
mêmes, que celles TElliger et de van der Woude, du moins quant au sens des mots res- 
taurés; on peut donc dire que la reconstruction globale de la colonne peut être considérée comme 
réussie. 

La signification de DSH pour les problèmes textuel, littéraire et critique du livre d’Haba¬ 
cuc a été brièvement examiné par G. Molin 9 / 1 ). Dans une plaquette polycopiée W. H. 
Brownlee a constaté de nombreuses correspondances entre DSH et le Targum de Jonathan, 
ce qui prouve que le peser contient des éléments appartenant a la tradition juive commune 92 ). 
M. Wieder a encore remarqué que le Targum d’Habacuc 1, 16a offre une parallèle exacte 
avec les mots du peser: “C’est pourquoi il sacrifie a ses armes et il offre de 1’encens a ses 
étendards” (DSH VI 2-3) 93 ) ; il pense en outre que le texte de DSH dépend ici du Targum, 
mais 1 ’argument qu’il apporte me semble faible. Un autre exemple de parallélisme entre DSH 
et le Targum est indigné par C. Rabin, qui cite DSH xu 2-5. 

Au cadre historique du peser plusieurs nouvelles études ont été consacrées, mais a 1 ’état 


88 ) Pour des recensions de eet important ouvrage, 
cf. e.a. J. van der Ploeg dans BiOr 1954, pp. 128- 
131; I. L. Seeligmann dans Kirjath Sepher xxx, 
1954/5, pp. 36-46. Voir aussi les remarques critiques 
de Dupont-Sommer dans VT 1955, pp. 113-129. 

89 ) Archiv Orientalni, 1953, pp. 218-239; J 954 » 


pp. 99-113; 444 - 459 ; 1955 , PP- 178-183; 364 - 373 ; 
575 - 619 . 

90 ) Stud. Theol. Lund iv 1951, pp. 120-128. 

91 ) ThLZ 1952, col. 340 - 357 . 

92 ) Plaquette polycopiée (12 pp.), The Dead Sea 
Scrolls and the Targum of Jonathan. Durham, 1953. 

93 ) JJSt 1953, PP- 14-18. 


LËS MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


99 


actuel des recherches et des publications rien ne semble encore certain. Plusieurs auteurs 
pensent que le cadre de DSH se situe dans le temps des Maccabées, donc au deuxième siècle 
avant j.c., d’autres le situent au premier siècle av. j.c. Dans ses Nouveaux Apergus et dans 
un grand nombre d’articles Dupont-Sommer continue a soutenir sa positition prise dès le 
commencement 94 ). Vermès, modifiant ses idéés d’autrefois, soutient maintenant que le peser 
a été composé entre 65 et 63 av. J.c., et vise dans ses dernières allusions les événements 
historiques de ce temps 95 ). C. Detaye a formulé quelques conclusions de son examen des 
DSS dans un article récent 96 ) ; pour lui, les Kittim sont les Romains, plus exactement les 
légions de Luculle et de Pompée, et le commentaire se situerait entre 80 et 63. „L’Homme 
de mensonge” est peut-être Jean Hyrcan (135-104), les prêtres impies, appelés aussi les 
„derniers prêtres de Jérusalem” (DSH ix 4/5) sont Aristobule I (104-103) et surtout Alexan- 
dre Jannée (103-76). Detaye attaché de 1 ’importance a la distinction entre 1 ’emploi du parfait 
en de 1 ’imparfait par rapport a leur valeur temporaire. Quant au Docteur de justice, le fon- 
dateur de la secte, Detaye renonce a 1 ’identifier avec un personnage historique connu. 

L’identification des Kittim, un des points les plus importants dans la détermination du 
cadre historique du peser, a été 1 ’objet de plusieurs études. Le regretté R. Goossens a soutenu 
longuement leur Identification avec les Romains, s’appuyant surtout, comme tant d’autres 
auteurs, sur DSH vi 3-5 (le culte des étendards) 97 ). II me semble qu’il faille se garder de 
faire de ce culte 1 ’apanage exclusif des Romains, car il est naturel que tous les peuples qui 
amenaient en guerre des images ou idoles de leurs dieux, fixés sur des étendards, les vénéraient 
facilement sur le champ de bataille. C’est ainsi que les Assyriens connaissaient ce culte au 
moins depuis le treiziéme siècle 97 *). Les Séleucides ont été les maitres du territoire qui a 
autrefois appartenu aux rois d’Assur et de Ninive et le culte des étendards n’aurait donc rien 
d’étonnant chez eux. Toujours est-il qu’on ne 1 ’a pas encore rencontré dans les armées sé¬ 
leucides, et qu’il n’y semble donc pas avoir été pratiqué de faqon habituelle ou courante. II 
reste que le texte de DSH favorise 1 ’identification des Kittim avec les Romains. M. Delcor 
a soutenu la thèse que les Kittim sont les Séleucides (Michel, Rowley, et d’autres), tandis 
que le commentaire aurait été écrit sous Alexandre Jannée (103-76) 98 ) ; 1 ’hypothèse de 
Brownlee, qui a identifié le Docteur de justice avec le prophéte Judas 1 ’Essénien (men- 
tionné dans la Talmud comme adversaire de Jean Hyrcan) 99 ) ne lui semble pas manquer de 
probabilité. Le passage du parfait a 1 ’imparfait est, pour ce qui se réfère au prê'tre impie, 
un indice de la date de composition de DSH. J. L. Teicher, qui a publié toute une série 
d’articles pour prouver 1 ’origine judéo-chrétienne des DSS, continue de voir dans le Docteur 
de justice de DSH Jésus de Nazareth 10 °). 

Dans un article d’un intérêt spécial D. Flusser a examiné la partie juive de YAscensio 
Isaiae, a la lumière des allusions historiques de DSH ' 101 ) ; il est parvenu a la conclusion que 
dans YAscensio 1 ’histoire (fictive) d’Isaïe et des siens est en réalité celle du Docteur de justice 
et de ses partisans. Pour Flusser il est hors de doute que YAscensio est un des écrits de la 
secte. C. Rabin a attiré 1 ’attention sur la chronique égyptienne dite „démotique” (qme 
siècle) 102 ) et éditée de faqon définitive par W. Spiegelberg (Leipzig 1914) ; elle contient 
1’interprétation, mot a mot, d’une série d’oracles dont on pense assez généralement qu’ils se 
rapportent aux derniers princes indigènes d’Egypte (401-341), a la domination étrangère du 
pays et a sa rédemption future. La terminologie du texte offre des ressemblances caractéristi- 


94 ) Cf. JEOL 12, pp. 236-238. 

95 ) Rech. Sc. Rel. 1953, pp. 5-29; 203-230; voir 
aussi Les Manuscr. du Dés. de Juda, pp. 67 ss. 

96 ) EphThLov 1954, pp. 323-343. P. 327, 2 me alinéa 
1 ’auteur cite BiOr 1951, p. 10 d’après R. Goossens, 
qui Ëa mal compris. P. 333 note 41 une opinion est 
attribuée a Dupont-Sommer qui n’est pas dans 1 ’esprit 
de eet auteur, cf. ses Nouveaux Apergus, p. 51. 

97 ) La Nouv. Clio 1952, pp. 137-170. 

97a ) Voir H. Gressmann, AOr Texte u. Bilder 
z. AT, Berlin 1927, nos. 485, 534 et 528, oü des rois 


assyriens sont représentés sacrifiant a leurs éten¬ 
dards montés sur des chars de guerre ou fixés dans 
le sol (i3 me , 9 me , 7 me siècles). Voir aussi BiOr 1954, 
pp. 159. 

9S ) RHR 1952, pp. 129-146. 

") Cf. BASOR 126, pp. 10-20. 

10 °) Série d’articles dans JJSt; cf. aussi JEOL 12, 
p. 241. 

101 ) Buil. Isr. Expl. Soc. xvn 1952/53, pp. 28-46. 

102 ) VT 1955, pp. 148-162. /V 

AS 







iOO 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DÉSERT DE JUDA 


ques avec DSH: „II a dit...ce qui signifie,..” etc. Rabin va jusqu’a croire qu’entre les deux 
textes il existe une parenté littéraire. Dans un note ajoutée a Tarticle de Rabin par J. W. B. 
Barns, ce dernier remarque que ce genre littéraire d’explications a plusieurs parallèles par- 
tielles, dont certaines sont beaucoup plus vieilles que les textes cités par Rabin; celui-ci 
termine son article par quelques remarques philologiques intéressantes. 

Pour Tinterprétation du mot peser J. R. Brown renvoie au Targum Qohélet vin 1, oü 
peser dabar est interprété par „ peser des paroles des prophètes” ' i03 ). O. R. Sellers se 
demande si dans Joël II 23 Texpression lisdaqah, placée après ha-moreh, ne serait pas une 
glose, influencée par la littérature de Qumran, glose qui voudrait introduire dans le texte bibli- 
que le Docteur de justice 104 ). Dans une note D. Flusser observe que Torigine de Tappellation 
mOreh sedeq est a chercher dans Os. x 12 105 ). 

Autres pesarim. En 1952 J. T. Milik a publié douze fragments d’un peser de Michée 106 ), 
qui permettent de constater que la méthode d’interprétation du texte biblique, ou plutöt de 
son application aux circonstances du temps de Tauteur est la même que celle dont Tauteur 
de DSH s’est servi. II y est question de „celui qui débite des mensonges”, du „Docteur de 
justice”, des „élus (de Dieu)”, de la „dernière génération”, termes qui se rencontrent tous 
dans DSH. Milik a encore publié un petit fragment d’un peser de Sophonie et de trés minces 
fragments d’un ou de plusieurs psaumes, dont Tintérêt principal est qu’on en connait main- 
tenant Texistence 107 ). Dans un peser de Ps. lxviii 30.31 il est question des Kittim, et 
même, d’après Milik, des „ro[is des Kittim]” 108 ); il révèle qu’on a trouvé dans 4Q les 
restes de p e sarim des Pss. xxxvn et lvii et d’un autre psaume. Les restes du peser du 
Ps. xxxvn ont été publiés par J. M. Allegro 109 ); il est du même genre que DSH. Comme 
peser du v. 10 („et encore peu de temps et le méchant ne sera plus”) on lit „son interpré- 
tation concerne tout le mal, jusqu’a la fin des quarante ans, pendant lesquels seront exter- 
minés et ne seront plus trouvés sur terre tous les [mjéchants”. II y est également question de 
„ceux qui retournent du désert et qui vivront mille générations”. Ces textes font clairement 
penser a la Regie de la guerre (DSW). R. de Vaux a encore édité le commencement d’un 
peser d’Isaïe 110 ) ; ce qui en reste est sans grand intérêt. 

G. Vermès a étudié et analysé la nature même du genre peser, qu’il définit comme Tex- 
plication d’un mystère prophétique, explication qui s’appuie sur une révélation de Dieu (cf. 
DSH II 6-9; vu 4-5) 111 ). II suppose que les gens de Qumran avaient Thabitude de lire le 
texte biblique en commun, en entrecoupant cette lecture par des interprétations du genre peser. 
Daniël ix fournirait le premier exemple d’une exégèse révélée, Luc xxiv 27 en est un autre, 
le Midras rabba sur Nombres xix 4 en offre un troisième et bMeg. 3a un quatrième (dans le 
dernier texte il est dit que le Targum de Jonathan contient des révélations de mystères). 

B. Gartner, citant une thèse de doctorat de K. Stendahl ( The School of St. Matthew 
and its Use of the OT, 1954), a examiné la méthode d’interprétation de DSH en la com¬ 
parant a celle de St Matthieu 112 ); il trouve qu’il y a de grandes di ff érences entre les deux et 
se refuse de donner a Texégèse de TAT par St Matthieu le nom de peser, étant donné que 
Tapötre se sert de TAT d’une tout autre facon et pour de tout autres motifs que le commenta- 
teur d’Habacuc. 


C — Régies 

La texte de le Régie de la communauté, que les éditeurs américains ont appelé „Manuel 
de discipline” a suscité un grand nombre d’études; a cause du contenu a la fois doctrinal et 
juridique du document elles s’étendent souvent a d’autres DSS. De nouvelles traductions com- 
plètes (en dehors de celles qui ont été mentionnées JEOL xn, p. 239) ont été publiées par 

103 ) Exp. Times lxvi 1955, p. 125. los ) Qumran Cave I, pp. 81-82. 

104 ) Isr. Expl. Journ. pp. 93 ss. 109 ) PEQ 1954, pp. 69-78. 

105 ) ibid., p. 95. 110 ) RB 1953, pp. 455-456. 

ioö) pp ï 952, pp. 412-418; voir aussi Qumran 1U ) RHPR 1955, pp. 95-103. 

Cave I, pp. 77-80. 112 ) Stud. Theol. Lund viii/i 1955, pp. 1-24. 

107 ) Qumran Cave I, pp. 80-82. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DÉSERT DE JUDA 


IOI 


Molin, Vermès et Burrows dans leurs grands ouvrages sur les DSS; Dupont-Sommer 
en a traduit de longs passages dans ses Nouveaux Apergus et dans la revue Evidences (1956). 
Les études parues peuvent être classées suivant les passages qu’elles traitent. 

Des observations de caractère général sur la législation de DSD et de CDC ont été faites 
par M. Delcor 11s ). S. Liebermann a attiré Tattention sur le fait que des sources rabbiniques 
mentionnent a plusieurs reprises des h a bërim, membres d’une h a bürdh, dont la ressemblance 
avec la communauté de Qumran est frappante 114 ). La Palestine du ier siècle de notre ére 
fourmillait de sectes (parmi les pharisiens on en comptait sept, chiffre rond) et il serait donc 
précaire d’attribuer les DSS a Tune des trois sectes connues (Phariséens, Sadducéens, Essé- 
niens), bien que leur affinité avec les Esséniens ne puisse être mise en doute. L. Rost a 
attiré Tattention sur le fait que TAncien Testament mentionne a plusieurs reprises des 
groupes qui se sont formés a Tintérieur du peuple dTsraël, tels que les Ja ndsim rêqim sous 
Jepthé (Jug. xi 3), des groupes militaires ou militants, les fils des prophètes (groupement 
important), les prêtres, etc 115 ). II ne faut donc pas s’étonner lorsqu’on voit un groupe de 
Juifs se constituer en secte, comme celui de Qumran. Quant a Tidentification du groupe avec 
les Essènes, admise par un nombre croissant d’auteurs, voir plus bas, p. 107 ss. 

A propos du calendrier du groupe, tel qu’il est présupposé par les régies, D. Barthélemy 
a fait d’excellentes observations 116 ) qui ont été reprises et élaborées par Mlle A. Jaubert, 
qui a montré que la source dite sacerdotale du Pentateuque semble avoir employé le même 
calendrier dans certains de ses computs (chronologie du déluge, etc.) ; il en est de meme pour 
Tauteur de Chroniques et pour Ezéchiel 117 ). Le calendrier en question est celui de Jubilés 
et d’autres apocryphes. L’année était divisée en quatre triades de 30 + 30 + 31 jours et 
eommenqait toujours un mercredi; les fêtes principales de Tannée tombaient par conséquent 
invariablement au même jour de la semaine. Le calendrier rabbinique connu aurait été celui qui 
était en usage dans Tempire des Séleucides, le calendrier du groupe aurait été Tanden calen¬ 
drier sacerdotal, ce qui expliquerait, du moins en partie, Topposition entre les gens de Qumran 
et le Judaïsme officiel. — On sait que le livre des Jubilés divise le temps en périodes de 49 
(7X7) ans, tandis que d’apres Tinterprétation la plus suivie de Lév. xxv 8 ss. la 5ome 
année était sacrosainte. Ceci expliquerait, Taprès Mlle Jaubert, Tincise énigmatique DSD 
X 4 „et le signe noun pour ouvrir ses graces éternelles”, la valeur numérique du noun étant 

5 °- 

La péricope sur les deux vois et les deux esprits (DSD III I3 _i v 26) a été Tobjet ou le 
point de départ Tun nombre considérable d’études. J. P. Audet a montré que le passage est 
apparenté aux chap. I-vi de la Didachê H 18 ) et a YEpitre de Barnabé xvm-xx; il Ta rapproché 
aussi du Pasteur d’Hermas. R. Joly trouve qu’il ne faut pas insister autant que le P. Audet 
sur Tinfluence essénienne dans le Pasteur 1 ! 19 ). O. Cullmann a constaté de si grandes 
ressemblances entre les écrits Pseudoclementins et les DSS (théologie dualiste, le mauvais 
démon créé par Dieu; figure messianique; rejet du culte du temple; repas sacrés, baptèmes, 
organisation de la communauté) qu’il croit que Jésus a été influencé par les idéés de la secte, 
tandis que les restes de celle-ci se sont mêlés plus tard aux communautés chrétiennes de Trans- 
jordanie' 120 ). Culmann me semble tirer ses conclusions un peu vite: de la publication de 
la Régie de la guerre il est maintenant clair que les gens de Qumran s’attendaient a prendre 
part a un culte sacrificiel purifié dans un temple purifié; de leurs repas sacrés tout est encore 
hypothèse; il est plus que doutable que le Docteur de justice fut considéré comme „figure 
messianique” puisqu’il n’a pas été le Messie. Ceci n’empêche pas, évidemment, qu’il y a des 


113 ) RB 1954, pp. 533 - 553 ; 1955 , PP- 6 o- 75 ; 

114 ) JBL 1952, pp. 199-206; cf. aussi Vermès. Les 
manuscrits ..., pp. 53-57. 

115 ) ThLZ 1955, col. 1-18. 

116 ) RB 1952, pp. 199-203. 

H7) vt pp 250-264; cf. aussi E. Vogt, 

Biblica 1955, pp. 403-408. 

118 ) RB 1953, pp. 41-82; remarque déja faite par 


H. del Medico, Deux manuscrits de la Mer Morte, 
Paris 1951, p. 98. P. Winter a constaté des ressem¬ 
blances avec le Testament dAser et s’est demandé si 
Sir. xxxiii (xxxvi) 7-15 ne puisse pas être pris 
comme parallèle, cf. VT 1955» PP- 3 I 5 * 3 I 8 . 

119 ) Nouv. Oio 1953, pp. 394-406. 

12°) A TTestStRBultmann, 1954, PP- 35 - 5 1 * 








102 I ES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


parallèles et même de la parente entre les Pseudo-clémentines et certains passages des écrits de 
Qumran. 

A. Dupont-Sommer a traduit et traité DSD III 13-iv 26 dans un article spécial 121 ) et 
dans ses Nouveaux Apergus (pp. 157-172). On y touche au vif, selon lui, Tinfluence d’idées 
venues du dehors, notamment de Tiran. K. G. Kuhn est arrivé a la même conclusion 122 ), qui 
a été approuvée par d’autres, comme J. Daniélou 123 ) en J. van der Ploeg 124 ). H. 
Michaud préfère de parler d’influence zervanite 125 ), car le dualisme fondamental du maz- 
déisme (dont le zervanisme est une forme mitigée, moniste 126 ) est étranger aux idéés de la 
secte, qui croit fermement que Dieu a créé aussi bien les esprits mauvais que les bons anges, 
qu’il jugera tous a la fin des jours. 

A cöté de Tinfluence mazdéenne (ou zervanite), plutöt indirecte que directe, on a décelé 
dans les DSS des tracés de pythagorisme. Dupont-Sommer croit les avoir découvertes dans 
son exégèse de DSD x 1 ss. 127 ) Pour les Pythagoriciens le triangle-rectangle de cötés de 3,4 
et 5 unités était le triangle par excellence; la longueur totale de ses cötés fait le nombre de 
12, le total des carrés donne le chiffre 50. Or, selon DSD x 4, cinquante ( noun = 50) est 
le chiffre sacrosaint par excellence, et a Qumran Tannée était divisée en quatre périodes de 
trois mois. Bien que cette exégèse me semble douteuse (surtout quant a Tinterprétation du 
nombre 12), la prédilection des gens de Qumran pour le sens de chiffres (si les textes doivent 
vraiment être interprétés ainsi) peut bien ê'tre d’origine pythagoricienne. Le „signe noun” (DSD 
x 4) qui pour plusieurs auteurs signifie le nombre cinquante, a été interprété par R. Goossens 
comme le signe du serpent 128 ) ; Brownlee y avait vu le symbole de la clef 129 ), d’autres y 
ont vu la première lettre d’un mot abrégé, car il y a un espace vide derrière le noun 130 ). 
Jusqu’ici, Thypothèse que noun = cinquante, est peut-être préférable aux autres. Brownlee 
avait aussi répéré dans DSD x 1,4 Tacrostiche alef-mêm-noun = Amen 131 ) ; Barthélemy, 
Bardtke, Molin, Burrows, Jaubert ont donné adhésion a cette faqon de voir. Pour la 
confirmer, la dernière ne renvoie pas seulement a Apoc. III 14, mais aussi a d’autres endroits 
de TApocalypse de Jean ou Ton peut retrouver facilement le même acrostiche, pense-t-elle, 
si on les retraduit en hébreu 132 ). 

D’après E. Stauffer, Tépïtre de Jacques dépend directement ou indirectement de DSD 
ou de son contenu, a cause de certains parallélismes 133 ) ; la „loi de la liberté” (Jac. I 25; II 
12) s’explique par DSD x 6.8.11 ( hoq hërüt ; Stauffer ne veut pas traduire ces deux 
mots par lex insculpta, pourtant la traduction la plus probable, cf. dernièrement W. Nauck 
dans ZNW 1955, pp. 138-140, pour qui cette lex insculpta est la loi écrite sur les tables 
célestes, Jub. l 13). 

Dans DSD ix 11 il est question d’„oints d’Aaron et d’Israël”. Selon M. Burrows 134 ), 
K. G. Kuhn 135 ), L. H. Silbermann 136 ), N. Wieder 137 ), il est clair que ces deux sont 
le grand-prêtre oint (de la familie d’Aaron), et le roi oint du peuple d’Israël (de la familie 
de David). La même doctrine se retrouve chez les Karaïtes (Wieder) et il n’y a aucune 
raison valable pour changer le texte et y lire, avec d’aucuns, le premier mot au singulier 
(,,TOint d’Aaron et d’Israël) ; bien plus, il y a toute raison d’interpréter et de lire CDC xn 23- 
xiii i; xix 10/11 et xx 1 de la même fagon, comme Ginsberg Tavait déja fait en 1922 138 ). 
Quant a DSD, cette interprétation semble maintenant certaine. 


121 ) RHR 1952, pp. 5-35; Evidences 1956, pp. 
14-16. 

122) ZTK, 1952, pp. 296-316. 

123 ) Etudes 1953, pp. 365-372. 

124 ) BiOr 1954, p. 158. 

125 ) y T iq55> pp> 137-147 

126 ) Cf. J. Duchesne-Guillemin, Zoroastre, Paris 
1948, pp. 95 ss. 

127 ) Nouveaux Apergus ..., pp. 153 ss.; La sain- 
teté du signe „noun’*..., Académie royale de Bel- 
gique... 1952. 

128 ) Nouv. Clio, 1954, pp. 5-39. 

129 ) The Dead Sea Manual of Discipline, 1951, pp. 
17 , 5 i. 


13 °) J. van der Ploeg, BiOR 1951, p. 124; G. 
Lambert, Le Manuel de discipline du Désert de 
Juda, 1951, p. 37 (= NRTh. 1951, p. 972). 

131 ) W. H. Brownlee, The Dead Sea Manuel of 
Discipline, 1951, pp. 50-51. 

1 32 ) y T iq53> pp 256-257. 

133 ) ThLZ 1952, pp. 527 - 532 . 

134 ) Angl. Th. Rev. 1952, pp. 203-206. 

135 ) NTSt 1955, pp. 168-179. 

136 ) VT 1955, PP- 77-82. 

137 ) JJSt 1951, pp. 14-23; 24-25. 

33S ) Citation d’après Burrows, art. cité, p. 203. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DÉSERT DE JUDA 


103 


Les gens de Qumran vivaient dans la conviction qu’ils seraient admis, après leur mort, 
dans la compagnie des saints au del. La doctrine de Timmortalité de 1 ’ame se retrouve, on le 
sait, dans le livre de la Sagesse de Salomon (III i; iv 14) : il y est dit que les justes vivront 
éternellement, leur récompense est aux mains de Dieu, ils recevront de Lui une couronne de 
gloire et II les couvrira de son bras (v 15-16) ; après la mort les ames seront dans la main 
de Dieu (III 1), dans la paix (III 3) et en repos (iv 7). Selon Dupont-Sommer la Sagesse 
serait un livre essénien au sens large du mot 139 ), et A. M. Dubarle pense même qu’il 
dépend de DSD du point de vue littéraire 14 °). II est intéressant a noter que Philon, dont 
la doctrine a certains points de contact avec celle de la Sagesse , et qui a été un grand compilateur, 
présente dans ses Quaestiones in Exodum, I 23, une doctrine des deux esprits, Tun bon et 
1’autre mauvais, qui pénètrent dans 1’ame au moment de la naissance de 1’homme, et qui se 
battent pour avoir le dessus sur lui. 

A la suite de J. P. Audet, (del Medico) et Bo Reicke i 4 » 1 ), W. H. Brownlee a cru 
retrouver une allusion a un grand personnage (le Messie, selon Br.) dans DSD iv 20 142 ) ; 
cette interprétation a été rejetée par Y. Yadin 143 ) et J. van der Ploeg 144 ). Selon Brown¬ 
lee DSD vin 5-10 contiendrait une allusion au Serviteur de Jahvé collectif, retrouvé par lui 
aussi dans DSIa, et même dans Dan. ix 24-27; xi 28.30.32; xn 3. 

A cöté des études mentionnées, il y en a toute une série qui ne traitent que de questions 
de détail et dont on peut trouver les titres complets dans la bibliographie a la fin de eet article. 
M. H. Gottstein ne reconnait pas de dittographie dans DSD III 26. Dans des notes sur le 
texte de DSD de la main de R. Marcus on peut lire e.a. que dans DSD II 9 IÏDX ‘’TITIN = 
les adhérents aux traditions des pères (cf. bSanh. 27b) ; III 2 IWltPS = et ils ne 

veulent pas qu’il s’asseye avec eux (après correction text.) ; dans III 15 ÏTTM est un participe 
nifat au sens du passé. Brownlee défend ses corrections du texte de DSD contra Zeitlin 
dans la revue du dernier. S. Talmon soutient que dans TAT yahad est souvent un nom, 
la aussi ou les dictionnaires ne Tindiquent pas. Selon Y. Yadin Texpression de DSD iv 
20 signifierait „structure”, „corps”, cf. Hodayot vu 4; xm 15; ‘’öDf) = intestins (même 
passage, se rapportant a 1 ’homme au sens collectif, donc non a un homme spécial). P. Wern- 
berg-Moller a publié des notes excellentes sur quelques passages difficiles de DSD, et une 
autre sur sedeq, sadiq; dans DSD ix 14 il faudrait retenir le hé de plTSH '12 (transcription 
de la editio princeps) et transcrire jT’TSn '12 = fils de la justice, la segolée sedeq s’écrivant 
aussi (a prononcer avec ê dans la dernière syllabe), comme certains segolées en Samari- 
tain. Dans un article récent, del Medico 145 ) a de nouveau traduit DSD x 1-9. L. Parisius 
a publié quelques réflexions philologiques sur la forme littéraire de DSD I 1-20 et sur la 
reconstruction par Brownlee des deux premières lignes du texte 146 ). 

Sur le „Document des deux colonnes” il n’y encore aucune étude spéciale, sauf le com- 
mentaire de Barthélemy dans Qumran Cave I, pp. 108-118. 

Trés proche de DSD est CDC. Après Schechter, Rost, Zeitlin, le texte a été édité 
de nouveau par C. Rabin, accompagné d’une traduction et de notes 147 ). Des traductions com- 
plètes se trouvent aussi dans les grands ouvrages sur les DSS de Bardtke, Vermès, 
Burrows. On se demande si CDC est antérieur ou postérieur a DSD; la plupart des auteurs 
qui ont répondu a cette question ont pensé que la Régie de Qumran est plus ancienne que celle 
de Damas, mais le nombre de ceux qui pensent en sens invers va croissant (M. Margo- 
liouth 148 ), L. Rost 149 ) et d’autres). L. Rost pense que le groupe dont la Régie de Damas 
est émané a taché de gagner pour soi les gens du groupe dont est émané DSD 150 ). I. 


139 ) Rev. Et. Grecques, 1949, pp. 80-87. 

14 °) RevScPhilTh 1953, pp. 425 - 443 * 

141 ) Cf. J. van der Ploeg, BiOr 1954, p. 156, 
pour les citations. 

142 ) The Dead Sea Manual of Discipline, 1951, p. 
16-17. 

143 ) JBL 1955, PP- 40-43- 

144 ) BiOr 1954, P- 156. 


145 ) VT 1956, pp. 34-39. 

146 ) ZAW 1955, pp. 103-106. 

147 ) C. Rabin, The Zadokite Fragments, Oxford 
1954 - 

148 ) Sinai xxx 1952 (extrait de 15 pp.) 

149 ) ThLZ 1952, col. 723-726; 1954, col. 143-148; 
selon Rost CDCa serait plus jeune que CDCb. 

15 °) art. cités. 




104 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


Rabinowtiz pense que CDC a été écrit en Judée peu cTannées après la composition de DSD 
(entre 175-167 av. j.c. 151 ). Dans une recension D. Barthélemy a mis en doute la réalité 
historique d’une fuite de la secte a Damas 152 ) et I. Rabinowitz est convaincu qu’elle n’a 
jamais eu lieu 153 ). R. North s’est rallié a cette fagon de voir; la région de Qumran, nous dit- 
il, faisait partie du royaume nabatéen, dont Damas était une des plus importantes métropoles 
en même temps que la plus proche, ce qui fait que la région de Qumran, 'faisant partie du 
district de Damas, pouvait être appelé du même nom 154 ). Pour Rowley la migration a 
Damas est historique et se place probablement avant 131 av. j.c.; DSD est probablement plus 
ancien que CDC 155 ). Burrows se montre sceptique quant a la determination exacte des 
dates des différents documents proposée par I. Rabinowitz 155 ). W. Baumgartner est 
incliné de considérer CDC comme plus vieux que DSD 157 ), ce qui est aussi 1 ’opinion de 
Vermès 158 ). D’après I. Rabinowitz, cité plus haut, les 390 ans de CDC I 6 ne sont pas a 
compter depuis Nabuchodonosor, comme la plupart des auteurs Ta fait jusqu’ici, mais depuis 
Roboam jusqu’a la fin du royaume de Juda (cf. Ez. IV 5) 159 ); il s’ensuit que le début de 
CDC ne raconte pas les vicissitudes du groupe de Qumran, mais du peuple au temps de la 
monarchie. La secte n’aurait donc jamais émigré a Damas (citée et mentionnée seulement 
d’après Am. v 27). E. Wiesenberg s’est rallié a cette facon de voir, avec cette différence que 
les 390 ans ne sont pour lui que les années de déloyauté d’Israël, depuis la conquête du pays 
jusqu’a 587; les membres de la secte prétendaient ê'tre le Reste de 1 ’Israël du Nord, distinct 
de Juda 160 ). . 

La question de savoir si DSD et CDC émanent tous deux d’un seul et même groupe et 
non pas de deux groupes apparentés n’est pas traité explicitement par tous les auteurs qui ont 
traité des deux documents, dont la parenté de langue, d’expression et d’idées saute tellement aux 
yeux. D’après certains on aurait affaire a des écrits de groupes différents; pour le prouver 
on a remarqué 161 ) que les gens de Qumran vivaient dans une parfaite communauté de biens 
qui n’existait pas chez ceux de Damas (cf. CDC ix 11-16; xi 12-15; XI1 8-11; xin (11), 
15, 16; xiv 12-16; xvi 13; xx 7; vi 15-16; 21). La différence existe, en effet, mais il ne 
faut pas 1’exagérer, puisque la théorie d’une parfaite communauté de biens, donc d’une par¬ 
faite pauvreté personnelle, ne peut jamais être mise en pratique intégralement; elle ne Ta 
probablement jamais été en Oriënt, ou pourtant la possession en commun a été de rigueur 
pour tous les moines (cénobites) chrétiens. Quelqu’un a même prétendu que les membres de la 
communauté de Qumran avaient de la propriété personnelle; c’est trop dire, pour la raison 
indiquée ci-dessus. Dans chaque communauté ou 1 ’on possède tout en commun, les membres 
doivent cependant avoir une certaine liberté d’action; on leur permet généralement de garder 
certains biens chez eux pour s’en servir. Le principe du régime communautaire peut coexister 
avec la pratique d’une possession quasi-privée, et 1’est presque toujours de quelque fagon. 
II est donc trés difficile a dire jusqu’a quel point les gens de Damas peuvent être regardés 
somme propriétaires; a tout le moins leurs possessions étaient soumises a inspection, cf. 
xiii 11, dont les mots rappellent DSD I 11. Entre-temps, il semble de plus en plus probable 
que le document de Damas est plus vieux que celui de Qumran; c’est encore 1 ’opinion de B. 
Otzen 162 ), qui cite P. Wernberg-Moller pour la même opinion 162a ) toute une phalange 
d’auteurs qui sont d’avis contraire. — II est encore a mentionner que des restes de plusieurs 
manuscrits de CDC, avec un texte plus plein que celui qui était connu, ont été trouvés parmi les 
fragments de 4 Q 162b ). 

Après la publication intégrale de tout ce qui est resté du rouleau de la Guerre des fils 


151 ) VT 1953, pp. i 75 -ï 85 . 

152 ) RB 1953, p. 422. 

153 ) art. cité. 

154 ) PEQ 1954, pp. 34-48. 

155 ) BullJRylLibr 1952, pp. 144, 145. 

15e ) M. Burrows, The Dead Sea Scrolls, 1955, 
p. 214-215. 

157 ) Schweizer Theol. Umsch. 1954, P- 62. 

158 ) G. Vermès, Mss du Dés. de Juda, p. 53. 


159 ) JBL 1954, pp. n-35. 

160 ) VT 1955, PP- 284-308. 

161 ) Voir p. ex. Vermès, Mss du Dés . de Juda, 
pp. 50-51; Gottstein, VT 1954, p. 147. 

162 ) Stud. Theol. Lund vn/2, p. 141. 

162a ) Cf. Dans Teologisk Tidskrift 1953, p. 115. 
i62 b) Cf. j m. Allegro, Exp. Times lxvi, June 
1955, PP- 259-262. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA I05 

de lumière contre les fils de ténèbres, ou Regie de la guerre (la plus grande partie de 
19 colonnes), trois traductions complètes en ont été publiées par Delcor 163 ), Bardtke 164 ) 
et van der Ploeg 165 ); Dupont-Sommer a commencé de publier la sienne 166 ), et 
Y. Yadin a publié un grand commentaire en hébreu moderne, préparé depuis des années 167 ). 
J. Carmignac a dédié une étude spéciale aux Kittim de DSW 168 ) ; il propose de voir en 
eux les ennemis d’Israël en commun, sans spécification; dans un autre article il fait le bilan 
des formes, mots et expressions nouvelles trouvées dans DSW 169 ). M. Michaud a appelé 
DSW une „apocalypse nouvelle” 170 ), ce que 1’ouvrage n’est pas; il ne s’y trouve aucune 
révélation, aucune pseudonymie, aucune histoire racontée sous guise de prophetie. Le texte 
est bien une Regie, a observer lorsque la dernière guerre d’annéantissement de tous les fils 
de ténèbres ( = toutes les nations du globe) sera déclanchée. II est vrai que 1’auteur a puisé 
dans sa phantaisie pour des détails de ses descriptions, mais d’autres détails semblent bien 
réels. Le seul point de contact avec les apoealypses est le caractère eschatologique de 1 ’ouvrage; 
la guerre d’extermination de quarante ans que les Fils de lumière devront mener sera la der¬ 
nière dans 1 ’historie d’Israël. 

Dans une étude d’ensemble G. Vermès a présenté un exposé du contenu de DSW 171 ); 
les Kittim sont le peuple conquérant des derniers temps, le schéma des événements est 
emprunté a Dan. xi-xn et 1 ’ouvrage serait donc postérieur a 164 av. j.c. (d’après Birnbaum 
le manuscrit de DSW date de 1-50 de notre ère); le chef des Fils de lumière est 1’archange 
Michel, non le Messie, et si Assur est mentionné a cöté des Kittim, ce serait paree que ce 
peuple a déja occupé 1 ’Assyrie au moment de la grande attaque. D’après Yadin il est certain 
que 1 ’ouvrage a été composé entre 63 av. j.c. et la fin du règne d’Hérode; cette conclusion 
est basée sur un grand nombre de détails de 1’armement et de 1’organisation militaire des 
Fils de lumière qui seraient exclusivement romains 172 ). Cette preuve serait décisive s’il était 
prouvé que 1 ’auteur Juif du texte n’a pu connaïtre, et trouver dignes d’imitation, les usages 
militaires romains qu’après la conquête de Palestine par les derniers. Or, on sait que 1 ’auteur 
de I Macc. estimait les Romains (I Macc. vm), tandis qu’Antiochus Epiphane avait dans son 
armée un corps d’élite de 5000 hommes armés et entrainés a la romaine 173 ). 


D — Hymnes 

Les Hymnes d’action de grace ( Hodayot ), publiés dans le Osar de Sukenik n’ont pas 
encore été traduits intégralement. Les cinq psaumes que Sukenik avait déja publiés dans 
ses M e gillöt g e nüzot ont été traduits et commentés par plusieurs auteurs 174 ) ; Burrows a 
traduit un choix des Hodayot dans ses The Dead Sea Scrolls (I 21-30; II 8-13, 16-36; 
III 6-15; 19-36; iv 8-37; v 7-15; vi 7-10; vu 2-9; 11-15; 26-32; vm 4-12; ix 6-13; 31-36; 
x 3-14; xi 3-12; xii 4-12, — pp. 400-415) et Wallenstein a transcrit, traduit en commenté 
un long hymne (v 20-vn 5) 175 ), et un passage plus bref (v, 5-15) 176 ). J. V. Chamberlain 
et G. Vermès avaient déja taché de traduire un passage des Hodayot (III, 7 -:[ 8) d’après 
une photographie publiée dans 1 ’hebdomadaire anglais The Sphere, du 18.2 1950 (p. 223) 177 ) ; 
le texte a été 1 ’objet d’une longue étude de Dupont-Sommer 178 ) et d’une autre trés courte de 


163 ) NRTh 1955, pp. 372-399; traduction peu 
heureuse. 

164 ) ThLZ 1955, col. 401-420. 

! 65 ) VT I955, pp. 373 - 420 . 

166 ) RHR 1955/56, pp. 25-43 (traduction de DSW 
I i-iv 17). 

16T ) The Scroll of the War of the Sons of Light 
against the Sons of Darkness, Jerusalem 1956 (texte 
hébreu). Le livre de Yadin est fort important, mais 
il a été recu après que eet article avait été envoyé 
a la presse. En plus de 400 pp. Tauteur donne une 
longue introduction et un commentaire. 

165) NRTh 1955, pp. 737-748. 

169 ) VT 1955, pp. 345 - 365 . 


17 °) Positions Luthénennes 1955, PP- 65-76. 

171 ) Cahiers Sioniens 1955, pp. 25-58. 

172 ) Op. cit.; voir les conclusions pp. 223-225. 

173 ) Cf. E. Bikerman, Institutions des Séleucides, 
Paris 1938, p. 56. 

174 ) Cf. les ouvrages d’esemble de Vermès, Molin 
voir aussi G. S. Glanzman, Theol. Studies 1952, 
pp. 487-524 

175 ) BullJRylLibr xxxvni 1955/56, pp. 241-265. 

176 ) VT 1955, pp. 277-283. 

177 ) G. Vermès, Mss du Dés. de Juda 2 pp. 193- 
194; J. V. Chamberlain dans JNES 1955, pp. 32-41; 
cf. pp. 181-182. 

178 ) RHR 1955, pp. 174-188. 





ioó LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 

J. Coppens 179 ), qui y voient traité, avec d’autres thémes, celui de la naissance du Messie. 
Dupont-Sommer pense même que le texte se fonde sur un mythe qui s’est développé a 
propos dis. vu 14, et conclut de son analyse que la Mère du Sauveur „se trouve donc 
expressément associée a 1 ’ceuvre salvatrice du Messie” 18 °). M. Wallenstein 181 ) et 
N. Wieder 182 ont encore publié quelques notes lexicographiques, e.a. sur le sens du mot qës. 

Le manuscrit des Hódaydt (DST) comprend ce qui reste d’un rouleau endommagé: 
12 longues colonnes conservées en grande partie ou presque entièrement, les restes de six 
autres moins bien conservées, et plus de 66 fragments, dont plusieurs on été publiés a part 
dans Qumrdn Cave I. La plupart des fragments, présentés dans 1’édition de Sukenik sur 
six planches, ne contiennent que quelques mots. Selon Birnbaum le manuscrit date des 
environs du commencement de notre ère. 

Plusieurs hymnes de DST sont tout a fait dans le même style (souvent fort antholo- 
giques) que ceux qui sont insérés dans la Regie de la guerre. La ressemblance est telle qu’il 
faut se demander si 1’auteur ne soit pas le même. Ce dernier a été identifié, non sans raison, 
au Docteur de justice, le grand prophéte de la secte, sinon son fondateur. Vermès a remarqué 
que le „moi” qui parle dans les Psaumes est un intime de Dieu, comme Moïse et le Serviteur 
de Jahvé; il se demande s’il n’est pas le prophéte dont parle DSD ix n (cf. Deut. xvni 
15-18) ; il serait un troisième Messie (a cöté de ceux d’Aaron et dTsraël) ; c’est a son oeuvre 
que le retour du pardon, de la vérité et de 1’amour divins resteraient Hés; il est le médiateur 
d’une nouvelle alliance, le révélateur de la doctrine divine, inaccessible sans lui, etc. 183 ). Je 
me demande si cette image du Docteur de justice, ou, en tout cas, de 1 ’auteur des Hymnes 
(il peut y en avoir eu plusieurs qui ont écrit dans le même esprit), ne soit pas trop 
chargée; le fait que Vermès triple la figure du Messie me semble 1’indiquer. Le texte des 
Hymnes est farci de eitations de 1 ’Ancien Testament dont il faut juger le sens d’après le 
genre littéraire anthologique des Hymnes ; en appliquant p. ex. des termes messianiques a 
la communauté, les auteurs veulent 1’identifier avec lTsraël de Dieu, considérée comme héri- 
tière des promesses, et dans ce cas ils ne sont pas appliqués par le Psalmiste a un individu. 


E — Autres textes 


Les textes du Wadi Muraba c at ont requ, eux aussi, leur traitement; puisqu’il s’agit de 
brefs documents, on s’y est surtout intéressé des points de vue philologique et paléographique. 
Une lettre de Siméon Bar Kosba a été publiée, traduite et commentée par J. T. Milik 184 ). 
R. Marcus a publié quelques notes sur le même document 185 ) et de même J. J. Rabino- 
witz 186 ) t A. Rubinstein 187 ), S. A. Birnbaum i 88 ), R. Lacheman 189 ), J. L. Teicher 190 ) 
et d’autres auteurs, qui seront mentionnés plus bas. La lettre est adressée a un Jesu ben 
Galgola, destinataire d’une autre lettre munie des noms de six signataires, qui a été publiée 
par R. de Vaux 191 ). S. A. Birnbaum a mis au point certaines transcriptions 192 ), de même 
Is. Rabinowitz 193 ). H. L. Ginsberg et H. Bardtke ont publié quelques remarques sur 
les deux documents 194 ). Les auteurs mentionnés sont d’accord pour reconnaitre en Sim c 6n 
bar Kosba le fameux chef de la deuxième guerre contre les Romains, appelé par mépris par 
ses adversaires bar Kozba (= fils 'du mensonge) mais par ses partisans Bar Kochba (= fils 
de Tétoile, cf. Num. xxiv 17). D’après Milik 195 ) la signature compléte de la lettre a été 


1T9 ) ’t Heilig Land 1955, p. 65. 

18 °) art. cité, pp. 184/5; le Messie „ne sauve des 
flots que grace a la Communauté, a 1 ’Eglise qui lui 
a donné naissance: il importe de souligner le role 
essentiel qui est ici reconnu a cette Eglise des saints, 
dont le Messie est le «premier-né»”. 

181 ) VT 1954, pp. 211-214. 

182 ) JJSt 1954, PP- 22-31. 

183 ) Cahiers Sioniens, 1955, pp. 48-58. 

184 ) RB 1953, pp. 276-294. 

185 ) JNES 1954 , P- 5 i. 

186 ) RB 1954, pp. 191-192. 


187 ) JJSt 1955, pp. 26-34. 

188 ) PEQ 1954, pp. 23-32. 

189 ) JQR xliv 1953 / 54 , PP- 285-290. 

19 °) JJSt 1954, PP- 39-40. 

191 ) RB 1953, pp. 269-275. 

192 ) PEQ 1955, pp. 21-33. 

193 ) BASOR 131, pp. 21-24; voir aussi O. H. 
Lehmann et S. M. Stern, VT 1953, pp. 391-396. 

194 ) BASOR 131, pp. 25-27; ThLZ 1954, col. 

295-304. 

195 ) RB 1953, pp. 277, 293. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA IO7 

„SinTön be[n Koseba, Prince dTsraë]l”, telle qu’il la connait de plusieurs autres documents 
(qui n’ont pas encore été publiés), mentionnés aussi par de Vaux qui parle de deux lettres 
de Bar Kochba 196 ). 

Milik a encore publié un contrat judéo-araméen concernant la vente d’une maison, daté 
de „Pan trois de la liberté d’ Israël” (= 134 a.d.) 197 ). J. J. Rabinowitz a interprété des 
termes techniques importants du document a la lumière de la littérature rabbinique 198 ). 
Dans un article signé par S. Abramson et H. L. Ginsberg 199 ) le contrat a été transcrit 
de nouveau, traduit et annoté. Enfin Milik a publié quelques remarques sur les articles 
précédents, dans lesquelles il rejette ou accepte les corrections proposées par les auteurs men¬ 
tionnés 200 ). 

Un contrat nabatéen sur papyrus a été édité avec beaucoup de talent par J. Starcky 291 ), 
chargé de 1 ’édition de tous les textes nabatéens trouvés dans le Désert de Juda; Pécriture est 
cursive et le texte contient beaucoup d’expressions connues du judéo-araméen, mais qu’on 
n’avait pas encore rencontrées en nabatéen. Selon Starcky le document date d avant la 
première guerre juive J. J. Rabinowitz a reconstruit la situation juridique, supposée par 
le document, d’après les régies du droit talmudique 202 ) ; il a proposé certains amendements 
de la transcription. Milik a publié une lettre syro-palestinienne trés courte, écrite par un 
moine et provenant du Hirbet Mird 203 ). 

Quelques fragments araméens de 2Q ont été traduits et commentés par M. Baillet 204 ) ; 
d’après lui ce sont les restes d’une apocalypse qui contient la description de la Jérusalem 
nouvelle dans le cadre d’une vision. Des restes du même texte, trouves dans iQ, avaient de ja 
été publiés par Milik dans Qumrdn Cave I 205 ) ; Milik y dit que d’autres restes en ont 
été trouves dans 4Q (appartenant a au moins deux mss) et dans 5Q. L’ouvrage semble s’être 
inspiré d’Ez. xl 11; Baillet a signalé aussi des rapprochements avec Daniël. II en ressort 
e.a. que les gens de Qumran s’intéressaient aux choses du temple et du culte et qu’il rêvaient 
d’un temps oü ce culte serait célébré pour eux a Jérusalem. 


VU _ LA COMMUNAUTÉ DE QUMRAN ET LES ESSÉNIENS, LES KARAITES, 

LE GNOSTICISME, LÉGLISE CHRÉTIENNE N AIS SANTÉ 

La tendance d’identifier la communauté de Qumran avec les Esséniens est devenue de 
plus en générale. Pour J. T. Milik cette Identification est „absolument certaine” 206 ) et il 
semble que les autres explorateurs de Qumran sont tous plus ou moins du même avis 207 ) ; 
les usages et croyances du groupe, tels que les documents nous les font connaïtre, et surtout 
la correspondance étroite entre ce que Pline a dit sur les Esséniens (Hist. Natur. V 17) et ce 
qu’on a découvert a Qumran, les ont amenés a cette conclusion, qui semble bien s’imposer, 
du moins au sens large. II n’est pas nécessaire, en effet, qu’il n’y ait eu qu’une seule com¬ 
munauté d’Esséniens. Le Talmud mentionne plusieurs groupes de Pharisiens et il se peut 
trés bien, ou il est même vraisemblable que plusieurs groupes distincts se soient rattachés au 
grand mouvement Essénien. 

Cependant, 1 ’évidence en la matière n’est pas encore telle, ou elle n’est pas encore si bien 
comprise, que tous s’y rendent. H. del Medico a taché de prouver qu’il n’y a jamais eu 
d’Esséniens que dans la phantaisie d’auteurs postérieurs, dont les écrits ont été insérés plus 
tard dans 1 ’oeuvre de Flavius Josèphe, tandis que Philon (a qui Pline s’en remet) aurait 
simplement imaginé leur existence 208 ). J. L. Teicher a promis de prouver la non-existence 
des Esséniens dans un article qui n’a pas encore paru 209 ). Pour B. Otzen 1 ’Essénisme est 


196 ) RB 1953, p. 264. 

197 ) RB 1954, pp. 182-190. 

198 ) BASOR 136, pp. 15-16. 

199 ) BASOR 136, pp. 17-19. 
20 °) RB 1955, pp. 253-254. 

201 ) RB 1954, pp. 161-181. 

202 ) BASOR 139, pp. 11-14. 

203 ) RB 1953, pp. 526-539. 


204 ) RB 1955, pp. 222-245. 

205 ) O.c., pp. 134-135. 

206 ) RB 1955, p. 597. 

207 ) G. L. Harding, R. de Vaux. 

208 ) Byzantinoslavica 1952/53, pp. 1-45; 189-226. 

20 9 ) cf JJSt 1954, p. 99. Josèphe aurait attribué 
a ses „Esséniens” ce qu’on lui avait dit des Chrétiens. 











io8 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 




un syncrétisme judéo-hellénique, tandis que le groupe de Qumran a été une communauté 
juive pieuse, vivant de 1 ’esprit des prophètes 210 ). M. H. Gottstein a encore avancé des argu- 
ments qui prouveraient que les gens de Qumran, secte monastique de baptistes („Taufer- 
sekte”) tout comme les Esséniens, ne serait pas a identifier avec eux 211 ); dans les DSS il 
trouve même des traits „anti-esséniens” (a tort me semble-t- 11 ). Pour R. Marcus les Essé¬ 
niens étaient des Pharisiens entamés de gnosticisme („gnosticizing pharisees”) ; la commu- 
nauté de Qumran est essénienne 212 ). Même M. Burrows se montre réservé; il propose de 
garder le nom d’Esséniens pour le groupe décrit par Philon et Josèphe, avec lequel, si 
leurs descriptions sont exactes (doute bien prudent! 212a ) celui de Qumran n’est pas tout a 
fait identique 213 ). R. J. North voudrait appeler les gens de Qumran des „Sadducéens” 214 ), 
puisqu’ils prétendent représenter le sacerdoce de Sadoq; il ne voudrait pas les appeler Essé¬ 
niens. F. M. Braun a écrit un long article sur les rapports entre 1 ’Essénisme (selon les 
exposés de Philon Josèphe, DSS) et 1 ’Hermétisme 215 ); bien que ses conclusions ne soient 
pas nettes, il pense avoir découvert des idéés parallèles dans les deux systèmes (les doctrines 
des deux voies, des deux esprits, de la connaissance de Dieu, de l’illumination du coeur; de 
1’ame prisionnière du corps; du culte spirituel, de la prière vers le soleil; le mélange entre 
piété et Science). — Toujours est-il que dans les DSS on se meut dans une autre sphère que 
dans la littérature hermétiste; tous deux sont des produits de leur temps et trahissent donc 
certaines influences semblables. 

Les relations entre la communauté de Qumran et le Karaïsme, dont il a été question dans 
1 ’article du Jaarbericht 12 216 ), ont été 1 ’objet de nouvelles études. H. Grégoire a remarqué 
que dans un écrit karaïte sur la conversion des Khazares au Judaïsme un épisode sur la 
découverte de vieux manuscrits dans une grotte avait été inséré 217 ). St. Segert a de nouveau 
attiré 1’attention sur cette histoire, racontée dans une lettre de Hasdai ibn Safrüt (915-990), 
écrite au plus tard en 961 218 ). Hasdai écrit au roi qu’il connait une tradition d’après laquelle 
un Juif a trouvé des livres dans une grotte de la montagne de Seïr, oü d’autres Juifs avaient 
la coutume de prier matin et soir. Segert croit qu’il s’agit ici d’une autre découverte que 
celle dont parle le cathoHcos Timothée au métropolite d’Elam 219 ); elle pourrait être rap- 
prochée de celle dont Qirqisani a fait mention 220 ). S. Szyszman a remarqué que déja le 
Père M. J. Lagrange avait fait des observations importantes sur la relation entre CDC et 
les Karaïtes 221 ). D’après Makrizi et Jehuda ben Levi les Karaïtes seraient issus d’une 
secte juive formée au temps d’Alexandre Jannée; Szyszman est convaincu que le groupe de 
Qumran et les Karaïtes sont connexes. P. Kahle ne rejette pas les conclusions essentielles 
de Szyszman, mais il propose de réfléchir encore sur certaines questions annexes au problème, 
en insistant qu’il faut aller au fond des choses et ne pas se contenter de similitudes de sur- 
face 221a ). Szyszman est encore allé au Caire pour y visiter les Karaïtes; dans une brève 
notice il note que déja R. Pockocke, dans ses Voyages, Tomé 2 (1772), p. 51, a noté que 
les Karaïtes sont les anciens Esséniens 222 ). II remarque que dans certaines déviations de 
la tradition juive, Philon et les Karaïtes vont de pair. 

Les gens de Qumran étaient-ils des gnostiques? Pour répondre a la question il faudrait 
d’abord être d’accord sur le sens du mot „gnose” ou „gnosticisme”. Si on entend par la 
tout système de connaissances ésotériques révélées, on pourrait parler de la „gnose” de 
Qumran. Si, au contraire, on prend les deux mots dans un sens historique bien déterminé, 


210 ) Stud. Theol. Lund vii/i 1954, pp. 155-157. 

211 ) VT 1954, pp. 141-147. 

212 ) JBL 1954, pp. 157-161. 

212a ) II semble devenu temps de se demander, avec 
B. J. Roberts dans une conférence a Bangor (sept. 
1955), s’il ne faut pas corriger, en se basant sur 
les DSS, ce que Josèphe et Philon nous ont dit sur 
les usages et croyances des Esséniens. Cf. ThLZ 
1955, col. 627. 

213 ) The Dead Sea Scrolls, p. 298; cf. pp. 271 ss. 

214 ) CBQ 1955, pp. 164-188. 


215 ) Revue Thomiste 1954, pp. 523-558. 

216 ) JEOL 12, 1951-1952, pp. 224-225. 

217 ) Le Flambeau 1952, pp. 477-485 (cité d’après 
Dupont-Sommer, Nouveaux Apergus, p. 107, note 51) 

21S ) Archiv Orientalm 1953, pp. 263-269. 

219 ) Cf. JEOL 11, pp. 43 - 44 . 

220 ) JEOL 12, 224-225. 

221 ) Cf. RB 1912, pp. 213 ss.; 321 ss.VT 1953, pp. 
82-84. 

221a ) VT 1953, PP. 82-84. 

222) VT 1954, pp. 201-205. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


109 


la réponse devient bien plus difficile. Un auteur comme H. J. Schoeps, qui s’y connait bien, 
se refuse a admettre des influences étrangères plus qu’absolument nécessaire; d’après lui la 
gnose juive, qui s’étend des DSS jusqu’a la Kabbale, doit son origine a la „dogmatisation” 
du mythe de la descente des anges de Gen. vi 222a ). 

On sait que J. L. Teicher veut que les gens de Qumran soient des Judéo-chrétiens et 
qu’il a tiré un argument du fait qu’ils s’appellent parfois ebyönim (•= Ebionites!) 222b ). Les 
relations possibles entre les Ebionites judéo-chrétiens et les gens de Qumran ont été examinés 
par J. A. Fitzmyer, qui est parvenu a la conclusion qu’il ne semble pas possible que la secte 
du mythe de la descente des anges de Gen. Vi 222a ). 

Au sujet des relations entre le groupe de Qumran, sa doctrine et ses moeurs d’un cöté et 
le christianisme naissant de 1’autre, nombre d’études ont paru; il devient de plus en plus clair 
que c’est la un des aspects les plus importants de la découverte. Un résumé des questions a 
été publié récemment par A. Metzinger (texte d’une conférence romaine) 223 ). Deux longs 
articles a suivre par d’autres, ont été publiés par J. Schmitt 223a ). Ailleurs J. Coppens s’est 
demandé ce que les DSS ont apporté pour expliquer les origines du christianisme 224 ). 
J. Daniélou a relevé certains points de contact de 1 ’organisation de la communauté de 
Qumran avec celle de 1 ’église primitive 225 ). Bo Reicke a fait de même dans son discours 
inaugural a Bale 226 ) ; le groupe des douze a la tête de la communauté de Qumran (DSD 
vin 1), dont trois devaient être prêtres le fait penser aux douze apötres, dont trois occu- 
paient une place spéciale. II ne croit pas que 1’office d’évèque ait été emprunté a 1’organisation 
de Qumran; dans les deux groupes on trouve des éléments monarchiques, oligarchiques et 
démocratiques les uns a cöté des autres. W. Baumgartner a publié quelques réflexions sur 
la signification des textes de Qumran pour la théologie, tant de 1 ’Ancient Testament que du 
Nouveau 227 ) ; selon lui la secte et le christianisme sont tout au plus deux mouvements sceurs. 

A. Cullmann a bien remarqué que les relations entre le Christianisme et la secte 
de Qumran doivent être cherchées avant tout dans 1 ’organisation des deux communautés 
(i2 apötres, dont trois furent considérés comme des „colonnes” Gal. II 9), etc.), et non en 
certaines ressemblances du Docteur de justice avec Jésus de Nazareth 228 ). II est impossible, 
dit-il, de penser au Christianisme sans penser a la Personne de son Fondateur; quant a 
1 ’Essénisme, on ignore même le nom du „Docteur” et on ne sait pas comment il est mort. 
J. Schmitt a comparé le sacerdoce judaïque et la hiërarchie ecclésiale dans les premières 
communautés chrétiennes; des disciples venus des rangs des prêtres ont marqué celles-la de 
leur empreinte, tout comme a Qumran 229 ). K. Schubert a comparé le sermon de la mon¬ 
tagne aux textes de Qumran 230 ). S. E. Johnson a fait des remarques sur DSD et 1 ’église 
de Jérusalem dans les Actes 231 ). D’après Mlle L. Mowry la polémique du 4me évangile aurait 
été dirigée contre les Esséniens de Qumran, a qui 1’auteur a cependant emprunté plusieurs 
idéés 232 ). D’après R. E. Brown il n’y a pas de relations directes entre les écrits johanniques 
et les DSS, mais seulement des rapports indirects; les écrits johanniques et les DSS ont des 
traits communs importants et indéniables, qui permettent de dater les premiers „well within 
the first century a.d.,” ; il est possible que 1 ’évangéliste Jean ait été un disciple du Baptiste. 
Des idéés fort semblables se trouvent dans un long article de F. M. Braun sur 1 ’arrière-fond 
judaïque du 4me évangile 233a ). W. D. Davies a écrit au sujet de la „connaissance” dans les 
DSS et dans Matth. xi 25-30 234 ). C. H. Hunzinger cite quelques textes des DSS pour jeter 
de la lumière sur Luc II 14 otvOpomoi söSoxtoc^ = bnê rdsön = les hommes en qui Dieu se 


222a ) ZRGG 1954, pp. 276-279. 

222 b) Cf. JEOL 12, p. 241. 

222 c ) Theol. Studies 1955, pp. 335-372. 

223 ) Biblica xxxvi 1955, pp. 457-481. 

223a ) Rev. Sc. Rel. xxix 1955, pp. 381-401; 
xxx 1956, pp. 55-74 (a suivre). 

224 ) Cahiers du libre examen, 1953, pp. 23-29 r= 
Analecta Lov. Bibl. et Or. II. 39. 

225 ) RHPR 1955, pp. 104-116. 

226 ) Th. Zs 1954, pp. 95-112. 


227 ) Schw. Theol. Umschau, 1954, pp. 49-72. 

228 ) JBL 1955, pp. 213-226. 

229 ) RScRel 1955, pp. 250-261. 

23 °) Tüb. Theol. Q. 1955, pp. 320-337. 

231 ) ZAW 1954, pp. 106-120. 

232 ) Bi Ar 1954, pp. 78-97. 

233 ) CBQ 1955, PP- 403-419 ; 559 - 574 - 
233a ) RB 1955, pp. 5-44. 

234 ) Harv. Theol. Rev. 1953, pp. 113-140. 








IIO 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


complaït); cf. DSD vin 6 et Hod. iv 32/33 235 ). J. A. Jungmann a attiré l’attention sur 
des aspects liturgiques de Tancienne église, a sa savoir sa prière nocturne, le rituel de 1’agape 
au temps d’Hippolyte, etc., qui peuvent être mieux compris a la lumière de DSD 236 ). 
A. Jaubert 237 ) et a sa suite E. Vogt 238 ), se sont demandés si le calendrier Essénien 
n’explique pas la difficulté bien connue de la date et du jour de la dernière Paque de Jésus; 
si Jésus a suivi ce calendrier Essénien, il a célébré la dernière Cène le mardi soir, le sanhédrin 
s’est réuni le mercredi et le jeudi, Jésus a été conduit devant Pilate dans Taprès-midi du jeudi 
et le matin du vendredi. 

D’une étude sommaire sur lattente eschatologique de Qumran, J. Coppens a conclu que 
la secte n’a pas expérimenté, ni vécu une participation aux biens eschatologiques, du moins 
telle qu’elle s’est réalisée dans la communion des saints des Actes des Apötres, ou telle qu’elle 
est attestée a travers la littérature paulinienne 239 ). 

Nijmegen, Université Catholique, 14.2.1956. J. van der Ploeg, O.P. 


bibliographie 


Abramson, S., and H. L. Ginsberg, On the Aramaic 
Deed of Sale of the Third Year of the Second 
Jewish Revolt. BASOR 136, Dec. 1954, pp. 
17-19. 

Albright, W. F., The Dead Sea Scrolls, The Ameri¬ 
can Scholar 1952 - 1953 » PP- 77 - 8 5. 

—, New Light on Early Recensinns of the Hchrew 
Serails. BASOR, Dec. 1955, pp. 27-33, 

Allegro, J. M., A newly-discovered Fragment of 
a Commentary on Psalm xxxvu from Qumran. 
PEQ lxxxvi 1954, pp. 69-75. 

-, Some Archaeological Sites and the Old Tes¬ 
tament: Qumran. The Exp. Times lxvi 1955, 
pp. 259-262. 

Arnaldich, L., Los sectarios del Mar Muerto y su 
doctrina sohre la „Alianza”. Estudios Biblicos 
xi 1952, pp. 359 - 398 . 

Audet, J. P., Affinités littéraires et doctrinales du 
manuel de discipline (suite). RB lx 1953, pp. 
41-82. 

Baillet, M., Fragments araméens de Qumran 2. 
Description de la Jérusalem nouvelle. RB lxii 
1955 » PP- 222-245. 

Bardtke, H., Die Parascheneinteilung der Jesajarolle 
I von Qumran dans Festschrift Fr. Dornseiff 
zum 65. Geburtstag, hrg. von Horst Kusch, 
Leipzig 1953, pp. 33-75. 

-, Die Handschrift enfunde am Toten Meer. Ber- 

lin 1952 1 , 1953 2 . 

-, Bemerkungen zu den heiden Texten aus dem 

Bar Kochba-Aufstand. ThLZ lxxix. 1954, col. 

295-304. 

- Die Kriegsrolle von Qumran übersetzt: ThLZ 

LXXX I955, pp. 401 - 420 . 

Baumgartel, F., Zur Liturgie in der „Sektenrolle” 
vom Toten Meer. ZAW lxv, N.F. xxiv, 1953, 
pp. 263-265. 

Baumgarten, J. M., Sacrifice and Worship among 
the Jewish Sectarians of the Dead Sea (Qum¬ 
ran) Scrolls. Harv. Th. Rev. xlvi 1953, PP- 

141-159- 

235 ) ZNW 1952/53, PP- 85-90. 

236 ) ZfKT 1953, pp. 215-219. 

237 ) RHR 1954, pp. 140-173. 


- , and M. Mansoor, Studies in the New Hodayot 

(Thanksgiving Psalrns). JBL lxxiv- 1955, PP- 
i15-124; 188-195. 

Baumgartner, W., Die Bedeutung der Höhlenfunde 
aus Paldstina für die Theologie. Schweiz. Th. 
Umschau xxiv 1954, pp. 49-63. 

Barthélemy, D., Redécouverte d’un chainon man¬ 
quant de Vhistoirc de la Septantc. RB lx 1953, 
pp. 18-29. 

- , and J. T. Milik, Discoveries in the Judaean 

Desert. I. Qumran Cave I. Oxford 1955. 

Bea, A., Neue Handschriftenfunde in Paldstina. 

Stimmen der Zeit 152, pp. 248-253. 

Beegle, D. M., Ligatures with zvaw and yodh in 
the Dead sea Isaiah Scroll. BASOR 129, Febr. 
1953 , PP- u- 14 - f 

Benoit, P., Les récenies découvertes au Desert de 
Juda (= Meded. Kon. Vlaamse Academie voor 
Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van 
België, xiv no 8). Bruxelles 1952. 

Birkeland, H., Some Linquistic Remarks on the 
Dead Sea Scrolls, dans Interpretationes.... S. 
Mowinckel missae. Oslo 1955, pp. 24-35. 
Birnbaum, S. A., The Qumran (Dead Sea) Scrolls 
and Palaeography (— BASOR Suppl. St. 13-14). 
New Haven 1952. 

-, The Date of the Hymns Scroll. PEQ lxxxiv 

1952 , pp. 94 - 103 - 

-, A Fragment in an unknown Script. PEQ 

lxxxiv 1952, pp. 118-120. 

-, An unknown Aramaic Cursive. PEQ lxxxv 

1953 , PP- 23-41. 

-, Bar Kokhba and Akiba. PEQ lxxxvi 1954, pp. 

23-32. 

-, The Beth Mashku Document. PEQ lxxxvii 

1955 , PP- 21 - 33 - 

Black, M., Servant of the J^ord and Son of Man. 
Scott. Journ. of Theol. VI 1953. 

-, Theological Conceptions in the Dead Sea 

Scrolls. Svensk Exegetisk Arsbok, xvni-xix 
1953 - 1954 , PP- 72 - 97 . 

238 ) Biblica 1955, pp. 408-413. 

239 ) Nouv. Clio 1953, pp. 5-9. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


III 


Braun, F. M., Essénisme et Hermetisme. A propos 
de Voeuvre du Père Festugière. Rev. Thomiste 
lxii. année, Tomé. liv, 1954, pp. 523-558. 

-, L’arrière-fond juddique du quatrième évangile 

et la Communauté de l'Alliance. RB lxii 1955, 

PP- 5 - 44 . 

Braun, H., „Urnkehr” in spdtjüdisch-hdretischer und 
in frühchristlicher Sicht. ZTK 1953, p. 243-258. 

Brown, J. R., Pesher in the Habakkuk Scroll. The 
Exp. Times lxvi 1955, p. 125. 

Brown, R. E., The Qumran Scrolls and the Johan- 
nine Gospel and Epistles. CBQ xvn 1955, pp. 403- 
4 * 9 i 559 - 574 - 

Brownlee, W. H., The Manuscripts of Isaiah from 
which DSIa was copied. BASOR 127, Oct. 1952, 
pp. 16-21. 

-, The Servant of the Lord in the Qumran 

Scrolls I. BASOR 132, Dec. 1953, p. 8-15. II. 
ibid., 135, Oct. 1954, pp. 33-38 (to be continued). 

-, The Dead Sea Habakkuk Midrash and the 

Tar gum of Jonathan (texte polycopié de 12 pp., 
a obtenir de Duke Divinity School, Durham 
N.C., U.S.A.). 1953. 

-, The Cross of Christ in the Light of Ancient 

Scrolls. The United Presbyterian, III 1953, 
nr. 48, pp. 6-7, 11; nr. 49, p. 11; nr. 50, pp. 7-8 ; 
nr. 51, pp. 12-13; nr 52 , PP- 10-11. 

-, Emendations of the Dead Sea Manuel of 

Discipline and some Noies concerning the Ha¬ 
bakkuk Midrash. JQR xlv 1954/5, pp. 141-158; 
198-218. 

Burrows, M., The Messiahs of Aar on and Israël. 
Anglican Theol. Rev. 1952, pp. 203-206, 

-, The Dead Sea Scrolls. New York 1955. 

Carmignac, J., Précisions apportées au vocabulaire 
de l’hébreu biblique par la Guerre des fils de 
lumière contre les fils de ténèbres. VT v 1955, 
PP- 345 - 365 . 

-, Les Kittim dans la „Guerre des fils de lu¬ 
mière contre les fils de ténèbres NRTh Tomé 
7, 87. année, 1955, pp. 737-748. 

Chamrerlain, J. V., Anoiher Qumran Thanksgiving 
Psalm, JNES xiv 1955, pp. 32-41. 

-, Further Elucidations of a Messianic Thanks¬ 
giving Psalm from Qumran. JNES xiv 1955, 
pp. 181-182. 

-, The Functions of God as Messianic Titles in 

the complete Qumran Isaiah Scroll. VT v 1955, 

PP- 366-372. 

CoNSiDiNE, J. S., Presidential Address. The Dead 
Sea Scrolls. CBQ xvi 1954, pp. 41-45. 

Contenson, H. de, In the Footsteps of St. John the 
Baptist. Antiquity and Survival, I 1955, pp. 37-56. 

Coppens, J., La secte dc Qumran et son attente 
eschatologique. La Nouv. Clio v 1953, pp. 5-9. 

-■, Les documents du Desert de Juda et les origi- 

nes du Christianisme 0 = Analecta Lovaniensia 
Biblica et Orientalia, Ser. II, fase. 39). Lou- 
vain 1953 (=: Extrait des Cahiers du Li ore 
Examen 1953, pp. 23-39). 

-, Oü en est le problème des manuscrits de 

Qumran? (= Analecta Biblica et Orientalia, 
Ser. II, fase. 44). Bruges-Paris 1954 (= Extrait 
de la Nouv. Clio vr 1954, pp. 247-257). 


- ,Een nieuwe bijdrage van de Wo estijnr oliën tot 

een beter begrip van het Nieuwe Testament. 
’t Heilig Land 1955, p. 65. 

- , Nieuwe Psalmen vom Qumran, Wetenschappe¬ 
lijke Tijdingen xv 1955, col. 156-158. 

Couroyer, B., A propos des dépots de manuscrits 
dans des jarres. RB lxii 1955, p. 76-81. 

Cross, F. M., A Nezv Qumran Biblical Fragment 
related to the Original Hebrew underlying the 
Septuagint. BASOR 132, Dec. 1953, pp. 15-26. 

-, The Manuscripts of the Dead Sea Caves. BiAr 

xvn 1954, pp. 1-21. 

-, The oldest Manuscripts from Qumran. JBL 

lxxiv 1955, pp. 147-172. 

-, Archaeological News and views. BiAr xvm 

1955, cf. pp. 79-80. 

Cullmann, O., Die neuentdeckten Qumrantexte und 
das Judenchristentum der Pseudoklementinen. 
Neutestamentl. Studiën f. R. Bultmann. Berlin 
* 954 , PP- 35751. 

-, The Significance of the Qumran Texts for 

Research int o the Beginning of Christianity. 
JBL lxxiv 1955, p. 213-226. 

Dahl, N. A., The Origin of Baptism. Interpretatio¬ 
nes ... S. Mowinckel missae. Oslo 1955, pp. 
36-52. 

Daniélou, J., La communauté dc Ia Mer Mortc. 
Etudes 1953, PP- 365 - 372 . 

-, Une source de la spiritualité chrétiennc dans les 

manuscrits de la Mer Morte: la doctrine des 
deux esprits. Dieu Vivant 25 1953, pp. 127-136. 

-, La communauté de Qumran et Vorganisation 

de l’Eglise ancienne. RHPR xxxv 1955, pp. 104- 
116. 

Davtes, W. D., “Knozvledge” in the Dead Sea Scrolls 
and Matthezv xi 25-30. Harv. Th. Rev. xlvi 
1953 , PP- 1 13-140. 

Decroix, J., Les manuscrits de la Mer Morte. 
Essai de Bibliographie. Mélanges de Science 
Relig., x 1953, pp. 107-124; xi 1954, pp. 223-246. 

Delcor, M., Oü en est le problème du Midrash 
d’Habacuc? RHR cxlii 1952, pp. 129-146. 

-, LI eschatologie des documents de Khirbet 

Qumran. Rev. Sc. Rel. xciv 1952, pp. 363-386. 

-, Le sacerdoce, les lieux de culte, les rites et les 

fêtes dans les documents de Khirbet Qumran. 
RHR cxliv 1953, pp. 5-41. 

-, Contribution d Vétude de la législation des 

sectaires de Damas et de Qumran. RB lxi 1954, 
PP- 533 - 553 ; lxii 1955, pp. 60-75. 

-, La guerre des fils de lumière contre les fils de 

ténèbres ou le „manuel du parfait combattant” 
de Qumran. NRTh lxxxvii 1955, pp. 372-399. 

-, L’immortalité de l’ame dans le livre de la 

Sagesse et dans les documents de Qumran. 
NRTh Lxxvii 1955, pp. 614-632. 

-, Les diverses manières d f écrire le tétragramme 

sacré dans les anciens documents hébra’iques. 
RHR cxLvii 1955, pp. I 45 -I 73 . 

Detaye, C, Le cadre historique du midrash d’Haba- 
cuc. EphThLov xxx 1954, pp. 323-343. 

Diringer, D., The Hand-Produced Book. London 
1953 . 

Driver, G. R., Once Again the Judaean Scrolls. JQR 
XLIV I953/4, PP- 1-20. 


















112 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


Dulont-Sommer, A., De rimnwrtalitê astrale dans la 
„Sagesse de Salomon” (III, 7). Rev. des Et. 
Gr. 1949, pp. 80-87. 

- , Le Testament de Lévi (xvn-xviii) et la secte 

juive de l’Alliance. Semitica iv 1952, pp. 33-53- 

- Nouveaux Apergus sur les manuscrits de la 

Mer Morte (= L’Orient Ancien Illustré 5). 
Paris 1952. 

-, L’instruction sur les deux Esprits dans le 

„Manuel de Discipline”. RHR cxlii 1952, pp. 
5 - 35 - 

- , Encore sur le mot ’bivt dans DSH xi 6. VT II 

1952, pp. 276-278. 

-, La sainteté du signe „noun” dans le Manuel de 

Discipline (Acad. Royale de Belgique, Buil. Cl. 
des Lettres...5 e série, Tomé xxxviii 1952, pp. 

184-193)- 

-, Quelques remarques sur le Commentaire d’Ha- 

bacus, d propos d’un livre récent. VT v 1955, 
pp. 113-129. 

-, La mère du Messie et la mère de VAspic dans 

un hymne de Qumran. RHR cxlvii 1955, pp. 
174-188. 

-■, Le problème des influences étrangères sur la 

secte juive de Qoumrdn. RHPR xxxv 1955, pp. 
75 - 94 - 

-, Le „Chef des rois de Yawan” dans l’Ecrit de 

Damas. Semitica v 1955, pp. 41-57. 

-, „Reglement de la guerre des fils de lumière”: 

traduction et notes. RHR cxlviii 1955, pp. 25-43. 

-, Les manuscrits de la Mer Morte; leur impor- 

tance pour l’histoire des religions, Numen II 
1955 , PP- 168-189. 

Dussaud, R., Khirbet Qumran. Syria xxxn 1955, 
pp. 161-163. 

Elliger, K., Studiën zum Habakuk-Kommentar vom 
Toten Meer (= Beitrage z. hist. Th. 15). Tü- 
bingen 1953. 

Farmer, W. R., The Economie Basis of the Qumran 
Community. ThZ xi 1955, pp. 295-308. 

Février. J. J., La date des textes de c Ayin Fashkha 
en écriture paléo-hébrdique. Journal As. cxxxix 
1951, pp. 275-282. 

Fitzmyer, J. A., The Qumran Scrolls, the Ebionites 
and their Literature. Theol. Studies xvi 1955, 
PP- 335 - 372 . 

Flusser, D., The Connection between the Apo¬ 
eryphal „Ascensio Isaiae” and the Dead Sea 
Scrolls. Buil. Isr. Expl. Soc. xvn 1952/3, pp. 
28-46 (texte hébr.; texte anglais : The Apo- 
cryphal Book of Ascensio Isaiae and the Dead 
Sea Sect, Isr. Expl. Journ. III 1953, pp. 30-47). 

Fritsch, C. T., Herod the Great and the Qumran 
Community. JBL lxxiv 1955, pp. 173-181. 

Gartner, B., The Habakkuk Commentary (DSH) 
and the Gospel of Matthew. Stud. Theol. Lund, 
viii/i, 1955 , PP- 1-24. 

Ginsberg, H. L., Cave Scrolls and Jezvish Sects. 
Commentary xvi 1953, pp. 77-81. 

-, Notes on the two published Letters to Jeshua 

Ben Galgolah. BASOR 131, Oct. 1953, pp. 

25-27. 

Glanzman, G. S., Sectarian Psalms from the Dead 
Sea. Theol. Studies xm 1952, pp. 487-524. 

Goossens, R., Les Kittim du Commentaire d’Ha- 
bacuc. La Nouv. Clio iv 1952, pp. 137-170. 


-, L’ênigme du signe „noun” dans le Manuel de 

Discipline. La Nouv. Clio vi 1954, pp. 5-39. 

Gottstein, M. H., Bible Quotations in the Sectarian 
Dead Sea Scrolls. VT III 1953, pp. 79-82. 

-, Bemerkungen zu Eissfeldfs Varia-e Lectiones 

der Jesaia-Rolle. Biblica xxxiv 1953, pp. 212-221. 

-, A DSS Biblical Variant in a Medieval Treatise. 

VT III 1953, pp. 187-188. 

-, Studies in the Language of the Dead Sea 

Scrolls. JJSt iv 1953, pp. 104-107. 

-, Anti-Essene Traits in the Dead Sea Scrolls. 

VT iv 1954, PP- I 4 I-I 47 . 

-, Die Jesaia-Rolle im Lichte von Peschitta und 

Targum. Biblica xxxv 1954, pp. 51-71. 

-, Die Jesaia-Rolle und das Problem der hebrdi- 

schen Bibelhandschriften. Biblica xxxv 1954, 
PP- 429 - 442 . 

- A supposed dittography in DSD. VT iv 1954, 

pp. 422-424. 

Graystone, G., Further Notes on the Dead Sea 
Scrolls. Script, vi 1953, pp. 17-21 

- , The Dead Sea Scrolls. Scripture vi 1953, pp. 

112-122. 

Grégoire, H., Les gens de la caverne, les Qardites 
et les Khazares. Le Flambeau (Bruxelles), 1952, 
no 5, 477 - 485 . 

Gross, H., Chirbet Qumran und die „Mönchsge- 
meinde’’ vom Toten Meer. Trierer Theol. Zs. 
T.xiv pp. 141-157. 

Habermann, A. M., c Iyyünim bimgillót midbar 
J c hüdah. Sinai (Jerusalem), xxxn 1953, pp. 
143-167. 

Harding, G. L., Khirbet Qumran and Wady Mu- 
raba c at. Fresh Light on the Dead Sea Scrolls 
and New Manuscript Discoveries in Jordan. 
PEQ lxxxiv 1952, pp. 104-109. 

-, Where Christ Himself may have studied: An 

Essene Monastery at Khirbet Qumran. The 
Illustrated London News, 3 Sept. 1955, pp. 
379-381. 

Hunzinger, C. H., Neues Licht auf Lc 2 14 ócv- 
öpcoTuot euSoxta<; ZNW xliv 1952/53, PP- 85-90. 

Jaubert, A., Le calendrier des Jubilés et de la secte 
de Qumran. Ses origines bibliques. VT III 
1953, 250-264. 

Johnson, S. E., The Dead Sea Manual of Disci¬ 
pline and the Jerusalem Church of Acts. ZAW 
66. Bd, NF Bd 25 1954, pp. 106-120. 

Joly, R., Judaïsme, Christianisme et Hellenisme 
dans le Pasteur d’Hermas. La Nouv. Clio v, 
1953 , PP- 394 - 406 . 

Jungmann, J. A., Altchristliche Gebetsordnung im 
Lichte des Regelbuches von °En Fescha. ZfKTh 

LXXV I953, pp. 2 I 5 - 2 I 9 . 

Kahle, P., The Karaïtes and the Manuscripts from 
the Cave. VT III 1953, pp. 82-84. 

-, Die im August entdeckte Lederrolle mit dem 

griechischen Text der kleinen Propheten und das 
Problem der Septuaginta. ThLZ lxxix 1954, col. 
81-94. 

Kelso, J. L., The Archaeology of Qumran. JBL 
lxxiv 1955, pp. 141-146. 

Kuhl, C, Schreibereigentümlichkeiten, Bemerkungen 
zur Jesajarolle (DSIa). VT II 1952, pp. 307-333. 

Kuhn, K. G., Die Sektenschrift und die iranische 
Religion. ZTK xlix 1952, pp. 296-316. 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


-, netpaa|xó<;-a[jiapTta- adep^ im Neuen Testa¬ 
ment und die damit zusammenhangenden Vor- 
stellungen. ZThK xlix 1952, p. 204-208. 

-, Die Kupferrollen von Qumran und ihr Inhalt. 

ThLZ lxxix 1954, pp. 303-304. 

-, Les rouleaux de cuivre de Qumran. RB lxi 

1954, PP- 193-205. 

- Die beiden Messias Aar ons und Israels. NTSt 

I 1955, PP- 168-179. 

Lacheman, E. R., Hebrew Paleography again, JQR 
xliv 1953/54, PP- 116-122. 

- , The so-called Bar Kokhba Letter. JQR xliv 

1953/54, PP- 285-290. 

Land, F. A. W. van ’t en A. S. van der Woude, 
De Habakukrol van c Ain Feschka. Vox The¬ 
ol ogica xxm 1952/3, pp. 41-49. 

-, De Habakukrol van c Ain F asha. Tekst en 

vertaling. Assen 1954. 

Laridon, V., Nieuwe archaeologische en literaire 
vondsten in de Woestijn van Juda. Collationes 
Brugenses xlix 1953, pp. 458-468. 

Lehman, O. H. and S. M. Stern. A Legal Cer- 
tificate from Bar Kochba’s Days. VT III 1953, 
PP. 391-396. 

Libby, W. F., Radio carbon Dating. Chicago 1952. 

Liebermann, S., The Discipline in the so-called 
Dead Sea Manual of Discipline. JBL lxxi 
1952, pp. 199-206. 

Loewinger, S., New Corrcctions to the variae lec¬ 
tiones of O. Eissfeldt I. VT iv 1954, pp. 80-87. 

-, The Variants of DSI II. VT iv 1954, pp. 

155-163. 

Marcus, R., Philo, Josephus and the Dead Sea 
Yahad. JBL lxxi 1952, pp. 207-209. 

-, Textual Notes on the Dead Sea Manual of 

Discipline. JNES xi 1952, pp. 205-211. 

-, A Note on the Bar Kokhba Letter from Mu- 

rabba c at. JNES xm 1954, p. 51. 

- , Pharisees, Essenes and Gnostics. JBL lxxiii 

1954 PP- 157-161. 

Margoliouth, M., Mibrith Dammeseq c ad Serek ha- 
yahad. Sinai xxx, 1952. 15 pp. 

Martin, W. J., The Dead Sea Scroll of Isaiah 
(— The sixth Campbell Memorial Lecture). 
London 1954. 

Medico, H. E. del, Les Esséniens dans Voeuvre de 
Flavius Josèphe. Byzantinoslavica xm 1952/53, 
pp. 1-45; 189-226. 

—-, La traduction d’un texte démarqué dans le 
Manuel de discipline (DSD x 1-9). VT vi 1956, 
PP- 34-39- 

Metzinger, A., Die Handschriftenfunde am Toten 
Meer und das Neue Testament. Biblica xxxvi 

1955, PP- 457-481. 

Meyer, R., H. Bardtke, Hcbrdische Konsonanten- 
texte... (recension). ThLZ lxxx 1955, pp. 419- 
421. 

Michaud, H., Une apocalypse nouvelle. La guerre 
des fils de lumière contre les fils de ténèbres. 
Positions Luthériennes, avril 1955, pp. 65-76. 

-, Un mythe Zervanite dans un des manuscrits de 

Qumran. VT v 1955, pp. 137-147. 

-, A propos du nom de Qumran. RHPR xxxv 

1955, PP- 68-73. 

Michel, A., Le Maitre de Justice d’après les ma- 

Jaarbericht n°. 14 


II3 

nuscrits de la Mer Morte, la littérature apo- 
cryphe et robbinique. Avignon 1954. 

Milik, J. T., Elenchus Textuum ex caverna Maris 
Mortui. Verb. Domini xxx 1952, pp. 34-45; 
101-109. 

-, Fragments d’un midrash de Michée dans les 

manuscrits de Qumran. RB lix 1952, pp. 412- 
418. 

-, Une lettre de Siméon Bar Kokheba. RB lx 

1953 , PP. 276-294. 

-, Une inscription et une lettre en araméen 

christo-palestinien. RB lx 1953, pp. 526-539. 

-, Un contrat fuif de l’an 134 après Jêsus-Christ. 

RB lxi 1954, pp. 182-190. 

-, Le Testament de Lévi en araméen. Fragment 

de la grotte 4 de Qumran. RB lxii 1955, pp. 
398-406. 

-, E. L. Sukenik, Osar ha-m e gillöt ha-g e nüzot 

(recension). RB lxii 1955, pp. 597-601. 

Molin, G., Der Habakukkommentar von c En Fesha 
in der alttestamentlichen Wissenschaft. ThLZ 

LXXVTI 1952 , COl. 340 - 357 . 

-, Hat die Sekte von Khirbet Qumran Bezieh- 

ungen zu Aegypten? ThLZ lxxviii 1953, col. 

653-656. 

-, Die Söhne des Licht es. Zeit und Stellung der 

Handschriften vom Toten Meer. Wien 1954. 
Morgenstern, J., The Calender of the Book of 
Jubilees, lts Origin and its Character. VT v 
1955, PP- 34-76. 

Moscati, S., I Manoscritti ebraici del Deserto di 
Giuda. (= Pubblicazioni dell Istituto per l’O- 
riente, Nr 51). Roma 1955. 

Mowry, L., The Dead Sea Scrolls and the Gospel of 
John. BiAr xvn 1954, pp. 78-97. 

Muilenburg, J., A Qoheleth Scroll from Qumran. 
BASOR 135, Oct. 1954, pp. 20-28. 

- , Fragments of another Isaiah Scroll. BASOR 

135, Oct. 1954, pp. 28-32. 

Nauck, W., Lex insculpta (Jïnn plH) in der Sekten¬ 
schrift. ZNW xlvi 1955, pp. 138-140. 

Nielsen, E., The Righteous and the Wicked in 
Habaqquq. Stud. Theol. Lund vi/i 1952, pp. 
54-78. 

North, R., The Damascus of Qumran Geography. 

PEQ lxxxvi 1954, pp. 34-48. 

-, Qumran and its Archaeology. CBQ xvi 1954, 

pp. 426-437. 

-, The Qumran „Sadducees”. CBQ xvn 1955, 

pp. 164-188. 

Nötscher, F., Heisst Kaböd auch „Seele”? VT II 
1952, pp. 358-362. 

-, „Gesetz der Freiheit” im Neuen Testament und 

in der Mönchsgemeinde am Toten Meer. Biblica 
xxxiv 1953, pp. 193-194. 

Orlinsky, H. M., Studies in the St. Mark’s Isaiah 
Scroll. rv. JQR xliv 1953, pp. 329-340. v. Isr. 
Expl. Journ. iv 1954, pp. 5-8. vi HUCA xxv 

1954, PP- 85-92. vu. Tarbiz xxiv 1954/5, PP- 4-8. 
Otzen, B., Die neugefundenen hebraischen Sekten¬ 
schriften und die Testament e der zwölf Patri¬ 
archen. Stud. Theol. Lund vii/i 1954, pp. 125- 
157 . 

Parisius, L., Studiën zur Form des 1. Abschnittes 
des DSD. ZAW 67. Bd., NF Bd 26, 1955, pp. 
103-106. 


8 












LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS I947 DANS LE DESERT DE JUDA 


II 4 


Parrot, A., Les manuscrits de la Mer Morte. Le 
point de vue archéologique. RHPR xxxv 1955» 
pp. 61-67. 

Philonenko, M., Sur l’expression „corps de chair” 
dans le Commentaire d'Habacuc. Semitica V 
1955 , PP- 39 - 40 . 

Ploeg, J. van der, rum c oldm. VT III 1953, pp. 
191-192. ibidkaböd r= ame, p. 192. 

-, Les manuscrits du Désert de Juda. Etudes et 

découvertes ré cent es. BiOr xi 1954, pp. 145-160. 

- La regie de la guerre. Traduction et notes. VT 

v 1955 , PP- 373-420. 

Puyvelde, C. van, Manuscrits hébreux. Suppl. du 
Dict. de la Bible, fase. xxvii 1954 col. 793 ss.; 
mss du Dés. de Juda col. 801-819. 

Rabin, C., On a puzzling Passage in the Damascus 
Fragments. JJSt vi 1955, pp. 53 “ 54 - 

-, Notes on the Habakkuk Scroll and the Zado- 

kite Documents VT v 1955, pp. 148-162. 

-■, The Dead Sea Scrolls and the History of the 

Old Testament Text JThSt N.S. vi 1955, pp. 
174-182. 

Rabinowitz, L, A Hebrew Letter of the Second 
Century from Beth Mashko. BASOR 131, Oct. 
1953 , PP- 21-24. 

-, Sequence and Dates of the Extra-Bïblical 

Dead Sea Scroll Texts and „Damascus Frag¬ 
ments”. VT III 1953, pp. 175-185. 

-, A Reconsideration of “Damascus” and “390 

Yëars” in the “Damascus” (“Zadokite”) Frag¬ 
ments. JBL Lxxiii 1954, pp. 11-35. 

Rabinowitz, J., Note sur la lettre de Bar Kokheba. 
RB lxi 1954, pp. 191-192. 

-, Some Notes on an Aramaic Contract from the 

Dead Sea Region. BASOR 136, Dec. 1954, pp. 
15-16. 

-, A Clue to the Nabataean Contract from the 

Dead Sea Region. BASOR 139, Oct. 1955, pp. 
11-14. 

Reed, W. L., The Qumran Caves Expedition of 
March , 1952. BASOR 135, Oct. 1954, pp. 8-13. 

Reicke, Bo, Die Verfassung der Urgemeinde im 
Lichte jüdischer Dokumente. ThZ x 1954, pp. 
95-112. 

Reider, J., and W. Brownlee, On MSHTY in the 
Qumran Scrolls. BASOR 134, Apr. 1954, pp. 
27-28. 

Roberts, B. J., Some Observations on the Damascus 
Document and the Dead Sea Scrolls. Buil. of 
the J. Ryl. Libr. xxxiv 1951/52, pp. 366-387. 

- The Dead Sea Scrolls and the Old Testament 

Scriptures. Buil. of the J. Ryl. Libr. xxxvi 

1953/54, pp- 75-96. 

Rost, L., Das Verhdltnis von „Damaskus schrift” und 
„Sektenrolle”. ThLZ Lxxvn 1952, col. 723-726. 

-, Der „Lehrer der Einung” und der „Lehrer 

der Gerechtigkeit”. ThLZ lxxix 1954, col. 143- 
148. 

-, Gruppenbildungen im Alten Testament. ThLZ 

lxxx 1955, col. 1-8. 

Rowley, H. H., The Zadokite Fragments and the 
Dead Sea Scrolls. Oxford 1952. 

-, The Covenanters of Damascus and the Dead 

Sea Scrolls. Buil. of the J. Ryl. Libr. xxxv 
1952 / 53 , PP- ui- 154 - 


-, The Internal Dating of the Dead Sea Scrolls. 

(— Analecta Lovaniensia Biblica et Orientalia 
Ser. II fase. 30), Louvain 1952 (extrait de Eph. 
Th. Lov. xxvin 1952, pp. 257-272). 

-, The Dead Sea Scrolls and their Significance. 

London 1955. 

Rubinstein, A., Notes on the Use of Tenses in the 
Variant Readings of the Isaiah Scroll. VT III 
1953 , PP- 92 - 95 . 

-, The Word r? in SaadyaWs Sepher ha-Galuy. 

JJSt v 1954, P- 179 - 

--, Isaiah lvii 17 — ^SpNI ^iriDH and the DSIa 

Variant. VT iv 1954, pp. 200-201. 

-, Formol Agreement of Parallel Clauses in the 

Isaiah Scroll. VT rv 1954, pp. 316-321. 

-, The Appellation “Galileans” in Ben Kosebha’s 

Letter to Ben Galgola. JJSt vi 1955, pp. 26-34. 

-, Singularities in consecutive-tense constructions 

in the Isaiah Scroll. VT v 1955, pp. 180-188. 

-, Conditional constructions in the Isaiah Scroll 

(DSIa). VT vi 1956, pp. 69-79. 

Rüthy, A. E., Die Bedeutung biblischer Handschrif- 
tenfunde. Intern. Kirchl. Zs xxiv 1954, pp. 173- 
192. 

Schmitt, J., Sacerdoce judaïque et hiërarchie ecclé- 
siale dans les prémières communautés palestinien- 
nes. Rev. Sc. Rel. (Strasbourg) xxix 1955, pp. 
250-261. 

-, Les êcrits du Nouveau Testament et la hiër¬ 
archie ecclésiale. Bilan de cinq années de recher¬ 
che. Rev. Sc. Rel. xxix 1955, pp. 381-401; xxx 
1956 , pp. 55 - 74 - 

Schoeps, H. J., Das gnostische Judentum in den 
Dead Sea Scrolls. ZRGG vi 1954, pp. 276-279. 

Schubert, K., Bergpredigt und Texte von En Fesha. 
Tüb. Th. Quartalschr. 1955, pp. 320-337. 

Seeligmann, I. L., K. Elliger, Studiën zum Habakuk- 
Kommentar vorn Toten Meer (recension, dans 
Kirjath Sepher xxx 1954/55, PP- 36-46). 

Segal, M. H., The Promulgation of the authoritative 
Text of the Hebrezv Bible. JBL lxxh 1953, pp. 
35 - 48 . 

Segert, S., Zur Habakuk-Rolle aus dem Funde vom 
Toten Meer. Archiv Orientalni xxi 1953, pp. 
218-239; xxii 1954, 99-113; 444-459; xxiii 1955, 
178-183; 364 - 373 ; 575 - 619 - 

-, Ein alter Bericht über den Fund hebrdischer 

Handschriften in einer Höhle. Archiv Orientalni 
xxi 1953, pp. 263-269. 

Sellers, O. R., A possible Old Testament Reference 
to the Teacher of Righteousness. Isr. Expl. 
Journ. v 1955, pp. 93 ss. 

Silbermann, L. H., The tzvo “Messiahs” of the 
Manual of Discipline. VT v 1955, pp. 77-82. 

Sjöberg, E., The Restauration of Col II of the Ha¬ 
bakkuk Commentary of the Dead Sea Scrolls. 
Stud. Theol. Lund iv 1951, pp. 120-128. 

Skehan, P. W., A Fragment of the (e Song of Mo¬ 
ses” (Deut. 32) from Qumran. BASOR 136, 
Dec. 1954, pp. 12-15. 

-, Exodus in the Samaritan Recension from 

Qumran. JBL lxxiv 1955, pp. 182-187. 

-, The Text of Isaias at Qumran. CBQ xvn 

1955 , PP- 158-163. 

Sonne, I., The x-Sign in the Isaiah Scroll. VT iv 
1954 , PP- 90 - 94 - 


LÉS MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 194^ DANS LE DESERT DE JUDA 


StArcky, J., Un contrat nabatéen sur papyrus. RB 
lxi 1954, PP- 161-181. 

Stauffer, E., Das “Gesetz der Freiheit” in der 
Ordensregel von Jericho. ThLZ lxxvii 1952, 
col. 527-532. 

Szyszman, S., A propos du Kar disme et des text es 
de la Mer Morte. VT II 1952, pp. 343-348. 

-> Une visite au Caire. VT iv 1954, pp. 201-205. 

Talmon, S., The Sectarian *7rP— A Biblical Noun. 
VT III 1953, pp. 133-140. 

-, A Case of Abbreviation resulting in Doublé 

Readings. VT rv 1955, pp. 206-208. 

-> Documents of the Bar-Kochba Period. JJSt 

III 1952, pp. 53-55. 

-> The Teaching of the Pre-Pauline Church in 

the Dead Sea Scrolls. JJSt III 1952, pp. 111-118; 
139-150; iv 1953, 1-13; 49 - 58 ; 93-103; I 39 -I 53 - 

-■, Documents of the Bar- Kochba Period. JJSt 

iv 1953 , PP- 132-134. 

-, Jesus y Sayings in the Dead Sea Scrolls. JJSt 

v 1954 , PP- 38-40. 

-, Are the Bar Kokhba Documents Genuine? JJSt 

v 1954, PP- 39-40. 

-, The Habakkuk Scroll. JJSt v 1954, pp. 47-59. 

-■, Priests and Sacrifices in the Dead Sea Scrolls. 

JJSt v 1954, pp. 93-99. 

--, Puzzling Passages in the Damascus Fragments. 

JJSt v 1954, pp. 139-147- 

-, The Cristian Intcrpretation of the Sign x in 

the Isaiah Scroll. VT v 1955, pp. 189-198. 

Testuz, M., Deux fragments inédits des manuscrits 
de la Mer Morte. Semitica v 1955, pp. 37-38. 

Trever, J. C., Studies in the Problem of Dating the 
Dead Sea Scrolls. Proceedings of the Amer. 
Philos. Soc., xcvii 1953, pp. 184-193. 

Vaux, R. de, Comptes rendus des séances de VAca¬ 
démie des Inscriptions et Belles Lettres ; séance 
du 4 avril 1952. 

- Fouille au Khirbet Qumran. RB lx 1953, 

pp. 83-106. 

-, La seconde saison de fouilles a Khirbet Qum- 

rdn. La Nouv. Clio v 1953, pp. 407-409. 

-■, Les grottes de Murabba c at et leurs documents. 

RB lx 1953, pp. 245-267. 

-, Quelques text es hébreux de Muraba c at. RB lx 

1953, PP- 268-275. 

-■, Exploration de la région de Qumran. Rapport 

préliminaire. RB lx 1953, pp. 540-561. 

-, Fouilles au Khirbet Qumran. Rapport préli¬ 
minaire sur la deuxième campagne. RB lx 1954, 
pp. 206-236. 

-, Khirbet Qumran (communication du R. P. de 

Vaux... La troisième campagne de fouilles), RB 
LXI 1954, pp. 567-568. 

Vermès, G., Les manuscrits du Désert de Juda. 
Paris 1953 1 , I 954 2 - 

-, Oü en est la question des manuscrits de la 

Mer Mortel Cahiers Sioniens I 1953, pp. 3-16. 

-, Le cadre historique des manuscrits de la Mer 

Morte. Rech. Sc. Rel. xli 1953, pp. 5-29; 203- 
230. 

.-> A propos des commentaires bibliques décou- 

verts d Qumran. RHPR xxxv 1955, pp. 95-103. 

-, Quelques traditions de la communauté de Qum- 

rdn d’après les manuscrits de VUniversité Hé- 


115 

brdique. Cahiers Sioniens ix 1955, pp. 25-58. 

Vincent, A., Les mamiscrits hébreux du Désert de 
Juda. Paris 1955. 

-, Les manuscrits du Désert de Juda. Bible et 

Vie Chrétienne, n° 7, 1954, pp. 122-127. 

-, Les documents du Désert de Juda et la Bible. 

Bible et Vie Chrétienne, n° 8, 1954/5, pp. 105-112. 

Vogt, E., Nova Manuscripta deserti Juda.... Biblica 
xxxiv 1953, pp. 416-422; ibid. Fragmenta Pro- 
phetarum minorum deserti Juda, pp. 423-426. 

-> Antiquum kalendarium sacerdotale. Biblica 

xxxvi 1955, pp. 403-408; ibid. Dies ultima coenae 
Domini, pp. 408-413. 

Wallenstein, M., Some Lexical Material in the 
Judean Scrolls. VT IV 1954, pp. 211-214. 

-, A Hymn from the Scrolls. VT V 1955, pp. 

277-283. 

-, A Striking Hymn from the Dead Sea Scrolls. 

Buil. of the J. Ryl. Libr. xxxviii 1955/56, 
pp. 241-265. 

Wechsler, T., The Origin of the so-called Dead 
Sea Scrolls. JQR xliii 1952/53, pp. 121-139. 

Wernberg-M0ller, P., Observations on the Inter- 
change of S 7 and H in the Manuel of Disci¬ 
pline. VT III 1953, pp. 104-107. 

-> Notes on the Manuel of Discipline (DSD) 

I 18, II 9, III 1-4, 9, VII 10-12, and XI 21-22. 
VT III 1953, pp. 195-202. 

-> pTS- pHB and pVTS in the Zadokite Frag¬ 
ments ( CDC), the Manual of Discipline (DSD) 
and the Habakkuk-Commentary (DSH). VT III 
1953 , PP- 3 IO- 3 I 5 - 

-, Some Reflections on the Biblical Material in 

the Manual of Discipline. St. Theol. Lund ix/i, 
1955 , PP - 40-66. 

Wieder, N., The Doctrine of the tzvo Messiahs 
among the Karaites. JJSt vi 1955, pp. 14-23; 

24-25. 

- , The Habakkuk Scroll and the Targum. JJSt 

iv 1953 , PP- 14-18. 

-, The “Law-Interpreter” of the Sect of the 

Dead Sea Scrolls: the Second Mos es. JJSt iv 
1953 , PP- 158-175. 

-, The Term f p in the Dead Sea Scrolls and in 

Hebrezjv Liturgical Poetry. JJSt v 1954, pp. 
22-31. 

-, The Scrolls from the Dead Sea. New York 

W iesenberg, E., Chronological Dates in the Zado¬ 
kite Fragments. VT v 1955, pp. 284-308. 

WiLSON, E v A Reporter at Large. The Scrolls from 
the Dead Sea. The New Yorker, 14 May 1955, 
pp. 45-121. 

- , The Scrolls from the Dead Sea. London 

1955 - 

Winter, P., Notes on Wieders Observations on 
the 7 [' m ) m \r\ 7 W)'y\ 1 in the Book of the New Coven¬ 
anters of Damascus. JQR xlv 1954/55, pp. 39-47. 

-, Ben Sira and the Teaching of “Two Ways”. 

VT v 1955, pp. 315-318. 

Woude, A. S. van der, Het Habakkuk commentaar 
van c Ain Faschka. Vox Theologica xxiv 1953/54, 
pp. 47-54. 

Yadin, Y., A Note on DSD IV 20. JBL lxxiv 1955, 
pp. 40-43. 

-, The Scroll of the War of the Sons of Light 









n6 


LES MANUSCRITS TROUVES DEPUIS 1947 DANS LE DESERT DE JUDA 


against the Sons of Darkness. Jérusalem 1956 
(en hébreu moderne). 

Zeitlin, S., The Hebrew Pogrom and the Hebrew 
Scrolls. JQR XLiii 1952/53, pp. 140-152. 

-, The Mishna in Yadaim IV and “The Secta- 

rans JQR xliii 1952/53, PP- 297-300. 

-, The Fiction of the Recent Discoveries near 

the Dead Sea . JQR xliv 1953/54, pp. 85-115. 

-, The Antiquity of the Hebrew Scrolls and the 


Piltdown Hoax: a Parallel. JQR xlv 1954/55, 
pp. 1-29. 

-, The Essenes and Messianic Expectations. JQR 

xlv 1954 / 55 , PP- 83-119. 

-, A Note on the Fiction of the “Bar Kokba** 

Letter. JQR xlv 1954 / 55 , PP- 174-180. 

-, The Propaganda of the Hebrew Scrolls and 

the Falsification of History. JQR xlvt 1955/56, 
PP- 1 - 39 ; 116-180. 


Lorsque le manuscrit de eet article avait déja été envoyé a Timprimerie, le professeur 
H. H. Rowley (que je remercie ici pour son obligeance) a attiré mon attention sur quelques 
titres d’études qui méritent d’être mentionnés dans la bibliographie et dont je cite ci-après les 
plus importantes, avec quelques titres d’études nouvellement parues. Un article non signé 
composé de Communications de plusieurs auteurs, signale oü en est le travail d’édition des 
fragments manuscrits de Qumran, RB xliii 1956, pp. 49-67. A Jérusalem une communication 
a été faite le 3.2.1956 sur 1 ’ouverture du prétendu rouleau de Lamech, que 1 ’évèque jacobite 
du couvent de Mar Markos avait acheté et qui est maintenant en Israël. Une grande partie 
du rouleau doit être considérée comme perdue; la partie conservée (4 colonnes complètes, 
de grandes parties de 5 colonnes, des fragments du reste) montre que le rouleau n’est pas 
un ,,Livre de Lamech”, mais une traduction araméenne de plusieurs chapitres de la Genèse, 
parsemée de légendes concernant la vie des patriarches, qui rappellent, dans leur style et ter¬ 
minologie, le Livre des Jubilés.-Lt 2.6.1956 une communication émanant de 1 ’Ecole biblique et 
archéologique de Jérusalem a été faite en quatre différents pays, concernant le texte des 
rouleaux de cuivre, lu par J.-T. Milik. C’est une liste de trésors cachés en plusieurs endroits 
en Palestine et dont on pense qu’il n’a aucune valeur réeile; elle serait intéressante „pour 
l’histoire du folklore”, non pour les archéologues ou les chercheurs de trésors.- Dans The 
Times de Londres, R. de Vaux, J.-T. Milik, P. W. Skehan, J. Starcky, J. Strugnell 
ont publié une lettre dans laquelle ils donnent un démenti catégorique de certaines prétentions 
de J. Allegro, de 1 ’université de Manchester. Dans quelques conférences radiodiffusées 
Allegro avait dit d’avoir découvert en des textes non encore publiées que le Docteur de 
justice des DSS avait été crucifié, que son corps avait été gardé par ses disciples en attendant 
sa résurrection au jour 'du jugement, etc. Les cinq auteurs déclarent formellement qu’ils n’ont 
trouvé rien de pareil dans les textes qui avaient été mis a la disposition de J. Allegro. 


Bardtke, H., Considêrations sur les cantiques de 
Qumran. RB lxiii 1956, pp. 220-233. 

Carmignac, J., Les citations de 1’Ancien Testament 
dans } ,La Guerre des Fils de la Lumière contre 
les Fils des tênèbres RB lxiii 1956, pp. 234- 
260. 

Dupont-Sommer, A., Les Fsséniens. Evidences 
(Revue publiée sous 1 ’égide de TAmerican Jewish 
Committee, Paris), vn 1956, no. 54, pp. 19-25; 
no. 55, 27-34; no. 56, II-25; no. 57, 9-23; no. 
58 , 27-39. 

Johnson, S. E., Paul and the Manual of Discipline, 
Harv. Th. Rev. xbvm 1955, pp. 157-165. 

Kuhn ,K. G., Die beiden Messias Aarons und Is- 
raels, ThLZ lxxix 1954, col. 760SS. 

-, Beitrdge zum V erstöndnis der Kriegsrolle von 

Qumran. ThLZ lxxxi 1956, col. 25-30. 

Libby, W. F., Radiocarbon Dating, Endeavour xm, 
no 49, Jan. 1954, pp. 5-16. 

Licht, J., The Doctrine of DST. Isr. Expl. Journ. 
vi 1956, pp. 1-13. 

Löfgiren, O., Zur Charakteristik des „vorma- 
soretischen” Jesajatekstes, Donum natalicium H. 
S. Nyberg oblatum, 1955, pp. 171-184. 


Molin, G., Qumran-Apokalyptik-Fssenismus. Eine 
Unterströmung im sogenannten Spdtjudentum. 
Saeculum vi 1955, pp. 244-281. 

Muilenburg, J., The Beginning of the Gospels and 
the Qumran Manual of Discipline. Union Semina- 
ry Quaterly Review x 1955, pp. 23-29. 

Rabin, G, The „Teacher of Righteousness” in the 
„Testaments of the Twelve Patriarchs”? JJSt 
III 1952, pp. 127 ss. 

Rabinowitz, J. J., The legal Document from Mura- 
ba c at. Biblica xxxv 1954, pp. 198-206. 

Reicke, Bo, Tracés of Gnosticism in the Dead Sea 
Scrolls? NTSt I 1954, pp. 137-141. 

Rubinstein, A., Isaiah ui 14 —DnWft— and the 
DSIa Variant. Biblica xxxv 1954, pp. 475-479. 

Schoeps, H. J., Ebionite Christimity. JThSt, N.S., 
iv 1953 , PP- 219-224. 

Scott, R. B. Y., Treasures from Judaean Caves. 
The Story of the Dead Sea Scrolls. Toronto 
1955 . 

Stracmans, M., A propos de deux êtendards ptolé- 
mdiques. La Nouvelle Clio v 1953, pp. 163-171. 

Vaux, R. de, Khirbet Qumran (communication ), 
RB lxiii 1956, pp. 73-74. 


J. v. D. Pl. 


NAAR AANLEIDING VAN EEN INSCRIPTIE UIT SO<AR 

zie Plaat II 


So c ar’s ruïnen liggen dicht bij het plaatsje Ghor es-Safï, zuid-zuidoostelijk van de Dode 
Zee, vlak aan de bergrand van Moab. De streek onderscheidt zich van de overige kustge¬ 
bieden der Dode Zee slechts door de breedte, evenals de vlakte ten N van de zee. Tot ver in 
het zuiden strekt zich de vlakte uit. Ze bevindt zich een 350 meter beneden het niveau van de 
Middellandse Zee. Stenen en pekhoudende bobbels tekenen zich af op de grijsgrauwe grond, 
die sterk zouthoudend is. Zo nu en dan echter wordt het oog getroffen door struiken, soms 
felgroen, in een verrassende tegenstelling tot de omgeving. Daar vindt men zoetwaterbronnen, 
die reeds in de oudheid zowel de oevers van de Dode Zee als die van het meer van Tiberias 
aantrekkingskracht gaven. Ik noem slechts de buitenplaats van Herodes aan de Moabietische 
oever van de Dode Zee. Sommige bronnen brengen heet water aan de oppervlakte en worden 
bezocht door hen die genezing van bepaalde ziekten zoeken. 

De aanwezigheid van bronwater, wellicht ook irrigatie van het omliggende bergland uit, 
maakt een talrijker bewoning dezer streken dan tegenwoordig het geval is niet onwaarschijn¬ 
lijk. De overlevering spreekt van stadstaatjes en onder die komt ook So c ar voor. Voordat 
Jhwh Sodom en Gomorra har 3 verwoest, heet het in Genesis xm 10, was de streek van de 
Jordaan rijk aan water, °als de hof van Jhwh, als het land Egypte, tot aan So c ar toe c . De 
koning van So c ar, toen nog Bela c geheten, behoort tot het bondgenootschap van vijf vorsten, 
die zich tegen de vier koningen uit Gen. xiv verzetten. Een veldslag in de vlakte, het dal 
Siddim bij de Zoutzee, loopt in hun nadeel af. Ze vluchten door het pekrijke gebied het 
bergland in. In het verhaal van de verwoesting van Sodom en Gomorra, Gen. xix, komt 
So c ar, °de kleine 0 , voor als de plaats waarheen Lot vlucht, maar waar hij tenslotte toch niet 
durft blijven. Lot gaat nog verder oostwaarts, het Moabietische bergland in. In de boeken 
Jesaja en Jeremia komt So c ar voor als een plaats in Moab,-resp. xv 6 en xlviii 34, terwijl 
de plaats als grensaanduiding dienst doet voor het gebied dat Moses op Nebo wordt getoond, 
Deut. xxxiv 3. 

In Mei 1953 was ik in de gelegenheid enkele gebieden bij de Dode Zee te bereizen 
waaronder gedeelten van Moab. De (toenmalige) directeur van de Oudheidkundige Dienst 
van Jordanië, G. Lankaster Harding, liet mij in het nieuwe Nationale Museum in Amman *) 
een steen met een inscriptie zien, afkomstig uit So c ar. Harding toonde mij ook een foto van 
de steen en vertelde dat G. R. Driver de tekst zou publiceren in het tweede deel van het 
Jaarboek van de Oudheidkundige Dienst in Jordanië. Driver’s bewerking van de tekst 
is enkele weken geleden verschenen 2 ). Daar Harding mij toestond de inscriptie in 
Amman te bestuderen ben ik thans in de gelegenheid mijn resultaat te vergelijken met dat 
van Driver. In het Israëlische deel van Jerusalem vernam ik ongeveer een maand na mijn 
verblijf in Amman dat de Joodse archaeoloog E. L. Sukenik de inscriptie tezamen met twee 
andere in 1945 heeft uitgegeven 3 ). Hier volgt een vertaling van de steen uit Amman, waarbij 


D Nu Jerusalem (al-Quds) voor het koninkrijk 
Jordanië een grensstad is geworden, werd Amman 
hoofdstad. De bewonderenswaardige ijver, waarmee 
in de jonge staat het lange verleden van het rijks¬ 
gebied wordt bestudeerd, heeft geleid tot de stich¬ 
ting van een nieuw museum, naast het bekende 
Palestijnse archaeologische in Jerusalem, dat onder 
een curatorium staat, waar de directeur van de 
Oudheidkundige Dienst zitting in heeft. Ammon, 
Moab en bijna geheel het Oudtestamentische Israël 
behoren tot Jordanië. 

2 ) Annual of the Department of Antiquities, Vol. 
II, 1953 , PP- 64S. 

3 ) In de tweede aflevering van het sinds dien niet 


meer verschenen tijdschrift Kedem, Jerusalem 1945 
(in Ibriet). In dit nummer staan nog enkele bijdra¬ 
gen over deze inscripties, waarvan ik er beneden 
een aanhaal. 

In het Jaarboek vindt men een foto van twee 
stenen, evenals in Kedem, plaat 6. Mijn reisgenoot, 
Dr H. J. Franken, vervaardigde vijf opnamen van 
de steen in Amman (zie Plaat II). 

A. E. Cowley heeft de tekst van een der drie 
stenen (niet degene waarover hier wordt gehandeld) 
het eerst uitgegeven, in Pal. Expl. Fund Quarterly 
Statement 1925, pp. 207-210. Zie ook S. Daiches 
over die steen in het zelfde tijdschrift in 1926, 
PP- 3is. 










NAAR AANLEIDING VAN EEN INSCRIPTIE UIT SO c AR 


118 


ik gelegenheid heb op te merken waar ik overeenstem met of afwijk van andere transcribeurs 
en vertalers. De steen met inscriptie die door Cowley werd uitgegeven, werd door H. St J. B. 
Philby in 1925 ontdekt bij inwoners van Ghor es-Safi, die vertelden dat hij in de ruïnes van 
Qasr al-Tuba was gevonden. Over de expeditie naar Moab en de Dode Zee, die ook onze in¬ 
scriptie onder de aandacht van de onderzoekers bracht, vindt men in BASOR 14, 1924, van de 
hand van W. F. Albright een uitvoerig bericht. 

De steen uit Amman nu, die het nummer J376 draagt, is 24 cm lang, 17,5 cm breed en 
4,9 cm dik. Het is een vrij harde zandsteen, een steensoort die ter plaatse wordt aangetroffen. 
De inscriptie is rood omlijnd. Evenals de twee andere reeds genoemde inscripties is het een 
graf opschrift. 


Tekst 


Vertaling 


nrcsa mn 
nmn nno*n 
nnnn nsn 
ttnw irvn 
nüötn 31 nron 
m nVn na» 
p-mV jw iö 
ntrnpö rva 
□iVw nüw 
nVii (?) 


1. Dit is de grafsteen 

2. van Ester, de dochter 

3. van c Idjo, die stierf 

4. in de maand Sebat, 

5. van het derde jaar der Jaarweek, 

6. het drie honderd 

7. zes en veertigste j ar van de jaren sedert de verwoesting 

8. van het Heiligdom. 

9. Vrede, vrede. 

10. (?) eerloze. 


5 ). Sukenik per abuis h.l.nitP; in zijn commentaar evenwel de juiste lezing. Driver i.p.v. TOW7 : 
ter wille van de dateringsmoeilijkheid. De lezing HOÖttH staat evenwel vast, en wordt bovendien gesteund 
door de parallele uitdrukking op de twee andere stenen. 

7 ).1?3met Cassuto, Kedem ii. Sukenik en Driver lezen Itt. 

10 ). Sukenik: pnVtt; Driver: hVö. 


De aandacht mag gevestigd worden op de slotletter H in nrna, ntpfcttf» die 

hier duidelijk de stat. emphat. aangeeft. Vgl. CIS, 2e deel, No 162 T\b mn '7 mün 
nVs?n niHX waarvan de Griekse tekst luidt ’O8aiva0o<; ’Aw/jXou oxxoSóp/yjcrev ty)v (7ty)Xy)v 
/ appocTT] ty) auTou yuvaixi. No 4210: 

nn aVn h nn 
Vsn 'Vo nn nnnna 
548 nwn 
18 nv po nTn 

RES 1265 nnx nn rnim; RES i 868 rQK.LiDZBARSKi, Ephem. I p. 205 de naam met een 
3 alef Knx nn. In Ber. rabba weer TDK x 8, xi 6; beide malen met een variant xnN. Andere 
voorbeelden uit Ber. rabba: HDpty, xn 9; n*C ]TP '7 xu 10. Zie ook Jastrow, Dic- 
tionary s.v. fcPnM, var. rP'TO. Uit de teksten onlangs in Murabba c at gevonden : regel 2 van het 
contract ]n VW'b en in de brief nW?). 

De betekenis c grafsteen 3 , grafmonument van het woord nefes was reeds bekend, zie 
onder anderen B. D. Eerdmans in De Godsdienst wan Israël, deel II, p. 99 (1930). 

De lezing van het laatste woord is niet duidelijk. Het woord, dat niet de normale regel 
volgt, kan ook later zijn toegevoegd. Het scheldwoord dégénérêe'ï (nbll = nVm.) 

De inscriptie bevat een dubbele datering. Maand en jaar van het zevental jaren, de 
Jaarweek, Semitta, worden genoemd benevens het aantal jaren dat verlopen is sinds de ver¬ 
woesting van de tweede tempel. Sukenik’s en ook DriverX lezing van het eerste woord van 
de zevende regel: min, waardoor de tweede datering wordt: ,het drie honderdste jaar van de 
jaren sedert de verwoesting van het Heiligdom’ brengt de moeilijkheid mee dat de twee jaar- 


NAAR AANLEIDING VAN EEN INSCRIPTIE UIT SO c AR II9 

tallen verschillen. De verwoesting van de tweede tempel wordt in de Joodse chronologie ge¬ 
steld in 68/69 van de Christelijke jaartelling. Met de lezing: 'het 300e jaar sedert de ver¬ 
woesting’ komt men dus tot het jaartal 368/369 na Chr. De eerste datering noemt het derde 
jaar van een Jaarweek. Hierbij is 6 ?J 6 g een vast punt, daar dit een Sabbatsjaar geweest is. 
Maar van dit vaste punt komt men niet met de datum van de steen op 368/369, doch op 
365/366, zoals Driver berekent. Dit verschil is voor hem de aanleiding om de eerste datering 
te wantrouwen. Hoewel hij zelf op enkele onzekerheden wijst in zijn lezing, meent hij dat 
in regel 5 niet ,van de Jaarweek’, maar ,en zeventig’, [psnBft kan worden gelezen. Het komt mij 
voor dat dit niet mogelijk is. Niet alleen omdat de tekst meer steun biedt aan de lezing HÜÖEn, 
— let op de daleth, en de teth, ook op de foto’s duidelijk zichtbaar — maar ook door de 
parallellen: de twee andere graf inschriften hebben beide ook de lezing semitta in een dub¬ 
bele datering. Bovendien is de uitdrukking min s e nin zeer vreemd, waarop Driver zelf reeds 
wijst. 

De regels van het inschrift beginnen op een zelfde afstand van de omlijsting, behalve 
regel 7. Voor de letter m.em is plaats voor een andere letter, De letter na de mem wijkt af 
van de gebruikelijke schrijfwijze van de nun. Ik meen derhalve dat Cassuto ons de juiste 
lezing van het eerste woord van regel 7 aan de hand doet. Hij vermoed 4 * dat er een waw voor de 
mem gestaan heeft en dat we moeten lezen: wmw, hetgeen een cijfer aanduidt: ,en 46’. Hier¬ 
mee zijn we van de vreemde lezing ,min l^nin’ af en is de overeenstemming in de twee da¬ 
teringen aanwezig. Het is de vijftigste Jaarweek na de verwoesting van de tweede tempel 
en daarvan het derde jaar, dat is, 343 + 3 = 346 jaren, 49 volle Jaarweken plus 3 jaren. 
De datum van Ester, Idjo’s dochter’s sterfdag is dus in de maand Sebat van het jaar 414/415. 
De aanvang van een Jaarweek is het Joodse jaarbegin, de maand Tisri, blijkens het Misna- 
tractaat Ros hasana I 1. De verwoestingsjaren beginnen met de 9e Ab. Ester is dus ongeveer 
februari 415 gestorven. 

Over Ester is niets naders bekend 4 ). De wijze waarop haar vader of haar echtgenoot haar 
verscheiden dateert vormt de aanleiding voor enkele beschouwingen over het Sabbatsjaar. De 
datering van een diep in het leven ingrijpende gebeurtenis af vinden wij in vele tijden en bij 
vele volken. Ik zou de datering uit Amos I 1 ,twee jaar voor de aardbeving’ en die uit onze 
eigen tijd ,het zoveelste jaar na de oorlog’ kunnen noemen. De verwoesting van de tweede 
tempel vormt voor het Joodse volk een scherpe caesuur Door haar begon het volksbestaan 
zonder geografisch centrum, door haar werd het tijdperk van de tempeldienst afgesloten. Het 
mag geen bevreemding wekken dat men de jaren berekende van dat ongeluksjaar af. De 
eerste datering op de grafsteen, die met het sabbatsjaar rekent, wijst op het naleven van de 
bepaling uit de Tora, Ex. xxin 10, 11 en Lev. xxv 2-7. Ge zult, heet het in Exodus, zes 
jaren het land bezaaien en de oogst binnen halen, maar het zevende jaar moet ge het braak 
laten liggen — snit —, het laten voor wat het is — nts —, de armen des volks profiteren 
hiervan en het gedierte des velds van hetgeen deze armen overlaten. Hetzelfde geldt van de 
bewerking van wijngaard en olijfboom. Leviticus noemt deze bepaling een sabbat van Jhwh, 
ook een sabbat sabbaton. Mens en dier leven van hetgeen zonder menselijk toedoen groeit. 

Er zijn enkele gegevens die er op wijzen dat tijdens het bestaan van de tweede tempel 
het sabbatsjaar in acht werd genomen. Zo wordt in het eerste boek der Makkabeeërs, vi 
48S, verhaald: ,En hij sloot vrede met de inwoners van Betsura; want zij kwamen de stad uit 
omdat zij geen voedsel bezaten om daarin opgesloten te blijven; het was namelijk een sabbat 
voor het land’. Na de belegering vindt de koning geen voedsel in de voorraadkamers, ,omdat het 
het zevende jaar was’. Ook in de Misna en in de Talmud wordt het sabbatsjaar verondersteld. 
Getuigen worden op de proef gesteld met de vraag: In welke Jaarweek?, (vgl. de (jaar)week 
uit Dan. ix 24S), Sank. v 1. In Neh. x 32 wordt de semitta afzonderlijk als verplichting ge- 

4 ) L. H. Vincent schreef naar aanleiding van R.B. xxxvi, 1927, pp. 401S, Une cohmie juive oubJiêe. 
de vondsten een artikel over de Joodse kolonie in 











120 


NAAR AANLEIDING VAN EEN INSCRIPTIE UIT SO c AR 


noemd, hier verbonden met de bepaling van Deut. xv i-n, het verbod om schulden in te 
vorderen in het zevende jaar, het jaar der kwijtschelding. 

Leviticus spreekt met nadruk over het beloofde land, waarin de verplichting van het 
sabbatsjaar zal gelden. Ook in het Misnatractaat Seb'Eit, ,het zevende jaar', komt de bepaling 
voor dat het gebied waar de semitta-plicht geldt beperkt is, vi is. De vaststelling van het ge¬ 
bied vormt zelfs een overweging bij de emigratiepolitiek der geestelijke leiders, Jad. iv 3 over 
Ammon en Moab. 

In de begintijd van de kolonies van Joodse immigranten in Palestina, eind vorige eeuw, 
is het al dan niet houden van de bepalingen betreffende het sabbatsjaar nog wel een moei¬ 
lijkheid geweest. Orthodoxe leiders hebben de grote geldschieter der eerste kolonisatie, Baron 
Edmond de Rothschild, zelfs kunnen bewegen dat hij de arbeid in het sabbatsjaar verbood. 
De snelle groei van het moderne Joodse leven in een gedeelte van het Palestijnse land ging 
evenwel grotendeels buiten het orthodoxe geloof om, zodat de moeilijkheden verbonden aan 
de inachtneming van de bepalingen slechts in een zeer kleine kring worden gevoeld. 


Wat kan de betekenis van een instelling als het sabbatsjaar geweest zijn? Tacitus zal de 
roos wel niet getroffen hebben, wanneer hij opmerkt, na de sabbat vermeld te hebben, dat hun 
de luiheid zo goed beviel dat ze ook het zevende jaar daartoe bestemden 5 ). 

Gispen 6 ), die een uitvoerig en nauwkeurig bewerkt commentaar op het boek Leviticus 
heeft geschreven, meent dat de betekenis is een versterking van de prediking die elke sabbat 
is, namelijk dat alle arbeid betrekkelijke waarde heeft. Het doel van de arbeid, zijn kroon, is 
de rust, de sabbat voor Jahwe. Niet de gestage arbeid op het veld en in de wijngaard, maar 
Jahwe als de Gever van hun land is de voornaamste factor. Anderen, zo laatstelijk Beer 7 ), 
denken aan een samengaan van religieuze motieven en practische ervaringen. Men gunt de 
bodem rust, om de bebouwbaarheid te handhaven en zo mogelijk te vergroten. Tegelijkertijd 
verzekert men zich zo van de gunst van vegetatie-geesten. 

Het lijkt duidelijk dat in de latere tijd de aandrang het i^mto-jaar te houden meer voort¬ 
komt uit trouw jegens bepalingen, die in het goddelijke Boek staan en uit het geloof dat slechts 
nauwgezette vervulling dier geboden de dag der bevrijding kan te weeg brengen, dan uit een 
verstaan van de betekenis van semitta zelf. 

Eerdmans is bij zijn bespreking van het sabbatsjaar 8 ) meer bezig met de vragen om¬ 
trent de tijdrekening dan met de godsdienstige betekenis van het gebruik. Bij de bespreking 
van het Jobeel-jaar, dat volgt in Lev. xxv, geeft hij wel een poging tot verklaring. Hij speurt 
in de gebruiken van het vijftigste jaar (de teruggave van akkerbezit aan de oorspronkelijke 
eigenaar) een voortbestaan van een oorspronkelijk commuun bezit in een tijd waarin het 
privaatbezit opkwam 9 ). 

In de lijn van deze gedachte zou men semitta ook kunnen zien als een taai standhoudende 
herinnering aan een vroeger bestaan, waarin het rondtrekkende leven geen gelegenheid bood 
voor een continue bebouwing van het land. Semitta zou dan een soort van accoord zijn tussen 
een oude tijd en een nieuwe, die het seditaire bestaan kent. Eerdmans, die de ouderdom van 
de bepalingen over akkerbouw in de Tora heeft verdedigd, was geen aanhanger van de theorie 


5 ) Historiae II 4 ,dein blandiente inertia septimum 
quoque annum ignaviae datum', „daarop wijden zij 
ook het zevende jaar aan de traagheid, daar de lui¬ 
heid hun goed beviel". Tacitus’ berichten over de 
Joden zijn niet alle betrouwbaar. In deze opmerking 
kan men ook het overigens oppervlakkige oordeel van 
een westerling over de oosterling beluisteren. Vgl. 
het oordeel van de uit het westen gekomen Israëli 
over Joden uit het oosten en over Arabieren! 

Over Tacitus en de Joden handelt de dissertatie 
van A. M. A. Hospers-Jansen, Utrecht 1949. 


6 ) W. H. Gispen, Het Boek Leviticus, Kampen 
1950 , p. 349 S. 

7 ) G. Beer, Exodus HzAT, 1939, p. 119. 

8 ) B. D. Eerdmans, De godsdienst van Israël, 
deel II, p. 8is. In Alttestamentliche Studiën, III 
(Exodus), 1910, wordt onze passage niet behandeld. 
In iv (Leviticus), 1912, vinden we de achtergrond 
van hetgeen in ‘de Godsdienst van Israël’ staat. 

9 ) In het voorbij gaan zij gewezen op Eerdmans’ 
vernuftig betoog over de verschillen tussen semitta 
en sabbatsjaar en d e ror -jaar Alttest. Stud. iv, p. 
i2is. 


121 


NAAR AANLEIDING VAN EEN INSCRIPTIE UIT SO c AR 

dat de Hebreeërs eens nomaden waren. Misschien ligt hier de reden dat hij aan semitta geen 
verklaring gaf in de geest van zijn verklaring van het Jobeel-jaar. 

Wanneer ik aan het Judese landschap terug denk en zeer in het bizonder ook aan de ge¬ 
bieden bij de Dode Zee, waaruit de grafstenen komen, die in hun datering duidelijk blijk ge¬ 
ven dat semitta een werkelijkheid voor de daar wonende Joden geweest is, komt bij mij het 
vermoeden op dat het gebruik van het braak laten liggen van akker en boomgaard een gods¬ 
dienstige betekenis gehad kan hebben, die nauw samenhangt met de gesteldheid van de bodem. 

Alvorens U mijn vermoeden te zeggen breng ik enkele OTische teksten in herinnering, 
die over de vloek der ballingschap handelen, Lev. xxvi 34, 35, 43 en 2 Kron. xxxvi 21. De 
steden zullen een puinhoop zijn en de akkers zullen woest liggen. De chaos is weer gekeerd 
en dit wordt uitgedrukt onder meer door ,dan zal het land zijn sabbatsjaren vergoed krijgen’. 
Zij die op deze wijze de tijd van verlatenheid en verwoesting hebben kunnen beschrijven, 
hebben semitta, het jaar van het braakliggen van de akker, gezien als een manifestatie van de 
chaos. 

Ook in oud Israël kende de gelovige zijn god als de overwinnaar van de chaos. Zijn re¬ 
gelende macht bedwingt hemelmachten en aardwezens. De hemelmachten worden aan banden 
gelegd, de doornen en distelen worden verbrand. De bebouwing, mogelijk met de hulp van 
bron en opgevangen hemelwater, de groei van wijngaard en olijfboom, het zijn de tekenen 
van het leven uit de dood. Onwillekeurig gaan mijn gedachten naar de plekken in het over¬ 
wegend dorre land, waar bebouwing mogelijk is. De tegenstelling van dood en leven, de over¬ 
winning van de chaos, het wettigt al het vermoeden dat de gelovigen het leven uit de dood er¬ 
varen hebben als de daad van hun god. Hun akkerbouw is het staan in de dienst van die leven 
brengende god, op wien dan ook de wetten voor de landbouw teruggaan. Kan het niet zijn 
dat een regelmatig terugroepen van de chaos, een periode waarin zij met hun vee door vlakte en 
bergen getrokken zullen zijn, de religieuze betekenis van de bebouwing van akker en gaarde 
onderstreepte ? 

Het Leven uit de Dood. Wie onzer zou bij deze woorden niet denken aan Kristensen, 
die bijkans een halve eeuw in ons Leidse theologische leven verkeerde. Het is met een eer¬ 
biedige herinnering aan hem dat ik dit college 10 ) besluit. 

Leiden, 1954 P. A. H. de Boer 


10 ) Gehouden op de Leidse dies, 1954. 



OVERZICHT VAN DE OUDTESTAMENTISCHE THEOLOGIE 


inleiding; god uit zich in zijn beeld; god uit zich in zijn naam; god uit zich in 

ZIJN WOORD; GOD UIT ZICH IN ZIJN MESSIAANSE BELOFTEN 

De oudtestamentische theologie heeft sinds de eerste wereldoorlog een voortdurend grotere 
vlucht genomen. De belangstelling voor godsdiensthistorische problemen, die op het einde van 
de vorige eeuw een hoogtepunt bereikte, heeft zich voortgezet in de godsdienstvergelijkende 
wetenschap en heeft daarenboven een oudtestamentische theologie in het leven geroepen. De 
vele werken die over de theologie van het Oude Testament handelen, leggen een sprekende 
getuigenis af van de groeiende belangstelling. Enige jaren geleden heeft N. W. Porteous 
een volledige en overzichtelijke samenvatting gegeven van de verschillende opvattingen en 
uitwerkingen van de oudtestamentische theologie 1 ). Sinds deze publicatie zijn er slechts weinig 
algemene werken verschenen over deze materie; des te meer echter heeft men de aandacht 
gericht op afzonderlijke beschouwingen over allerlei onderdelen. 

Wat de bijbelse theologie in het algemeen betreft, is men het er vrijwel over eens, dat de 
louter philologisch-historische beschouwingen geen theologie genoemd kunnen worden. Een 
theologie eist een systematisch opgezet geheel van de waarheden die men verspreid aantreft 
in het Oude Testament. Het systeem mag echter niet van buitenaf worden opgedrongen: 
„nur eine sacheigene, niemals eine sachfremde Systematisierung kann geiten” 2 ). Men staat 
daarom enigszins afwijzend tegenover de lokal Methode met de c leeri over God, de c leer 3 
over de mens, de c leer D over oordeel en hel; ook al vat men dit samen met theologie, anthro- 
pologie en soteriologie. Een dergelijke indeling is ontworpen vanuit de christelijke dogmatiek. 
Het liefst betrekt men de realiteit, de geschiedenis van Israël bij de indeling, zodat er verband 
wordt gelegd tussen God en de wereld, God en de mens, God en het volk. In deze opzet tracht 
men de historische feiten theologisch te testen om hun waarde en hun zin te achterhalen. De 
nadruk valt daardoor op de heilsgeschiedenis. 

Deze opzet vindt men zeer uitvoerig bij G. E. Wright 3 ). Hij laat een bijzonder licht 
vallen op de bijbelse voorstelling van het geloof en karakteriseert daarmee de theologie. Dit 
woord mag, volgens hem, niet gereserveerd worden voor een (vooropgezet) dogmatisch sy¬ 
steem. De bijbel kent immers geen systeem, maar kent wel theologie. Het kernpunt van de 
bijbel is geen abstract of tijd-vreemd woord, maar een getuigenis van Gods herhaalde tussen¬ 
komst in het verloop van de geschiedenis. Zoals het Nieuwe Testament een herhalen van het 
kerygma inhoudt, zo geeft het Oude Testament een voortdurende herhaling van de heils¬ 
geschiedenis. Deze heilsgeschiedenis is ten dele, speciaal in de deuteronomische fragmenten, een 
liturgisch reciet, afkomstig uit Israels heiligdommen. Ónmogelijk kan men dergelijke bijbelse 
beschrijvingen verenigen tot een cerebraal-dogmatisch geheel over Gods wezen, Gods attributen 
en dergelijke. Een. samenvatting van bijbelse leerstellingen moet voortkomen uit historische 
feiten Te van God getuigen, en moet daarom het kenmerk dragen van een levende geloofsbelij¬ 
denis. Een omschrijving van bijbelse theologie komt dan ongeveer neer op “the confessional 
recital of the redemptive acts of God in a particular history”. Eenmaal het goddelijk element 
in een historisch feit aanvaard, vervalt de grond voor entmythologisierung. Er is dan geen 
enkele reden aanwezig om het buitennatuurlijke tot mythe te verklaren. 

De bijbelse theologie van I. van Imschoot 4 ) stelt zich uitdrukkelijk tegenover de strikt 
historische opvatting. De auteur is vooral bekommerd om de samenhang tussen Oud en Nieuw 
Testament aan te tonen en meent dat dit het best kan geschieden aan de hand van een logische 
en doctrinaire rangschikking. Israels godsdienstige geschiedenis mag bij deze systematische 
uiteenzetting niet uit het oog worden verloren, maar het is niet nodig de problemen in een 


D N. W. Porteous, Old Testament Theology, in 
The Old Testament and Modern Study, Oxford, 
iQSi, pp. 311-345. 

2 ) F. Baumgartel, Frzvagungcn sur Darstellung 
der Theologie des Allen Testaments, in Theol. Lit. 
Zcii., LXXVT, 1951, kol. 260. 


3 ) God who acts. Bïblical Theology as Recital, 
Londen, 1952. 

4 ) Théologie de l 3 Ancien Testament , 7 . Dieu, 
Doornik-Parijs, 1954. 


OVERZICHT VAN DE OUDTESTAMENTISCHE THEOLOGIE 


I23 


historische volgorde te behandelen. Het uitgangspunt van de systematisering ontleent van 
Imschoot aan Sellin en Köhler. 

Onwillekeurig denkt men bij het vernemen van beide werken aan de tegenstelling tussen 
Gods woord en Gods daad- G. Östborn heeft in de titel van zijn werk het tegengestelde ver¬ 
enigd 5 ) en wijst daarbij uitdrukkelijk op het onderling verband tussen de woorden van Jahweh 
en de feitelijke gebeurtenissen. Hij deelt verder de heilsgeschiedenis in perioden in en onder¬ 
scheidt in de geschiedsbeschrijving verschillende literaire genres. Hij maakt daarbij geen be¬ 
zwaar tegen een zekere verwantschap met de cultus of tegen een theologische geschiedsbe- 
schouwing, zodat hij ongeveer aansluit bij Baumgartel, die heilsgeschiedenis en waarneem¬ 
bare historie laat samengaan 6 ). Daartegenover huldigen E. R. Lachemann en P. H. Pfeif¬ 
fer een ander standpunt. De eerste klaagt onze tijd aan vanwege de geringe belangstelling 
voor de godsdienstgeschiedenis 7 ). De huidige generatie zou naar een synthese verlangen 
zonder vooraf de feiten te analyseren. Men herschrijft de geschiedenis van Israël in theologi¬ 
sche termen, hetgeen juist foutief is, want de reddende daden van God in de verhalen van de 
uittocht kunnen onmogelijk dezelfde betekenis hebben als het begrip redding, dat voorkomt 
in het Nieuwe Testament of bij de theologen. Pfeiffer uit zich nog concreter. Hij aanvaardt 
een wezenlijk onderscheid tussen de zuivere historie, die in sommige delen van Samuel en 
Koningen aan het licht komt, en de theologische historiografie van Kronieken of van de 
Deuteronomist 8 ). De theoloog verhaalt oncontroleerbare gegevens, waardoor men niet tot 
historische zekerheid komt, maar tot geloof. Feiten, historie en wetenschappelijk onderzoek 
staan volgens Pfeiffer tegenover geloof, openbaring en theologische bespiegeling. Een 
samengaan van beide polen is bijgevolg onmogelijk. 

Afgezien van het dispuut over de systematisering van de oudtestamentische theologie, kan 
enige systematische ordening van belang zijn bij een overzicht over de studies, die afzonderlijke 
onderdelen uit de bijbelse theologie behandelen. God is in deze ordening het centrale punt en 
wel de handelende God, die zich uit tegenover zijn schepselen. De bijbel zelf geeft de lijn en 
de climax van dit goddelijk handelen aan naar gelang God zich uit in zijn beeld, in zijn naam, 
in zijn woord en in zijn Messias. 


GOD UIT ZICH IN ZIJN BEELD 

Een van Gods eerste uitingen wordt beschreven in het scheppingsverhaal: laat ons de 
mens maken naar ons beeld, als onze gelijkenis. Dit beeld van God moet te vinden zijn in 
de natuur van de mens. G. Söhngen ontdekt het in de geestelijke eigenschappen 9 ). Deze 
eigenschappen zijn op moderne wijze, volgens de princiepen van Pedersen en Wheeler 
Robinson, behandeld door G. Pidoux 10 ) in een anthropologie, die het lichamelijke niet 
verwaarloost, maar meer belangstelling toont voor de ziel en de geest, voor de verstands¬ 
werking en het leven. De fysieke kant van de bijbelse anthropologie is op een meesterlijke wijze 
behandeld door L. Köhler 11 ). De Israëliet wordt door Köhler beschreven in zijn persoonlijk 
en openbaar leven. Alles wordt besproken, zijn uiterlijk, zijn voorkomen, zijn ziekten — met 
een speciale belangsteling voor de melaatsheid —, de hobby’s uit zijn jeugd, zijn opvoeding, zijn 
intellectuele belangstelling; met één woord: het leven van de Oosterse mens in zijn geheel. 

Een totaal ander beeld geeft W. Zimmerli 12 ). Zijn belangstelling gaat uit naar de oor¬ 
spronkelijke zegen, de verantwoordelijkheid en de zondigheid van de mens, de vervloeking en 


5 ) Yahweh’s Words and Deeds. A Preliminary 
Study in the Old Testament Presentation, LTppsala, 
T95I. 

6 ) Das alttestamentliche Geschehen als „heilsge- 
schicht fiches Geschehen”, in Geschichte und Alt es 
Testament, Tübingen, 1953, pp. 13-28. 

7 ) The Renaissance of Biblical Theology, in 
Journ. Bib . Rel, xix, 1951, pp. 71-75. 

8 ) Pacis and Faith in Biblical History, in Journ. 


Bib. Lit., lxx, 1951, pp. 1-14. 

9 ) Die biblische Lehre von der Gottebenbildlich- 
keit des Menschen, in Münch. Theol. Zeitsch., II, 
I 95 L PP- 52-76. 

10 ) UHomme dans l 3 Ancien Testament, Neuchatel, 
1954 . 

1:L ) Der hebrdische Mensch, Tübingen, 1953. 

12 ) Das Menschenbild des Alten Testaments, 
Münch en, 1949. 





124 


OVERZICHT VAN DE OUDTESTAMENTISCHE THEOLOGIE 


de ontferming. C. Ryder Smith 13 behandelt bijna uitsluitend de morele kant van het men¬ 
selijk bestaan, zoals het geweten en de wil. Hij werkt zijn beschouwing uit in modern psy¬ 
chologische termen. Het beeld van God meent hij aanwezig te zien in het stoffelijke van de 
mens: in het domineren over de natuur. De sociale zijde van de mens, zijn verantwoordelijk¬ 
heid, zijn individualisme, zijn verhouding tot de gemeenschap vindt men behandeld bij G. E. 
Wright 14 ). Op een speelse manier betitelt F. Michaeli zijn studie over de anthropomorfe 
uitdrukkingswijze van het Oude Testament met Dieu a 1’image de l’homme 15 ). 

Het geestelijk aspect van de mens heeft meermalen in de belangstelling gestaan. F. H. 
von Meyenfeldt tracht aan te tonen, dat in het Oude Testament het hart de diepste inhoud 
bereikt als brandpunt van de religie 16 ). E. Schmitt onderzoekt het menselijke leven aan de 
hand van de wijsheidsboeken en komt tot enige sprekende teksten voor het geloof in het eeuwig 
leven (Spr., 3, 18; Job, 19, 25-27) 17 ) ; A. Hulsbosch ontdekt een soortgelijke gedachte in 
de Wijsheid van Salomon 18 ) ; en O. Schilling heeft alle boeken van de bijbel onderzocht 
aangaande het geloof in het hiernamaals 19 ). Deze laatste studie, ofschoon conservatief van 
opvatting, biedt interessante gegevens over een uiterst belangrijk onderwerp. Verder wordt 
het geestelijk element in de mens nog belicht door de mogelijkheid van de voorbede; F. Hesse 
toont nadrukkelijk aan dat dit in de macht lag van iedere Israëliet en dat het niet iets specifieks 
van de priesters en de officiële middelaars is geweest 20 ). De afzonderlijke studies over de 
bijbelse zondenleer 21 ), over de zonden in de Psalmen 22 ) en de gerechtigheid in de Psal¬ 
men 23 ) leggen de nadruk op de geestelijke verhouding van de mens tot God. Hierbij sluiten 
ongeveer aan de beschouwingen over de hoop in het Oude Testament 24 ). 

In de wereld van plant of dier, of van de levenloze wezens kan men moeilijk spreken 
van Gods evenbeeld. Toch is volgens de bijbel heel de natuur van God voortgekomen. J. L. 
McKenzie wijst zeer interessant maar uiterst summier op de contactpunten die de bijbel legt 
tussen God en de levenloze natuur 25 ). De verhouding mens en natuur is op een uit¬ 
muntende wijze, juist als onderdeel van de oudtestamentische theologie behandeld door E. C. 
Rust 26 ). 

Tenslotte geeft G. Schembri in een uiteenzetting over Gods alomtegenwoordigheid ieder 
mogelijk contactpunt aan tussen de schepping en God 27 ). Ofschoon zijn onderzoek zich uit¬ 
strekt over het Oude Testament ligt er over het geheel een philosophisch cachet; in de bijbel 
is Gods tegenwoordigheid iets daadwerkelijks en iets concreets. 


GOD UIT ZICH IN ZIJN NAAM 

De meest vertrouwelijke daad van God in het Oude Testament is de openbaring van zijn 
naam geweest. In de laatste jaren is deze openbaring van verschillende zijden belicht. A. 


13 ) The Bihle Doctrine of Man, Londen, 1951. 

14 ) The Biblical Doctrine of Man in Society, 
Londen, 1954; vgl. J. de Fraine, Individu et Socié- 
té dans la Religion de !Ancien Testament, in Bibli- 
ca, xxxm, 1952, pp. 324-355; F. Spadafora, Col- 
letivismo e Individualismo nel Vecchio Testament o, 
Rovigo, 1953. 

15 ) Parijs, 1950. 

16 ) Het Hart in het Oude Testament, Leiden, 
1950; Enige algemene Beschomvingen gegrond op 
de betekenis van het Hart in het Oude Testament, 
in Wetenschappelijke Bijdragen D. H. F. Vollen- 
hove, Franeker, 1951. 

17 ) Leben in den W eisheitsbüchern Job, Sprüche 
und Jesus Sirach, Freiburg, 1954. 

18 ) De Eschatologie van het Boek Wijsheid, in 
Stud. Cath., xxvii, 1952, pp. 113-123. 

19 ) Der Jenseitsgedanke im Alten Testament. 
Seine Entfaltung und deren Treibkrdfte, Mainz, 
I95L 


20 ) Die Fürbitte im Alten Testament, Erlangen, 
1951 - 

2t ) C. Ryder Smith, The Biblical Doctrine of 
Sin and of the Ways of God with Sinners, Londen, 
1953 . 

22 ) H. Bout, Het Zondebesef in het Boek der 
Psalmen, Leiden, 1952. 

23 ) A. H. van der Weijden, Die „Gerechtigkeit” 
in den Psalmen, Nijmegen, 1952. 

24 ) T. C. Vriezen, Die Hoffnung im Alten 
Testament, in Theol. Lit. Zeit., lxxviii, 1953, pp. 
577-586; J. van der Ploeg, L’Espérance dans VAn¬ 
cien Testament, in Rev. Bib., lxi, 1954, pp. 481-507. 

25 ) God and Nature in the O ld Testament, in Cath. 
Bib. Quart., xiv, 1952, pp. 18-39; 124-145. 

2(i ) Nature and Man in Biblical Thought, Londen, 
! 953 . 

21 ) Doctrina de Omnipraesentia Dei in Vetere 
Testament o, Rome, 1952. 


OVERZICHT VAN DE OUDTESTAMENTISCHE THEOLOGIE 


!25 


Murtonen tracht door te dringen tot de inhoud van de godsnaam door verband te leggen 
met Hww spreken (Ugaritisch: hwt : woord, redevoering) 28 ) God is bijgevolg degene die 
beveelt, de bevelhebber van de legerscharen ( Jahweh Sebaoth) ; een naam voor de actieve 
God. T. C. Vriezen brengt de hoofdinhoud van de naam terug tot hjh, zijn, maar geeft 
aan dit zijn een actieve inhoud 29 ). God geeft aan Israël te kennen dat hij vanwege zijn 
naam voortdurend tegenwoordig is om te helpen. E. Dhorme heeft daarentegen het actieve 
aspect van Gods eigennaam laten varen. Hij beschouwt de naam niet langer als een hifil- 
vorm: hij die doet zijn 30 ), maar eenvoudig als qal : hij die is 31 ). In de verschillende 
theofore namen, die in de Babylonische literatuur reeds ten tijde van Hammurabi voor¬ 
komen, geeft Dhorme aan het element ia-wi ook de betekenis van zijn: ia-wi-il, er is een 
god; ia-wi ( ilu) Da-gan, Dagan bestaat. Murtonen 32 ) meent echter vast te kunnen hou¬ 
den aan het strikt theofore karakter; het element j(h)w heeft, volgens hem, de waarde van 
eigennaam, zodat men de Israëlitische godsnaam ook aantreft in de Akkadische literatuur 
en in de geschriften van Ras Sjamra. 

R. Criado heeft hetzelfde probleem van de godsnaam in een breed opgezet werk 
aangekondigd 33 ). De eerste publicatie blijft echter bij een inleiding op het eigenlijke pro¬ 
bleem staan; het is een voorstudie, waarin slechts een overzicht gegeven wordt van de gang¬ 
bare sententies. Ofschoon de schrijver zijn sympathieën ten overstaan van O. Grether 
en W. Eichrodt niet verbergt, stelt hij zijn eigen opvatting uit tot de latere delen van het 
werk. 

A. M. Dubarle heeft een einde willen maken aan de beschouwingen over de godsnaam 
door, met een verwijzing naar Gen., 43, 14; Est., 4, 16 e.a., Gods uitleg weer te geven met 
een nietszeggende uitvlucht: ik ben, nu ja die ik ben 34 ). 

In de openbaring van de naam is de uitverkiezing van Israël vervat. Deze uitverkiezing 
heeft T. C. Vriezen behandeld in een korte en interessante studie 35 ). Het beginpunt 
van zijn onderzoek is de term bhr. De meest belangrijke uitverkiezingsteksten worden alle 
exegetisch ontleed, waarna de schrijver tot de conclusie komt dat God in iedere uitver¬ 
kiezing het initiatief neemt. God verkiest zich een instrument om een en ander te bereiken. 
De mens ontvangt in een dergelijke uitverkiezing geen speciale gift, maar een werkopdracht 
en een taak. De uitverkiezingsgedachte leeft bijzonder in Deuteronomium (het volk in 
dienst van Jahweh) en in Deutero-Jesaja (zending tot de volkeren). F. Asensio heeft de 
uitverkiezing voornamelijk vanuit historisch standpunt belicht 36 ). De uitverkiezingsgeschie- 
denis laat hij beginnen in de patriarchen-verhalen. Ofschoon de eerste uitverkiezing 
vóór de openbaring van de godsnaam ligt, drukt Jahweh in de uitverkiezing, speciaal door 
zijn aanwezigheid, een eigen stempel op het volk. De historische lijn van de uitverkiezing is 
te volgen in de restauratie na de ballingschap, in de voortzetting van de profetie en niet het 
minst in de blijvende messiaanse verwachting. 

Aan het mededelen van God beantwoordt in de mens een kennen. J. de Groot-A. R. 
Hulst 37 ) en M. Rehm 38 ) geven een abstract en ietwat onwerkelijk schema van dit 
kennen door een aantal aspecten willekeurig voorop te zetten. Ondanks dat schenken beide 
werken een grote aandacht aan Gods daden in de schepping en in het verloop van de ge- 


28 ) A Philological and Literary Treatise on the 
O.T. Divine Names, Helsinki, 1952. 

29 ) ’Ehje, a ser f ehje, in Festschrift Alfred Bertho- 
let, Tübingen, 1950, pp. 498-512. 

30 ) L’Evolution religieuse d’lsrael, I, Brussel, 
1937 , P- 358 . 

3t ) Le Nom de Dieu dTsrael, in Rev. Hist. Rel., 

CXLI, 1952 , pp. 15-16. 

32 ) The Appearance of the Name Yhzvh outside 
Israël, Helsinki, 1951. 

33 ) La Investigacion sobre el Valor del Nombre 


divino en el Antiguo Testamento, in Est. Eccl., xxvi, 
1952 , pp. 3 L 3 - 352 ; 435 - 452 . 

34 ) A. M. Düearle, La Signification du Nom 
de Jahweh, in Rev. Science. Phil. Théol. , xxxv, 1951, 
pp. 1-21. 

35 ) Die Erwdhlung Israels nach dem Alten Testa¬ 
ment, Zürich, 1953. 

36 ) Yahiveh y su Pueblo, Rome, 1953. 

37 ) Macht en Wil. De Verkondiging van het Oude 
Testament aangaande God, Nijkerk, 1952. 

3S ) Das Bild Gottes im Alten Testament, Würz- 
burg, 1951. 








I2Ó 


OVERZICHT VAN DE OUDTESTAMENTISCHE THEOLOGIE 


schiedenis van Israël. G. J. Botterweck gaat op een geheel andere wijze te werk 39 ). Langs 
filologische weg dringt hij door tot de hoofdbetekenis van kennen en concludeert dan dat de 
stam jd c geen theoretische begrippen veronderstelt, maar een daadwerkelijk kennen. Het eerste 
voorwerp van dit kennen is Gods uitverkiezing van de mens. Aan dat uitverkiezen beantwoordt 
de tegenprestatie Jahweh kennen, dit wil zeggen Jahweh kiezen als zijn God. Het volk kent 
Jahweh volledig, wanneer het in een religieus zedelijke verhouding Jahweh gewaar wordt en 
naderbij komt. Deze kennis van Jahweh zal een eigenschap zijn van de messiaanse tijd en een 
karakteristiek van de komende Messias. 


GOD UIT ZICH IN ZIJN WOORD 


De waardering van het Oude Testament staat de laatste jaren bijzonder in de belangstel¬ 
ling. Men interesseert zich daarbij niet op de eerste plaats voor 'de doctrinaire punten, maar voor 
datgene wat aan het doctrinaire voorafgaat, aan de bedoeling en de zin van het geschrevene. 
Vanuit christelijk gelovig standpunt zou men de vraag, die aan deze belangstelling ten grond¬ 
slag ligt, als volgt kunnen formuleren: heeft God aan een bijbelwoord in bepaalde gevallen 
een zin meegegeven die aan de menselijke schrijver is ontgaan en die onbereikbaar blijft bij 
een louter historisch en filologisch bestuderen van de tekst? Een kort historisch overzicht van 
de probleemstelling is te vinden bij R. E. Brown 40 ). Het is jammer dat hij zich heeft beperkt 
tot de schrijvers uit het katholieke kamp; ook elders heeft men zich dit probleem gesteld. Wel 
heeft de kwestie bijzonder de aandacht van de katholieken, zoals, b.v., blijkt uit de publicaties 
van J. Coppens 41 ). Over het algemeen beschouwt men de toevlucht tot de allegorische inter¬ 
pretatie niet gewenst voor een theologische uitwerking. De typologische uitleg voldoet even¬ 
min onder alle opzichten. Daarom heeft men een oplossing gezocht in een zin die steunt op 
de wetten van de filologie, maar bovendien op het voortschrijden van het geheel der religieuze 
waarheden. In een dergelijke opzet komt het geheel van Oud en Nieuw Testament bijzonder 
naar voren. 

Over de meer abstracte mogelijkheid schreven onder anderen A. Fernandez 42 ), E. F. 
Sutcliffe 43 ) en A. Amsler 44 ). In een bulletin van ontmoetingen 45 ) hebben verschillende 
oud-testamentici van naam in afzonderlijke studies hun standpunt uiteengezet. M. Noth is 
van oordeel, dat er geen speciale exegese nodig is; de historisch opgezette bijbeluitleg moet 
kunnen volstaan 46 ). G. von Rad bouwt hierop voort 47 ) en onderscheidt verschillende soorten 
van typologie: de Platoonse (aards, hemels), de Assyro-Babylonische (hemels, aards), de 
Israëlitische, die hij louter historisch ziet ( Urzeit, Endzeit ), en de nieuwtestamentische (Oude 
Testament, eschatologie). Slechts onder nieuwtestamentische invloed ontdekt hij in het Oude 
Testament minder materiële beschouwingen. W. Zimmerli ziet in heel de heilsgeschiedenis één 
grote profetie, die een eindterm bereikt in Christus 48 ). H. W. Wolff geeft tenslotte een 
specimen van de voorgestelde exegese 49 ). Allen zijn het eens over de waarde die het Oude 
Testament heeft voor de christenen, niet alleen negatief door de mislukking van het heilsplan, 


39 ) Gott erkennen im Sprachgebrauch des Alten 
Testamentes, Bonn, 1951; Vom Wesen der alttesta- 
mentlichen Gott eser kenntnis, in Wiss. Weish ., xiv, 
1951, pp. 48-55. 

40 ) The History and Developmcnt of the Theory 
of the Sensus Plenior, in Cath. Bib. Quart., xv, 
1953 , PP- 141-162. 

41 ) Les Harmonies des deux Testaments: Essai 
sur les divers scns des Ecritures et sur YUnité de 
de la Révélation, Doornik, 1949; Vom christlichen 
Verstdndnis des Alten Testaments, Leuven-Frei- 
burg, 1952; vgl. L. Cerfaux, J. Coppens, J. Gribo- 
mont, Problhncs et Méthodes d’Exêgèse théologi- 
que, Leuven, 1950. 

4 ‘ 2 ) Sentido plenior, literal, tipico, espiritual, in 


Biblica, xxxiv, 1953, pp. 299-32Ó. 

43 ) The plenary Sense as a Principle of Inter- 

prelation, in Biblica, xxxiv, 1953, pp. 333-343. 

44 ) Oii en est la Typologie de YAncien Testament, 
in Pour comprendre YAncien Testament, Montpel- 
lier, 1952, pp. 75-81. 

45 ) Evangelische Theologie, xn, 1952-53, pp. 6-104. 

46 ) Die Vergegenwdrtigung des Alten Testaments 
in der Verkündigung, pp. 6-17. 

47 ) Typologische Auslegung des Alten Testa¬ 
ments, pp. 17-33. 

48 ) Verheissung und Erfüllung, pp. 34-58. 

40 ) Der grosse Jesreel-Tag (Hosea 2, 1-3). Me - 
thodologische Erwdgungen zur Auslegung einer alt - 
testamentlichen Perikope, pp. 78-104. 


OVERZICHT VAN DE OUDTESTAMENTISCHE THEOLOGIE 


127 


zoals R. Bultmann meent 50 ), maar positief door de inhoud rechtstreeks te verbinden met 
het Nieuwe Testament. Ook de wereldraad van kerken heeft zich uitgesproken over de bood¬ 
schap en de waarde van het Oude Testament voor het Christendom 51 ). Een bijzondere aan¬ 
dacht is daarbij besteed aan het gezag van de bijbel, aan de regels van de bijbeluitleg en aan de 
practische problemen die de moderne exegese met zich meebrengt. Uit het verzamelwerk blijkt 
hoe verschillende kerken hun eigen bijbelbeschouwing huldigen, zodat men zich afvraagt 
of er in al die gevallen geen bepaalde norm aan de bijbel voorafgaat en deze in zekere zin zelfs 
boven de bijbel staat? De kwestie over de diepere zin van de bijbel is bondig samengevat in een 
onlangs verschenen dissertatie van R. E. Brown 52 ). 

Als gevolg van deze vernieuwde belangstelling is er een aantal werken gewijd aan het 
Oude Testament met betrekking tot ons christenen 53 ), onder andere van Atkinson en D. 
Johnson 54 ); alsmede aan de eenheid van de bijbel, onder andere van C. Quimby 55 ) en 
H. H. Rowley 56 ). Rowley richt zich in zijn publicatie tot een breed publiek. Hij legt nadruk 
op de verscheidenheid tussen Oud en Nieuw Testament en tussen de verschillende bijbelse 
schrijvers afzonderlijk. In deze verscheidenheid ontdekt hij dan een dynamische eenheid die 
zich uit in de ontwikkeling van het Oude naar het Nieuwe Testament: The unity is the unity 
of a process and a development. In het ontdekken en construeren van deze eenheid moet men 
uitgaan van de historische zin zonder een diepere zin of zelfs maar een typologie aan te nemen. 
De eenheid is gelegen in het verband dat er bestaat tussen de wet en de profeten, in de lijn 
die loopt door de leer over God en mens en vooral in de vervulling van het Oude Testament 
in het Nieuwe. In deze lijn denkt J. van der Ploeg verder, wanneer hij het profetisch woord 
een draagkracht toekent voor de naaste en zelfs voor de meest verwijderde toekomst, tot in 
het eschaton 57 ). De taak van Israël is naar de geest overgenomen door het Christendom. De 
relatie Oud en Nieuw Testament en de vormende waarde komt het meest tot uitdrukking in 
het levendig houden van de messiaanse verwachting. 


GOD UIT ZICH IN DE MESSIAANSE BELOFTEN 

Over de messiaanse profetieën, die men het merg van de oudtestamentische theologie zou 
kunnen noemen, heeft S. Mowinckel een magistraal werk geschreven 58 ), dat door het 
uitgebreide apparaat een hoog wetenschappelijk gehalte bezit. Wat de afzonderlijke pro¬ 
fetieën betreft is het boek voor een groot deel een bundeling van reeds eerder gepubliceerde 
verhandelingen. In veel kortere samenvattingen hebben L. E. Browne 59 ) en W. H. Gis¬ 
pen 60 ) een vooruitstrevend en een conservatief beeld gegeven van de messiaanse hoop in 
Israël. Een weergave van de Leuvense Bijbeldagen 1952 belicht een aantal facetten van het 
messianisme 61 ), speciaal die facetten die op het ogenblik bijzonder in de belangstelling staan. 

Zo is er een belangstelling voor het koninklijk espect aan het groeien, zowel in de leer 
over God als in de beschouwingen over het messianisme. Van het koninklijk element in de 
messiaanse verwachting heeft H. Ringgren een summier overzicht gegeven 62 ). Hij voelt 


50 ) Weissagmg und Erfüllung, in Zeitschr. 
Theol. Kirche, xlvii, 1951, pp. 360-383. 

51 ) Biblical Authority for Today. A World Coun- 
cil of Churches Symposion on (( the Biblical Author¬ 
ity for the ChurchesSocial and Political Message 
Today, Londen, 1951. 

52 ) The Sensus Plenior of Sacred Scripture, Bal- 
timore, 1955. 

53 ) Vgl. B. Hessler, Zum theologischen Bemühen 
um das A.T. heute, in Wiss. Weish., xv, 1952, pp. 
33 - 45 - 

64 ) B. F. C. Atkinson, The Christian’s Use of the 
O ld Testament, Londen, 1951; D. Johnson, The 
Christian and his Bible, Londen, 1953; vgl. P. 
Auvray e.a., L’Ancien Testament et les Chrétiens, 


Parijs, 1951. 

55 ) The Unity of the Biblical Message, in Journ . 
Bib. Rel., xxi, 1953, pp. 30 ss. 

59 ) The Unity of the Bible, Londen, 1953. 

57 ) Profetie en Vervulling, in Stud. Cath., xxvm, 
1953 , PP- 81-94. 

58 ) Han som kommer, Kopenhagen, 1951. 

59 ) The Messianic Hope in its Historical Setting, 
Londen, 1951. 

60 ) De Christus in het Oude Testament, Delft, 
1952 . 

61 ) L. Cerfaux, J. Coppens, R. de Lanche e.a., 
L’Attente du Messie, Brugge, 1954. 

ö * 2 ) K'ónig und Messias, in ZAW , lxiv, 1952, pp. 
120-147; Messias Konungen, Uppsala, 1954. 










128 


OVERZICHT VAN DE OUDTESTAMENTISCHE THEOLOGIE 


persoonlijk voor een in elkaar over gaan van volk, koning en Messias. Speciaal in de latere 
literatuur, met name in Deutero-Jesaja, zouden de drie begrippen practisch niet meer te onder¬ 
scheiden zijn. R. Mayer komt in een kort overzicht van de koninklijk messiaanse verwachting 
tot eenzelfde conclusie 63 ). Het koningschap van God wordt door H. J. Kraus verdedigd van¬ 
uit de z.g. intronisatiepsalmen 64 ). Het staat wel vast dat de realiteit van de aardse koning aan 
deze sublimering ten grondslag heeft gelegen. Het goddelijk karakter van dit aardse koning¬ 
schap is volgens vele exegeten duidelijk aangetoond; door anderen wordt het echter betwijfeld 
en bestreden, speciaal met betrekking tot Israël. De laatste studie over dit onderwerp van de 
hand van J. de Fraine 66 ) staat zeer afwijzend tegenover een religieus aspect van het koning¬ 
schap ook buiten Israël. Zijn argumentatie steunt grotendeels op de onvoldoendheid van de be¬ 
wijzen voor het goddelijk en priesterlijk karakter van de koning. In deze veronderstelling heeft 
de sublimering van het koningschap een grote sprong moeten maken; een religieus koningschap 
zou de kloof gedeeltelijk overbruggen en een synthese vergemakkelijken. 

Uit dit korte overzicht blijkt duidelijk, dat ofschoon er minder werken verschenen zijn 
over het geheel van de oudtestamentische theologie de interesse voor de theologische waarde 
niet is verzwakt. Integendeel, de belangstelling is nog steeds groeiende. De onderdelen van de 
oudtestamentische theologie worden in steeds bredere omvang onderzocht. Iedere studie levert 
een kleine bijdrage tot het doorgronden van het grote en omvangrijke geheel. Iedereen zal echter 
bemerken dat de steeds toenemende bijdragen de volledige synthese vertragen en bemoeilijken. 
Als de synthese na deze afzonderlijke bijdragen eenmaal moeizaam verkregen zal zijn, zal 
duidelijk blijken dat alleen deze weg leidt naar de ware theologie van het Oude Testament. De 
langere weg is de veiligste. 

U d e n h o u t, september 1955 V. de Leeuw 


63 ) Der Erlöserkönig des A.T., in Münch. Theol. 
Zeitsch., III, 1952, pp. 225-243; 367-384. 

64 ) Die Königsherrschaft Gottes im Alten Testa¬ 
ment, Tübingen, 1951. 

<> 5 ) Vgl. A. R. Johnson, Divine Kingship and the 
O ld Testament, in Exp. Tim., lxii, 1950, pp. 36-42. 


66 ) L’Aspect religieux de la Royauté israélitc. 
LTnstitution monarchique dans VAncien Testament 
et dans les Textes mésopotamiens, Rome, 1954; vgl. 
De oudoosterse Konigsidee in het Oude Testament, 
in Bijdragen, xiv, 19:3, pp. 117-131. 


JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 14 


PLAAT I 


JERUZALEMVAARDERS 



Krypt van de Geboortekerk te Betlehem, n° 1521 (cliché Aartsbisschoppelijk Museum) 



Anthonis Mor, Twee Jeruzalemvaarders uit 1519 (Staatliche Museen Berlin, Museum Dahlem) 


Zie blz. 7 



















JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 14 


PLAAT II 


SO c AR 




JAARBERICHT EOL N‘ 


14 


SAOEDIE ARAB 1 Ë 


PLAAT III 




Zie blz. 77 





























JAARBERICHT EOL N 


SAOEDIE ARABIË 


PLAAT IV 


° 14 



SAOEDIE ARABIË 



QATABAN 



HADRAMAUT 



a Ukhdüd (Nedjran). De oude stadsmuur, b Cairn op het plateau Nahuqa, jemenitische grens in Nedjran. 
c Reukwerkaltaar met opschrift Ibny = wierook; University of Pennsylvania, Museum, d Hadramoetisch 
plengaltaar (mslm), London, British Museum, (Th. Bent, Southern Arabia 1900, plaat blz. 144). 

Zie voor b blz. 77 en voor c en d blz. 81 


JAARBERICHT EOL N° 14 


SAOEDIE ARABIË 


PLAAT V 



a. Mureighan. Opschrift van koning Abraha, gedateerd 547 na Chr. — Detail van het middelste gedeelte: 
i e lijn: .... rhmnn / wmshhw / mlkn / °brh I mik / sb J /, enz. «. . . . de Barmhartige en zijn Messias. Koning 

Abraha, koning van Saba», enz. 

Zie blz. 82 


JEMEN 



Sabees opschrift, einde 3 de eeuw v. Chr. London, British Museum 104484. 

Zie blz. 82 
























PLAAT VI 


JAARBERICHT EOL N° 14 


JEMEN 



b 

a. Zuidarabisch Bucranion, London. British Museum (R. D. Barnett, British Museum Quarterly XVII, 3, Plate XX b) 

b. Fries van steenbokken, Wien, Kunsthistorisches Musevim. c. Zuidarabische Steenbokken, London, British Museum 117934 


Zie blz. 80 


UITGAVEN VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 

C EX ORIENTE LUX 3 : 

A. Jaarbericht, Deel I (n os 1-5 en Supplement) 1933-1938. XXXII en 500 blz., XL platen, 26 tekst- 
illustraties, 4 tabellen en 1 kaart in de tekst, 3 kaarten en 4 synchronistische tabellen, 4to. 
Uitverkocht. Prijs van antiquarische exemplaren, indien verkrijgbaar, gebonden in een buckram-stempelband 
op aanvrage. De Jaarberichten N° 1, 2, 3, 4 en 5 worden, indien antiquarisch verkrijgbaar, niet los verkocht; 
het Supplement (met Index, voorwerk en Register) is afzonderlijk verkrijgbaar voor ƒ 7.50. 

Jaarbericht, Deel II (n os 6-8 en Supplement) 1939-1943. XLIV en 816 blz., XL platen, 91 tekst- 
illustraties, 1 tabel, 5 kaarten, 4to. 

Prijs gebonden in buckram-stempelband ƒ90.—, voor contribuanten ƒ 60. — . De Jaarberichten 6, 7 en 8 zijn ook 
los verkrijgbaar voor ƒ25.— per nummer, voor contribuanten ƒ 15.— per nummer. Index, Voorwerk en Register 
zijn los verkrijgbaar voor ƒ 15.—, voor contribuanten ƒ 10.—. De bij dit deel behorende buckramband is voor 
contribuanten verkrijgbaar voor ƒ 3.—. 

Jaarbericht, Deel III (n os 9-10 en Supplement) 1944-1948. 576 blz., XXXII platen, 97 tekst- 
illustraties, 3 kaarten, 4to. 

Prijs gebonden in buckram-stempelband ƒ75.—, voor contribuanten ƒ 50. — . De Jaa>rberichten 9 en 10 zijn ook 
los verkrijgbaar voor ƒ 30.— respectievelijk ƒ 35.— per nummer, voor contribuanten ƒ 20. — respectievelijk 
ƒ 15.— per nummer. Het Supplement met index, voorwerk en register is ook los verkrijgbaar voor ƒ 10. — , 
voor contribuanten ƒ6.—. De bij dit deel behorende buckramband voor contribuanten voor ƒ4.—. 

iaarbencht, Deel IV (n os 11-13 en Supplement) 1949-1954. 408 blz., LXXX1X platen, 40 tekst- 
illustraties, 4 kaarten, 4to. 

Prijs gebonden in buckram-stempelband ƒ100.—, voor contribuanten ƒ70.—. De Jaarberichten 11, 12 en 13 
zijn ook los verkrijgbaar voor ƒ 25.— respectievelijk ƒ 25.— en ƒ 40— per nummer, voor contribuanten 
f 20.— per nummer. Het Supplement met index, voorwerk en register, dat momenteel ter perse is, zal los ver¬ 
krijgbaar worden gesteld voor ƒ 15. — , voor contribuanten ƒ 9 . —. De bij dit deel behorende buckramband voor 
contribuanten voor ƒ 4.—. 

B. Serie Mededeelingen en Verhandelingen. 

N° 2: Drie Honderd Jaren Egyptologie in Nederland. Van Heurnius tot Boeser (1620-1935) 
door Dr W. D. van Wijngaarden, 1935, 4to, 26 blz., 4 photo’s en 1 plaat, met uitvoerige 
bibliographie. Prijs ƒ 3.50, voor contribuanten ƒ 2.50. 

N° 5: The Mastaba of Hetep-Her-Akhti. Study on an Egyptian Tomb Chapel in the Museum of 
antiquities Leiden by H. Th. Mohr. 1943, 4to, xvi en 104 blz., 2 platen, 54 tekstillustraties. 
Uitverkocht. Antiquarische exemplaren ƒ 25.—. 

N° 6: Overzichten van de Geschiedenis en Opgravingen in het Nabije Oosten I: ras es-samrd 
en minet el-beida? door Jan P. Lettinga. 1942. 4to. Uitverkocht. Antiquarische exemplaren ƒ 5.—. 
N° 7: Kernmomenten der antieke beschaving en haar moderne beleving. 1947, 4to, x en 278 blz., 
19 platen en 123 tekstillustraties, 2 kaarten. Dit nummer, hetwelk is uitgegeven ter herinnering 
aan het tienjarig bestaan van het Gezelschap (1933-1943) bevat bijdragen van B. A. van 
Proosdij, A. de Buck, Th. C. Vriezen, I. L. Seeligmann, A. A. Kampman, F. M. Th. de 
Liagre Böhl, P. van der Meer O.P., J. H. Kramers, W. van Os en B. H. Stricker. Prijs 
ƒ 20.—, in linnen band ƒ 30.—, ingenaaide exemplaren voor contribuanten ƒ 12.50. 

N° 8: Hommage d la mémoire de 1’éminent assyriologique Frangois Thureau-Dangin (1872-1944) 
par E. Dhorme. 1946. 4to, 35 pages, 1 portrait en héliogravure. Prijs ƒ 3.50, voor contribuanten 
ƒ 2.50. 

N° 9: The Septuagint Version of Isaiah, A discussion of its Problems door Prof. Dr I. L. 
Seeligmann, 1948, 4to, X en 124 blz. Prijs ƒ 20.— , voor contribuanten ƒ 12.50. 

N° 10: De Grote Zeeslang door Dr B. H. Stricker. 1953, 4to, 27 blz., 8 tekstillustraties. 
Prijs ƒ 3.50, voor contribuanten ƒ 2.50. 

N° 11: De Overstroming van de Nijl door Dr B. H. Stricker. 1956, 4to, 37 blz., 1 kaart. Prijs 
ƒ 5.—, voor contribuanten ƒ 4.—. 

Ter perse: 

N° 12: Egyptische Oudheden verzameld door W. A. van Leer, opnieuw uitgegeven door Dr J. M. A. 
Janssen. 1956, 4to, 32 blz., XIX platen, 10 figuren. 

N° 13: Sémiramis, de l’histoirè d la légende , door Prof Dr G. Goossens 1957, 4to, iv en 48 blz; 16 
tekstillustraties, 2 kaarten 

C. Uitgave N° 1: Textes mathématiques babyloniens , transcrits et traduits par F. Thureau-Dangin, 
1939, 4to, 293 blz. Prijs ƒ 35.—, voor contribuanten ƒ 20.—. 

D. Overzichten van de geschiedenis en opgravingen in het Nabije Oosten: 

N° I in deze serie is identiek met Mededeelingen en Verhandelingen N° 6; Nos H-IV zijn uitverkocht. 

E. Phoenix, halfjaarlijks bulletin uitgegeven door het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap „Ex 
Oriente Lux” onder redactie van Dr C. Hillen. Reeds verschenen jaargang I, 1 en 2 (1955) 
en jaargang II, 1 en 2 (1956). Prijs per jaargang f 3.—. 





















BESTUUR, ORGANISATIE EN STUDIEKRINGEN 

algemene raad : Prof Dr F. M. Th. de Liagre Böhl, Prof. Dr A. de Buck, Prof. Dr Ir R. J. Forbes, 
Mevr. C. F. L. van Heek-van Heek, Prof. Dr J. J. Koopmans, Ir F. B. J. M. Moubis, Pfofi 
Dr J. P. M. van der Ploeg O.P., Prof. Dr J. Vergote, Prof. Dr Th. C. Vriezen, 
bestuur: Dr B. A. van Proosdij, voorzitter; Dr A. A. Kampman, secretaris-penningmeester, Dr J. 

M. A. Janssen, 2 de secretaris-penningmeester; Prof. Dr J. H. Hospers; Dr W. F. Leemans, 
secretariaat en administratie: Noordeindsplein 4 a, Leiden, tel 23682 . 

Belgisch secretariaat: Prof. Dr J. Vergote, Beukenlaan 7 , Heverlee-Leuven, tel. 24747 . 
bureau en bibliotheek van het genootschap: Noordeindsplein 4 a, Leiden, tel. 23682 . 

Het Algemeen Secretariaat, Bureau en de Bibliotheek van het Genootschap zijn ondergebracht 
in het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten te Leiden, Noordeindsplein 4 a. Het 
Bureau is geopend op werkdagen van 8 . 30 - 12.30 en 14-17 uur; des Zaterdags van 8 . 30 - 12.30 uur. 
De Bibliotheek van het Instituut is geopend van 9 - 12.30 en 14 - 17.30 uur; op aanvraag zo 
mogelijk ook des avonds. 
postrekening: 229501 . 



bankiers: Amsterdamsche, Rotterdamsche en Twentsche Bank te Leiden. 

Kredietbank te Leuven (bankrekening 9980 van Prof. Dr J. Vergote te Leuven). 

STUDIEKRINGEN IN NEDERLAND: 

1933 Leiden: voorz. Prof. Dr F. M. Th. de Liagre Böhl ; secr. Dr A. A. Kampman, Hoge Rijndijk 10. 

1934 Groningen: voorz. Prof. Dr Th. C. Vriezen; secr. Mevr. Dr A. M. A. Hospers-Jansen, 

Oranjesingel 18 . 

1935 Nijmegen: voorz. Prof. Dr J. P. M. van der Ploeg; secr. Ds R. Houwen, Guyotstraat 4 . 

1936 Amsterdam: voorz. Prof. Dr C. J. Bleeker; secr. Mej. W. Dyrbye, Valeriusstraat 150 bv. 
1936 ’s Gravenhage: voorz. K. C. A. Collette; secr. C. J. Wesseling, Laan van N.O. Indië 90 c. 
1936 Rotterdam: voorz. Dr F. Kossmann, Gemeente-Bibliotheek, Nieuwe Markt 1 . 

1938 Utrecht: voorz. Prof. Dr A. R. Hulst, secr. Dr C. Th. Niemeyer, Zwecrslnnn 18 . 

1939 Doetinchem: voorz. J. H. A. van Heek, Huis Bergh, 's-Heerenberg. 

1941 Enschede: voorz. H. van Heek Hzn; secr. Mevr. C. F. L. van Heek-van Heek, Huizede 
Tol, Hengelosestraat 

1941 Maastricht: voorz. H. J. H. Hoenen; secr. Ir F. B. J. M. Moubis, Tongersestraat 8. 

1942 Arnhem: voorz. Mr W. P. A. Smit; secr. Mej. Dra J. Hollestelle, G. A. van Nispenstraat 5 . 
1942 Breda: voorz. Mr J. K. Schellenbach ; secr. Ds H. Coolsma, Dreef 7 , Princenhage. 

1942 Amersfoort: voorz. Dr R. van der Velde, Piersonlaan 20 . 

1942 Venlo: voorz. P. M. Nieuwhof O.E.S.A.; secr. H. Th. E. Pröpper, Burg. van Rijnsingel 26 . 

1943 Zwolle: voorz. J. H. Sypkens Smit'; secr. Dr W. Klei, Tesselschadestraat 28 . 

1943 Heerlen: voorz. P. Dr Th. Bouwman O.F.M.; secr. F. A. Kraat, Kasperenstraat 64 , Kerkrade. 

1943 Leeuwarden: voorz. Dr J. G. Aalders; secr. 

1944 Deventer: voorz. Dr J. Stam; secr. Dr J. W. Bruins, Gibsonstraat 6 . 

1944 Eindhoven: voorz. Mevr. Mr A. M. Mulder-Swanenburg de Veye; secr. A. J. M. Baljet, 
Floralaan 128 . 

1944 Zutphen: voorz. Dr J. J. van Manen; secr. Ir J. Th. Joosting, De Vrijhof, Almen. 

1944 Alkmaar: voorz. Dr E. B. Plooy; secr. Mr G. A. de Lange, Breedstraat A 10 . 

1945 ’s Hertogenbosch: voorz. Dr W. P. Theunissen; secr. Drs W. Murkoster, Stationsweg 8. 

1946 Tiel: voorz. Dr W. J. Scholte, Stedelijk Gymnasium. 

1946 Haarlem: voorz. Dr W. H. C. van Esvelp; secr. A. Haije, Leeuwerikenlaan 1 , Aerdenhout. 
1946 Hoorn: voorz. N. J. Swierstra; secr. Mevr. N. Kerkhoven-Heyligers, Noorderstraat 8 . 

1949 Kampen: voorz. Dr J. J. Itjeshorst; secr. J. P. Lettinga, De Savornin Lohmanstraat 8. 

1950 Dordrecht: voorz. P. W. van Houten; secr. Mevr. H. E. van Gelder-Kraay, Wijnstraat 109 . 
1953 Wageningen: voorz. Prof. Ir J. F. Kools; secr. Ir H. Ragetli, Hoogstraat 23 a. 

studiekringen in belgië: 

1939 Leuven: voorz. Prof. Mag. J. Coppens; secr. Prof. Dr J. Vergote, Beukenlaan 7 , Heverlee. 
1939 Antwerpen: voorz. G. Schmook; secr. Mej. Dra I. Vertessen, Kreeftstraat 5 . 

1939 Brugge: voorz. Prof. Dr M. Sabbe; secr. J. Vierin, Langerei 18 . 

1939 Luik: voorz. Prof. G. Dossin; secr. Prof. Hélène Danthine, Rue du Pare 67 . 

1946 Gent: voorz. Prof. Dr L. Vanden Berghe; secr. Dr H. Mussche, St Denijslaan 261 . 

1947 Mechelen: voorz. Prof. Dr G. Goossens; secr. Dr A. Stokkaer, Leopoldstraat 47 . 

1948 Brussel: voorz. Prof. Dr C. De Wit; secr. Dr G. Gijsels, Belg. Onafhankelijkheidslaan 70 , 
Brussel-Koekelberg. 


PRINTED IN THE NETHERLANDS — GEDRUKT BIJ E. J. BRILL TE LEIDEN